Essay

De weg naar John Fante

Door Henk van Straten
1 december 2008

Illustraties: Willem Jansen

Tussenstops: Punk, Tupac Shakur, Australië, Charles Bukowski en beer shits.

 

JF1

Eigenlijk moet ik beginnen bij Charles Bukowski. U moet begrijpen, voordat m’n moeder me op m’n negentiende een dichtbundel van deze man kado deed, las ik niet veel meer dan muziekbladen. En dan niet eens de bevlogen, zelfgemaakte en politiekcorrecte bladen die veelvuldig circuleerden in het underground circuit waar ik me destijds in begaf. Nee, ik heb het hier over die gesponsorde, glossyachtige dingen die je gewoon in Bruna vindt. Maar wacht even, we moeten misschien nog iets verder terug. Daar vinden we namelijk de neergeschoten rapper Tupac Shakur. Ik las zijn teksten en luisterde naar zijn muziek. Dat laatste is op z’n minst vreemd te noemen aangezien ik toen, en nu nog steeds, voornamelijk punk en andere harde muziek prefereerde. Maar hij had iets… echts. Iets dat me met hem deed identificeren. Welnu, je zou dat, als je ons naast elkaar zou zetten, niet meteen verwachten. Tupac was een rijke neger met een gettoachtergrond, had ervaring met drugdeals, kogels (veelal in zijn lijf), en met gangs die luisterden naar namen als Bloods en Crips. Ik daarentegen, was (en ben) een blanke, Nederlandse puber uit de middenklasse, met onder zijn bed een waterpijp, een voorraad wiet en een oude sok die ik gebruikte tijdens het stiekem porno kijken op Canal+ tijdens de nachtelijke uren. De overeenkomsten zijn op één vinger te tellen, dat zult u met me eens zijn.
Maar! Achter de muur van geld- en geweldsverheerlijking was Tupac eigenlijk een gevoelige jongen, en ook, iets wat weinig mensen weten, een middelmatig doch oprecht dichter. Je kreeg bij zijn werk (evenals de blik in zijn haast sensuele ogen) altijd het gevoel dat als hij de toneelschool had voltooid, geen drugs had hoeven dealen om zijn verslaafde moeder mee te onderhouden, en niet meerdere malen was neergeschoten, hij iemand was geworden waar we nu met z’n allen naar op zouden kijken. Een groot acteur. Een mensenrechtenactivist. Een schrijver. De president van Amerika?

Oké, goed, de gedichten van een notoire gangster rapper wilde ik toen dan nog wel lezen, maar met iets anders moest je ook echt niet komen aanzetten. Literatuur was voor nerds, homo’s, snobs, stuudjes, brillies, bejaarden, pijprokers en burgerlullen. (In feite ik was natuurlijk gewoon bang dat het te hoog gegrepen voor me zou zijn; een angst die ik nu nog steeds met me meedraag.)

Echter, toen ik op m’n achttiende een jaar lang door Australië aan het reizen was, waren de momenten van verveling zo frequent en langdurig, dat ik toch maar sporadisch een tweedehands boek ter hand nam. Boeken van Stephen King bijvoorbeeld. Ik herinner me zelfs De Celestijnse Belofte. Als ik me die boeken nu weer voor de geest haal, is de latere liefdesrelatie met het geschreven woord eigenlijk nog opvallender. Ik bedoel, De Celestijnse Belofte? Alsjeblieft!
Thuis aangekomen en een heel jaar ouder, gaf m’n moeder me dus zomaar ineens Betting On The Muse van Bukowski. Waarom weet ik eigenlijk niet eens. Ze las zelf niets van de beste man. Ze leest überhaupt geen Engelse boeken. Hoe zat dat? Kon ze wellicht de dramatische koerswijziging die het teweeg zou brengen toen al voorspellen? Wist ze dat hij, en hij alleen, de man was die je moest inschakelen in geval van een nihilistische puber? Ik moet het haar een dezer dagen eens vragen.

De wereld brak als een rioolpijp in tweeën. En uit dat riool, besmeurd met de collectieve drol van de mensheid, stond een mentor op. Een man die leefde in goedkope kamers in de achterwijken van L.A., sliep op parkbankjes en de vloeren van geschifte vrouwen, en van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat dronken was. Een man die liever sliep dan dat hij wakker was. Een man die dagelijks schreef louter en alleen omdat hij móest schrijven, ook al was er tot zijn vijftigste levensjaar geen uitgeverij te vinden die zich aan zijn werk wilde wagen. Charles Bukowski haatte de schrijvers en boeken waarvan ik op dat moment dacht dat alle literatuur bestond. En, nog belangrijker, hij schreef over zichzelf. Over drinken in cafés, vechten op straat en kotsen naast zijn bed. Over vrouwen en drugs. Klotebaantjes. Lelijke mensen. Remsporen en driepotige honden.
Bukowski beschreef het creëren van een gedicht of verhaal (bij hem feitelijk één en hetzelfde) als volgt: ‘It has to come out like a good hot beer shit. A good hot beer shit is glorious, man. You get up, you turn around, you look at it, you’re proud. The fumes, the stink of the turd… You say, “God, I did it. I’m good,” then you flush it away and there’s the sense of sadness when just the water is there. It’s like writing a good poem. You just do it. It’s a beer shit. There’s nothing to analyze. There’s nothing to say. It’s just done. Got it?’

Charles Bukowski, toen reeds vijf jaar dood, liet me zien dat proza ook voor mij was. Dat het mocht stinken, wringen en klappen uit mocht delen. En – oh wat heerlijk! – dat het niet hoefde te rijmen. Waarom liet iemand in godsnaam ooit nog iets rijmen?
Kortom, op deze manier lustte ik er wel pap van. Het zaadje was gepland. Een amusant gegeven is overigens dat de naam John Fante in het werk van Bukowski meerdere keren vermeld wordt, maar dat ik pas sinds kort, ongeveer acht jaar na m’n bloeiende affaire met Bukowski, de moeite heb genomen om me in deze man te verdiepen.

Bukowski had een diep ontzag en respect voor Fante en heeft hem nog bezocht tijdens z’n ziektebed. Niet lang daarna stierf Fante, toen al enkele jaren blind en ontdaan van zijn benen, aan de gevolgen van ouderdom en suikerziekte. Ik weet nog dat ik Wait Until Spring, Bandini aanschafte louter en alleen omdat Bukowski er het voorwoord van geschreven had. Waarom ik dat boek toen niet daadwerkelijk heb gelezen is me een raadsel. Misschien was ik er nog niet klaar voor. Waarschijnlijk legde ik het na het lezen van de eerste zinnen weer weg. De kracht van Fante ligt in de ogenschijnlijke eenvoud van z’n werk, en ik had daar toen misschien nog geen oog voor. Vond het waarschijnlijk wat saai en bleekjes. Aldus, een meesterwerk verdween in de kast. Zoals dat zovaak gebeurt, in zo veel huiskamers.
Maar goed, de toon was gezet en ik begon aan een lange lijst van volstrekt willekeurig gekozen schrijvers. Van Ernest Hemingway naar Chuck Palahniuk, van Joseph Heller naar Kurt Vonnegut, van Irvine Welsh naar Alberto Moravia, van Kinky Friedman naar Dave Eggers, en ga zo maar door. Maar ook tientallen andere schrijvers kwamen voorbij. Schrijvers die niet door de selectie kwamen. Schrijvers waarbij ik ineens m’n oude mentor, Bukowski, weer tekeer hoorde gaan over pretenties en geforceerde intellectualisme. Over boeken die mensen goed vonden simpelweg omdat andere mensen ze goed vonden, of omdat het ze precies liet lezen wat ze wilden lezen. Ingeslapen boeken. Sentimentele boeken. Elitair. Ongevaarlijk. Overbodig. Pretentieus. Geforceerd literair. Bij welke auteurs dit precies gebeurde weet ik nu niet meer. Gelukkig maar.

Wanneer ik zelf begon met schrijven is moeilijk te zeggen. Als zanger van een punkbandje schreef ik al songteksten toen ik veertien was. Bukowski-eske gedichten vonden hun weg naar het computerscherm zo rond m’n twintigste. Maar verhalen, fictie, daar begon ik pas midden twintig mee. Eigenlijk helemaal niet eens zo lang geleden. Ik ben nu achtentwintig. Het was dus praktisch eergisteren.
Door te schrijven ging ik anders kijken naar literatuur. Vergelijk het met een muzikant die geen liedje meer kan horen zonder het op te delen in de verschillende instrumenten, de productie te beoordelen, en het genre, en de presentatie. Zodoende leerde ik onderscheid maken tussen puur en troebel. Tussen geforceerd en vanzelfsprekend. Tussen gekunstelde stijlfiguren en natuurlijke souplesse. Het blijft een kwestie van smaak natuurlijk. Uiteraard. Maar die dooddoener wilde ik, als u het niet erg vindt, zo lang mogelijk achterwege laten.

Er zijn veel goede schrijvers. Heel veel. Meer dan ik gelezen heb of waar ik überhaupt ooit van gehoord heb. En allemaal hebben ze iets. Iets unieks. Ongrijpbaars. Iets echts. Ze vormen een onuitputtelijke bron van heerlijkheid, emotionele en filosofische educatie, eindeloze verbazing én, het beste van alles, herkenning.
En langs deze weg kom ik nu dan toch eindelijk uit bij John Fante (1909 – 1983), geboren te Colorado, USA, maar veelal woonachtig in L.A.. Ongeveer een jaar geleden las ik Ask The Dust en begreep onmiddellijk dat ik, ongeveer per toeval, was gestuit op de essentie van het schrijven. Hier was iemand die schreef wat hij moest schijven en niets meer. Een man die zich nooit verloor in pretentie of zelfbevlekking. Een man die niemand wilde overtuigen of bekeren. Een man zonder opgelegde boodschap. Een man die niet, zoals zoveel anderen, alleen maar wilde laten zien hoe goed hij kon schrijven, daarbij voorbijgaand aan het gerief van de lezer en, ja, zelfs de ziel van fictie.

Natuurlijk: ook Fante was een narcistische en tegelijkertijd hopeloos onzekere man, net als alle andere goede (en slechte) schrijvers, maar hij bezat, in ongekende mate, iets waar zo velen een tekort aan hebben. En dat is, beste mensen, zelfspot. En niet zomaar zelfspot. Nee. Humoristische zelfspot. Schrijnende zelfspot. Treffende zelfspot. Hardop lachen, ha-ha zelfspot. En het is juist hierdoor dat Fante nooit pretentieus overkomt. Hij kón zichzelf simpelweg niet te serieus nemen. Waarschijnlijk was dat omdat hij wist, net als ieder weldenkend mens, dat jezelf te serieus nemen de teloorgang van zowel je creatieve vermogen als je persoonlijkheid betekent. En, natuurlijk, omdat je dan altijd ‘Geintje!’ kunt zeggen als niemand je werk blijkt te waarderen. Onzekerheid: een vloek en een zegen.

Maar dan, tussen de ogenschijnlijk luchtige zinnen door, vormt zich onder je ogen wel mooi een prachtig verhaal. Ontroerend. Grafisch. Integer. Deze man kon schrijven. Nee, wat ik wil zeggen is, deze man schrééf.
Maar mijn weg náár John Fante, is ook beetje de weg ván John Fante. Dat klinkt zelfingenomen, en dat is het waarschijnlijk ook. Ik identificeer me met zijn persoonlijkheid. Of nou ja, de persoonlijkheid van Arturo Bandini, zijn alterego uit de vierdelige Bandini-saga, die verhaalt over zijn leven van jonge jongen tot aan man van middelbare leeftijd. Zijn ambitie voor het schrijverschap. Zijn onzekerheden. Zijn hoogmoed.

Arturo is John, dat moet haast wel. We mogen – nee – móéten dat aannemen, om de charme van zijn boeken te kunnen ervaren. En als je zijn verzamelde brieven leest, dan weet je het ook eigenlijk wel zeker. Ik houd van Fante omdat hij een valse bullterriër had genaamd Rocco. Ik houd van Fante omdat hij nooit bij de stoffige, zelfverklaarde ribstofelite heeft willen horen. Ik houd van hem omdat hij een macho met een klein hartje was. Een loepzuivere Italiaan met glad, naar achteren gekamd haar en een strak witte T-shirt. Want als schrijven – schrijver zijn – ook zo kan, ja, dan wil ik dat ook wel. Zonder John zou voor mij de lol er misschien zelfs wel helemaal vanaf zijn. Ik zou dan namelijk nergens bijhoren, en nu wel: nu hoor ik bij Fante. Als ik schrijf, vraag ik me af wat hij ervan zou vinden. Hij staat op m’n schouder en schopt me in m’n nek als ik dreig in die eeuwige val van verhulde zelfbevlekking en literaire erkenning van de high browers te stappen. Dat klinkt pathetisch en overdreven, maar het ligt dichter bij de waarheid dan je misschien nu wilt aannemen.

JF2

John Fante. In Nederland catastrofaal ondergewaardeerd. Zelfs in zijn eigen land, in zijn eigen tijd, had hij het niet breed. Verdiende voornamelijk geld met filmscripts, hetgeen hij haatte en waarvan hij dacht dat het zijn artistieke capaciteiten vernielde. Pas veel later kwam het succes met Wait Until Spring, Bandini (1938) en Ask the Dust (1939), en dat succes was verre van omvangrijk. Hij bleef tegen zijn zin in filmscripts schrijven en kwam pas op late leeftijd weer met een roman op de proppen. Zijn laatste boek, Dreams from Bunker Hill (1982), dicteerde hij aan zijn vrouw Joyce, omdat hij al sinds 1978 niets meer kon zien. Een jaar later was hij overleden. Hier in Nederland bleef het succes eigenlijk helemáál achterwege. Alleen Meulenhoff komt eens in de zoveel tijd met een kleine oplage.

Mijn droom is, mocht Meulenhoff het ooit goedkeuren, om op een dag een eigen vertaling van The road to Los Angeles te schrijven, al getuigt dat waarschijnlijk van dezelfde pretentie als waar Charles Bukowski en de jonge Henk van Straten zo’n afkeer tegen hadden.
Goed, dat moet dan maar.

Bibliografie John Fante

  • Wait Until Spring, Bandini (1938)
  • Ask the Dust (1939)
  • Dago Red (1940), korte verhalen
  • Full of Life (1952)
  • The Brotherhood of the Grape (1977)
  • Dreams from Bunker Hill (1982)
  • 1933 Was a Bad Year (postuum gepubliceerd, 1985; incompleet)
  • The Road to Los Angeles (postuum gepubliceerd, 1985)
  • The Wine of Youth (postuum gepubliceerd, 1985), korte verhalen
  • West of Rome (postuum gepubliceerd, 1986), twee novelles
  • The Big Hunger (postuum gepubliceerd, 2000), korte verhalen

 

Lees meer van

Carpaccio van courgette

Door Henk van Straten

Beeld: Willem Jansen In november las ik Eating Animals van Jonathan Safran Foer. Halverwege het boek besloot ik dat ik vegetariër zou worden, maar bleef nog wel gewoon vlees eten. Na de jaarwisseling, besloot ik, vanaf dan zou ik geen vlees meer eten. Ik vond dat een mooi voornemen. Het kiezen van een datum in […]

Lees meer uit de categorie Essay

Lumineus – Filip Dujardin

Door Nynke Vissia

Fantastische digitale bouwsels; fictie of non-fictie? Vanaf het moment dat ik het werk van Filip Dujardin ontdekte, was ik meteen geïntrigeerd. In mijn zoektocht naar meer informatie over de kunstenaar, stuitte ik op deze stelling die mijn enthousiasme nog verder aanwakkerde: “De ‘fictieve’ architectuur van de Belgische fotograaf en kunstenaar Filip Dujardin stelt een terugkeer […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper