Interview

En Garde!

Door Henk van Straten
1 december 2008

Beeld: Willem Jansen

Janneke van der Horst (1981) weet hoe jongens huilen. Op weg van Eindhoven naar Amsterdam om haar te ontmoeten, baart me dat ineens grote zorgen. Ik ben een jongen, en ik heb liever niet dat mensen weten hoe ik huil. Zeker meisjes niet. En daarbij, als Van der Horst weet hoe jongens huilen, wat weet ze dan nog meer van jongens? Een ongemakkelijk, paranoïde gevoel bekruipt me. En dat is niet alleen omdat achter me in de tram een twee meter lange kerel in zichzelf zit te praten, steeds hetzelfde onverstaanbare zinnetje. Maar niet dusdanig onverstaanbaar dat ik er niet herhaaldelijk het woordje ‘kill’ in kan horen.

Ik zal toch zeker geen open boek voor haar zijn? Een personage uit een van haar verhalen, dat ze binnen no time heeft geanalyseerd en gekaderd? Bijvoorbeeld: ik ben een getatoeëerde boer uit Eindhoven, die dat feit hopeloos probeert te compenseren door het dragen van een bril, het schermen met zijn schrijverschap en het pretenderen iets van journalistiek te weten. Zo zou ze me kunnen bestempelen, om me vervolgens zo, hup, een verhaal in te schrijven.

Van der Horst weet overigens niet alleen hoe jongens huilen. Ze weet ook hoe ze moet schrijven. Columns, feuilletons en korte verhalen, onder andere voor HP / De Tijd, NRC en Het Parool. En ze was ook nog drie en een half jaar redactrice bij het satirisch-literaire tijdschrift Propria Cures. Kortom, ze weet hoe het kunstje werkt, en dat al op haar zevenentwintigste.

Haar laatste wapenfeit, Ik weet hoe jongens huilen, is een verhalenbundel van 160 pagina’s dik. Studentikoos, zo bestempelde De Groene Amsterdammer Janneke’s debuut in een recensie. Ook al weet ik niet precies wat dat inhoudt, studentikoos, ik merk dat ik haar ook al een beetje als zodanig ben gaan beschouwen. Zo weet ik dat ze tennist, naar concerten van Acda en de Munnik gaat en uit een welgesteld dorp komt. Ze heeft gestudeerd, en volgens mij gaat ze ook regelmatig op wintersport. En op de achterflap van haar boek draagt ze, jawel, een overhemd! Met prominent decolleté, dat dan weer wel. En halverwege het interview leer ik dat het geen overhemd maar een ‘body’ was. Maar toch, ik vraag me af hoe we zullen klikken, Janneke: de studente uit Amsterdam, en ik: de ongeschoolde Brabander. Van der Horst práát ook een beetje studentikoos. Twee uur lang luisterde ik naar haar stem tijdens haar interview met radioprogramma Cantina. Ze heeft die R die ik, als Brabander, nog altijd met Kinderen voor Kinderen associeer. Maar dat heb ik als Brabander uiteraard nogal snel. Studentikoze grootspraak heb ik bij haar niet kunnen ontdekken. Integendeel, ze kwam tijdens dat interview juist wat timide over. Ingetogen. En zeer beleefd, zelfs toen haar gevraagd werd of ze eigenlijk wel wist hoe ze een lp moest draaien. Ze praatte met een zachte stem, dacht telkens even na voor ze iets zei en ze had het veel over vroeger, en goeie oude tijden met haar vriendinnen. Ze kwam steeds sympathieker op me over, maar ik had sterk het idee dat ze niet alles zei wat er te zeggen viel.

Misschien heb ik nu meer geluk.

Haar boek wordt in verscheidene recensies ook geestig en scherp genoemd, en daar ben ik het mee eens. Voornamelijk haar kortere verhalen, De soldaat en ik, Zo is het leven en Oom Hemmo zijn bij mij favoriet. Janneke is erg goed met losse zinnen; van die enkele zinnen die meer zeggen dan een alinea, of zelfs een bladzijde kan zeggen. Ze is goed op de korte afstand, zo zal ze later aan me vertellen, maar dat weet ik nu nog niet, want ik zit nog in de tram. Ik nader de Plantage Middenlaan in Amsterdam, waar ik met haar heb afgesproken in een café.

Toen ik Janneke in eerste instantie benaderde, zei ze eigenlijk geen interviews meer te willen geven. Ze was bang dat er toch weer onzin uit zou komen. Dat maakte mij natuurlijk alleen maar nieuwsgieriger. En nu zit ik tegenover haar. Janneke van der Horst: de schrijfster die, samen met mij, onze En Garde rubriek officieel zal aftrappen. Bier voor haar, whisky voor mij. Ik hoop niet dat ze me aan het huilen krijgt.

Henk: Ik las dat je geen interviews meer wilde geven. Toen dacht ik, zoveel heb je er volgens mij helemaal niet gedaan.

Janneke: Genoeg om er geen meer te willen geven. Misschien ligt het aan mij, misschien heb ik weinig geluk gehad met ondervragers. Er zijn niet echt zaken waar ik vanuit mezelf meteen veel over praat. Ik heb niet het gevoel dat ik iets belangrijks te vertellen heb. Dus de vragen moeten goed zijn. Ik werd bijvoorbeeld een keer geïnterviewd door een meisje van negentien, een heel lief meisje verder, maar, ja… daar kwam niet veel uit, en uit mij dan dus ook niet. Of er wordt geschreven wat de interviewer zelf heel graag wil horen. Zo werd me ooit gevraagd wanneer ik meestal schrijf, op welk moment van de dag. Of dat misschien vooral ‘s nachts was. Ik antwoordde dat het verschillende momenten waren, soms dus inderdaad ook ‘s avonds laat. Die man schrijft vervolgens dat ik altijd midden in de nacht opsta om te schrijven. En toen ik vertelde dat ik Amsterdam op dit moment de fijnste plek vind om te wonen, schrijft hij dat ik er altijd wil blijven wonen, nooit meer weg wil. Dat dus… en ik heb zelf nog heel sterk idee dat ik er aan moet wennen, nog niet precies weet wat ik nou wil zeggen. Ik wil graag lang nadenken over een geschikt antwoord. Maar daar is dan geen tijd voor. Ik ben niet zo’n snelle denker, en wil toch graag het goede antwoord geven. Als ik snel wil antwoorden ga ik iets zeggen wat niet echt waar is.

H: Je zou dus liever een MSN interview doen, of via email?

J: Ja… alleen heb je dan weer dat je alleen maar bezig bent met het perfecte antwoord, hoe je wilt dat het overkomt. Dat is ook niet goed.H: Het zou wel mijn voorkeur hebben, denk ik.

J: Ik zou graag de vragen van te voren inzien, zodat ik er een beetje over kan nadenken alvorens het interview te geven, maar misschien maakt dat het weer minder spontaan.

H: Ik heb je radio-interview op Cantina beluisterd, daarna begreep ik je weerzin tegen interviews al een stuk beter. Als iemand (Jan Donkers – red.) je na een gesprekje over muziek vraagt of je eigenlijk wel weet hoe je een lp moet draaien… Ik moet zeggen, je bleef er rustig onder. Je leek geen enkele drang te hebben een steek terug te maken.

J: Nee, maar ik ken hem ook persoonlijk, dus…

H: Ah… Ehm… Oké… Maar dan ik juíst verwacht dat je wel wat brutaler zou zijn.

J: Het was m’n eerste keer op de radio, ik had niet helemaal m’n dag… en ja… ik ben er gewoon niet zo goed in.

H: Nou, ik vind niet dat jij het slecht deed. Ik had juist het gevoel… Ik had niet echt medelijden met je, maar ik vond de vragen die je gesteld werden soms wel echt beschamend. Ze waren ook totaal niet gerelateerd aan jouw belevingswereld, misschien door het leeftijdsverschil. Als het over oude muziek ging dan kon hij er weer even in mee, maar buiten dat vond ik hem haast als een opa die vragen stelt aan zijn kleindochter, en het dan telkens net niet begrepen heeft, waardoor de kleindochter ook geen goede antwoorden kan geven. Een interview moet gelijkwaardig zijn, dat was dit niet.

J: Hm, ik heb er zelf niet eens meer naar geluisterd. Ik weet dat van die lp niet eens meer.

H: Sla je nu veel interviews af?

J: Nee, nee, ik had pas net besloten er geen meer te geven en toen vroeg jij me.

H: Waarom zei je nu wel ja?

J: Ik heb nu eenmaal een zwak voor kleine literaire magazines.

H: Mooi zo. Oké, ander onderwerp. In het promofilmpje van Nieuw Amsterdam zeg je dat je schrijven vergelijkt met tennis.

J: Ja, ik vergelijk heel veel dingen met tennis. Zo ben ik heel goed op de korte afstand, dan ben ik het snelst, en dat is bij schrijven ook zo.

H: Je bedoelt korte verhalen in tegenstelling tot een roman.

J: Ja, of columns.

H: Ah, en de vraag wanneer er dan misschien toch ooit een roman komt vind je volgens mij irritant worden, toch?

J: Nou ja, mensen gaan er sowieso van uit dat je een roman wilt, en gaat, schrijven. De dag van de presentatie (van Ik weet hoe jongen huilen – red.) vroegen mensen al meteen: ‘En nu?’ Ik had er zelf echt nog niet over nagedacht.

H: Dus: en nu?

J: Ik ben er wel over aan het denken, ja. En ik heb ook wel een idee.

H: Dat zou je tweede boek worden.

J: Ja, ik heb het er nog helemaal niet met de uitgeverij over gehad. Dus het is nog heel pril. Maar het gaat niet uit m’n hoofd, dus volgens mij ga ik er wel iets mee doen.

H: Wil je eerst overleggen met je uitgever voordat je er aan begint?

J (denkt na): Ja.

H: Is dat dan omdat ze kunnen helpen om de beslissing te maken, of zoek je ook een soort goedkeuring?

J: Nee, in eerste instantie had ik twee ideeën, en ik dacht, ik ga gewoon eens met m’n redacteur praten. Een beetje sparren. Om te kijken wat er uit komt. Maar dat was voor de vakantie. Inmiddels is het plan in m’n hoofd al veel verder gevorderd.

H: Maar dan heb je dus wel een goede band met je redacteur. Is die persoon door N.A. aangewezen als je vaste redacteur?

J: Nee, hij heeft mij uit zichzelf benaderd, naar aanleiding van stukken in Propria Cures.

H: Het lijkt me wel fijn, iemand hebben om mee te sparren. Dat iemand zo belangrijk voor je is, dat je een nieuw idee ook eerst met hem of haar wilt bespreken. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat ooit met mijn uitgever of redacteur zou doen. Niet omdat hem er niet toe in staat acht, maar… Nee, ik zou dat niet snel doen.

J: Maar waarom niet dan?

H: Ja, dat zit ik me nu af te vragen. Misschien omdat ik daar teveel een einzelgänger voor ben, dat ik denk dat ik het alleen wel kan, niet wil dat iemand zich er mee bemoeit, in ieder geval niet in de eerste stadia van een nieuw werk. Of het is omdat onze relatie er gewoon niet naar is.

J: Maar hoe is de begeleiding bij je roman je dan bevallen?

H: Nu toch wel goed. Ik heb natuurlijk voordat ik zee ging met een uitgever wel een beetje gepolst wat de bevindingen waren, of ik me daarin kon vinden.

J: Je had meerdere gegadigden? Mag ik weten welke?

H: Cossee en Mistral (nieuwe uitgeeftak van Foreign Media Group – red.) Toen ik hoorde dat het nieuwe boek van Arnon Grunberg bij Lebowski (Oscar van Gelderen – red.) zou uitkomen, was dat de eerste keer dat ik van het bestaan van die uitgeverij hoorde. Ik ben een grote fan van de film The Big Lebowski, dus ik was benieuwd of ze daar hun naam ook echt aan ontleend hadden. Zo kwam ik daar dus terecht.

J: Ik heb ook op hun website gekeken ja, maar wat vind je er van als je uitgever z’n welkomstwoord ondertekent met ‘The Dude‘?

H: Euh, tja, tja… Ik snap wat je bedoelt. Dat is ook wel treffend voor wie hij is. Maar aan de andere kant is hij wel iemand die vroeger in de punkscene zat, net als ik, en een groot Bukowski fan is, ook net als ik. Dat creëert toch meteen een zekere gelijkgezindheid. En hij is recht door zee, zakelijk, daar houd ik wel van. No nonsense. Ik vind het ook gaaf dat hij wordt gezien als het enfant terrible van de uitgeefwereld. Dat geeft hem voor mij een streepje voor. Hij geeft uit wat hij uit wil geven. Dat gaat dan van Susan Smit naar Grunberg, dus ze kunnen hem moeilijk in een hokje stoppen. Ik zou niet graag in die literaire bibliotheekkringen willen zitten. Dat stoffige. Ik wil toch ergens nog steeds wel een beetje kunnen schoppen.

J: Is hij ook je redacteur?

H: Ja, verhaaltechnisch zeker. Spelling en grammatica en dergelijke laat hij aan iemand anders over, iemand die er ook voor moet zorgen dat het allemaal iets minder Brabants wordt. Ik schrijf nog niet ‘beter als’, maar het scheelt weinig… Maar om terug te komen op zo’n redacteur…

J: Ja, ik heb toch wel echt feedback nodig.

H: Feedback krijg ik ook wel, maar dan van m’n moeder. Maar zelfs van haar kan ik het soms slecht hebben.

J: Ik stuurde de ruwe versies van m’n verhalen meteen naar m’n redacteur, en vond z’n kritiek dan ook bijna altijd heel terecht. Ik had er een goed gevoel bij.

H: Hij lachte je niet uit?

J (verbaasd): Nee, hij heeft me niet uitgelachen.

H: Oh, want dat doet mijn uitgever namelijk wel. Best pijnlijk. Maar meestal ook zeer terecht. Dan lacht hij om een van m’n zinnen en zet er in de kantlijn ‘I.A.’ bij, wat staat voor Isabel Allende. In deze context niet erg positief bedoeld natuurlijk. Maar goed, daar moet ik dan zelf ook wel om lachen… In de CJP-bijlage van De Volkskant zeg jij over je surrealistische verhalen: ‘Soms begin ik gewoon met schrijven en ontwikkelen de verhalen zich vanzelf. Al klinkt dat misschien wat artistiekerig.’ En juist over die verhalen schrijft de Groene Amsterdammer dat ze geforceerd overkomen, ‘alsof Van der Horst een kunstgreep nodig heeft om haar verhaal te eindigen.’ Ze hebben het over een ‘kunstmatige poging tot absurd drama, waardoor het geheel onevenwichtig overkomt.’

J: Ja…

H: In de trein hier naartoe las ik dat weer terug, en toen bedacht ik dat los van het verhaal De soldaat en ik, het in je boek toch allemaal wel meevalt met het surrealisme?

J: Ja, vind ik ook. En het grappige is dat juist dat verhaal vorig jaar in een bloemlezing van PC (Propria Cures – red.) verscheen en door Pieter Steinz (redacteur van NRC Handelsblad – red.) werd aangeduid als een van de betere verhalen. Dus het is heel wisselend, maar daar heb ik me wel een beetje bij neergelegd. Zo was er ook een recensie (in de Groene Amsterdammer – red.) waarin beweerd werd dat m’n verhalen studentikoos zouden zijn. Je kunt dingen over m’n boek zeggen, en er zijn zwakke plekken die ik zelf ook wel kan inzien… ‘Studentikoos’ was niet eens als kritiek bedoeld, maar ik vind het nergens op slaan. Er komen bijna geen echte studenten in voor, er wordt weinig in gezopen. Als je aan studentikoos denkt, dan denk je toch een beetje aan Beau van Erven Dorens. De verhalen spelen zich ook niet in een faculteit af, of in een één euro kroeg. Daar kom ik zelf ook nooit.

H: En toch vind ik het ook.

J: Wat?

H: Studentikoos.

J: Ja?, Ik heb niet eens een studie afgemaakt.

H (verbaasd): Heb jíj geen studie afgemaakt?

J: Nee, ik ben gesjeesd.

H: Misschien komt het dan wel omdat ik iets, of iemand, al heel snel studentikoos vind… bijvoorbeeld als ze alleen al gestudeerd hebben. Of als ze, zoals jij achter op je boek, een overhemd aan hebben. Zeker bij een vrouw vind ik dat altijd erg ‘kak’.

J: Dat was een body, geen overhemd. Sowieso dragen vrouwen geen overhemden, alleen van hun man soms om in te slapen, maar een blouse. Als ik nou een Ralph Lauren aan had gehad of zo…

H: Ah, mijn excuses. Het is een erg mooie foto, laat me dat benadrukken… Kijk, dit maakt dus duidelijk hoe makkelijk ik geneigd ben iemand als studentikoos af te doen.

J: Ja, en dat vind ik dus erg makkelijk…. Degene die de recensie schreef, hij en andere mensen die gestudeerd hebben, denken bij studentikoos toch aan iets heel anders. De lading van dat woord is negatief…. En dan die laatste zin: ‘Het soort roman waar ze bij Propria Cures altijd op afgeven.’ Eerst schrijft hij dat hij hoopt dat ik een van de personages uit mijn bundel zal uitdiepen om er een scherpe, grappige roman over te schrijven, positief dus, en dan vervolgt hij met: ‘Het soort roman waar ze bij PC altijd op afgeven.’ Waarom zouden wij op scherpe, grappige romans afgeven? We zijn er dol op. Sommige mensen willen PC een beetje onderuit halen.

H: Omdat jullie het stigma elitair hebben.

J: Ja, misschien. En dan proberen ze dus in een recensie over mijn boek tegen PC te schoppen, wat mij persoonlijk niet raakt, maar wat ook nergens op slaat. Maar het is me nog meegevallen dat PC in andere recensies nergens echt terugkomt.

H: Even terug naar dat surrealistische aspect van De soldaat en ik, wat ik overigens ook je sterkste verhaal vond, alleen al om de laatste zin (Na het verzoek van een soldaat aan een meisje hem oraal te bevredigen: ‘Dat wilde ik niet, de soldaat en ik waren immers vrienden. Daarbij zat er nog heel veel smaak aan mijn Hubba Bubba-kauwgom en het was mijn laatste.’) Ontstaat die surrealistische kant meestal als je op een train of thought-achtige manier schrijft?

J: Hm, de kortste verhalen, zoals die, schreef ik in één keer door. Die kwamen ook in een keer, ik heb er niet diep over nagedacht van tevoren.

H: Ik vind de verhalen die ik in een keer schrijf, zonder er teveel bij na te denken, de fijnste verhalen om te schrijven. Ze geven me de meeste voldoening. Alsof ze geboren worden uit en soort oprisping. Iets wat er uit moet, zonder dat er een plot of planmatig verhaal bijkomt kijken.

J: Nee, ik heb dat op die manier niet. Ik heb altijd deadlines, en dan moet ik wel gaan zitten en schrijven. Die net genoemde verhalen moest ik voor PC schrijven. Ze moesten af. Ik vind het nog steeds moeilijk uit te leggen hoe dat proces dan precies in z’n werk gaat.

H: Maar dan moet je dus wel deadlines hebben.

J: Ja, dat heb je bij een roman dus niet.

Of het door de whisky komt, of gewoon omdat we elkaar nu een fractie beter kennen dan toen we elkaars hand schudden, weet ik niet, maar ik voel me wat meer op m’n gemak dan zojuist. De vragen over het wel of niet ‘studentikoos’ zijn – van Janneke zelf, of van haar werk – en de antwoorden die er op gegeven werden, veroorzaakten toch wat kille tocht rond de schouders. Ik had het idee dat Janneke niet echt van mening was dat ik er iets van begrepen had. Dat had ik waarschijnlijk ook niet, en dat werd even pijnlijk duidelijk. Het had na dat punt twee kanten op kunnen gaan. Gelukkig lijken we nu wat meer in het moment te komen. Wat niet wegneemt dat ik na elke laatste slok whisky gretig weer een nieuw glas bestel. Gelukkig drinkt Janneke haar biertjes met dezelfde verve. Mental note: nooit een interview in de ochtend plannen.

H: Je hebt dus geen studie afgemaakt. Was dat omdat je al voor kranten kon gaan schrijven? Dat je de noodzaak niet voelde om het af te maken?

J: Nee, er hadden zich gewoon teveel tentamens opgehoopt. En ik deed er al wel dingen naast, maar op zich, als ik gewoon door was gegaan in het tempo waarmee ik aan de studie begon, had ik het best af kunnen maken. Ik had het prima kunnen combineren. Maar het liep op een gegeven moment gewoon over. Ik moest een paper schrijven, en áls ik schreef dan schreef ik liever voor PC. Er kwamen toen ook nog allerlei vakken te vervallen waar ik de papers nog niet voor had geschreven, waardoor ik eigenlijk een jaar opnieuw moest doen. Toen zakte de moed me in de schoenen. Misschien was ik lui.

H: Ik kan me voorstellen dat, als je wel vooruitgang boekt op een ander vlak, het dan ook gewoon minder belangrijk wordt om je opleiding af te maken.

J: Ja…

H: Vind je het jammer dat je geen diploma hebt?

J: Nou, ik vind het in die zin jammer dat ik niks heb om op terug te vallen… als dadelijk geen club je meer wil. En dat er dan niets is dat je kan, dat er niets is waar je verstand van hebt.

H: Maar ben jij daar bang voor dan? Dat je geen kranten of tijdschriften meer kunt vinden die je werk willen publiceren?

J: Nou ja, ik ben daar nu niet direct bang voor, maar het spookt soms wel door m’n hoofd. Dat niemand je meer wil. Of dat verkoopcijfers en recensies op een gegeven moment zo gaan tegenvallen, dat je denkt, ja, nou ja…

H: Maar dan heb je het over boeken, toch? Maar je zit toch ook al vrij diep in en columns, dat hele journalistieke hoekje? Zolang je dat leuk blijft vinden zal je daar niet snel uitgetrapt worden, toch?

J: Die kans is natuurlijk wel aanwezig. Het gaat er helaas niet alleen om of ik het leuk vind. Maar ik ben ook niet echt een voorstander van het fulltime schrijverschap, dus ik moet er toch iets naast doen.

H: Je kán daar ook niet van leven natuurlijk.

J: Nee, maar zelfs al zou dat wel kunnen, ik zou het niet ambiëren.

H: Vanwege de eenzaamheid.J (contemplatief): Ja, ik woon vier hoog. Het is een beetje een cliché hoor, een zolderetage… En de ramen zijn heel hoog dus ik kan ook niet echt goed naar buiten kijken. Zie alleen maar de toppen van bomen… en… ik ben er echt af en toe wel klaar mee.

H: Dat je jezelf er echt toe moet zetten.

J: Nou ja, ik woon alleen. Dan sta je ‘s ochtends op en dan ga je… Ik vind thuis werken niet zo prettig. Jij hebt een vriendin en een kind, en die gaan dan weg en die komen terug en bewegen zich door het huis… Dat is anders.

H: Ja, ik kan me eigenlik heel goed vinden in wat je zegt. Ik heb op een gegeven moment op zolder een speciale schrijfruimte gemaakt. Ik had sowieso de ‘schrijfruimte’ altijd ontzettend geïdealiseerd. Als de ruimte goed is, dan kan je ook goed schrijven, dacht ik. Toen hadden m’n vrouw en ik op een gegeven moment een huis gekocht, en richtte ik op zolder dus een special ruimte in. Ik hing er allerlei prullaria uit kringloopwinkels op. Opgezette vogels en zo.

J (spottend): Ben je een vogelaar?

H: Nee, maar ik houd wel van…

J (nu lachend): Dode dieren.

H: Ja, precies. Dode dieren, daar houd ik van. Liefst maak ik ze zelf ook dood… Maar goed, ik had dus eindelijk een mooie plek voor mezelf gemaakt. Had ook allemaal gekruisigde Jezussen aan de muur hangen.

J: Ben je ook echt gelovig?

H: Nee, helemaal niet, maar ik houd wel erg van christelijke symboliek. Maar dan zat ik daar dus, vingers op het toetsenbord, en dan was het ineens wel heel erg stil. Ik raakte daar heel down van. Dus nu zit eigenlijk meestal aan de eettafel te werken, in de huiskamer. En dan roep ik naar m’n vrouw dat ze de tv zachter moet zetten. Of ik erger me aan m’n zoontje, omdat hij teveel lawaai maakt. Terwijl ik boven dan dus gewoon een eigen plek heb. Maar ik kan het me dus goed voorstellen.

J: Ja, precies. Als ik nou wat dichter bij de grond zou wonen, en…

H: Met iemand. Met geluiden.

J: Ja… ik heb nog altijd zo’n soort Melrose Place ideaal. Dat ik in een groot huis woon met allemaal vrienden.

H: Mensen om je heen.

J: ja, ik vind het ook altijd lekker om te gaan werken. Ik werk nu drie dagen per week. Dat wil ik ook altijd wel blijven doen. Maar dat is dus weer het nadeel van geen diploma hebben, dan is het moeilijker een leuke baan te vinden. Maar ik heb geluk gehad.

H: Wat voor werk doe je dan die drie dagen?

J: Ik werk voor een instituut dat getalenteerde jongeren binnen een leiderschapsprogramma actief laat meedenken over de positieverbetering van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap.

H: Klinkt leuk.

J: Ja, ik heb politicologie gestudeerd – niet afgemaakt dus – maar vind het wel leuk om met iets maatschappelijks bezig te zijn. Het is lekker om met jonge mensen bezig te zijn die getalenteerd zijn en daar ook echt iets mee willen doen.

H: Plus, je zit aan de positieve kant van een nogal veelbesproken spectrum, waar je normaal alleen maar negatieve dingen over hoort. Dat is wel gezond voor je wereldbeeld denk ik.

J: Ik was al niet echt iemand die het over ‘kutmarokkanen’ had, maar nu ik me er meer in heb verdiept kan ik mensen die dat wel doen met feitelijke kennis en cijfers om de oren slaan. Ook al zijn er veel problemen, er zijn meerdere kanten aan dit verhaal.

H: Laatst las ik een Volkskrant magazine dat geheel in het teken stond van geslaagde, ontwikkelde moslims. Het was een beetje over the top, en het is jammer dat het nodig is, maar toch merkte ik dat ook ik het fijn vind om zoiets eens te lezen.

J: Ja, en dat is ook heel erg nodig.

H: Ja, want ook ik betrap mezelf vaak op… Je denkt van jezelf heel snel dat je een ruimdenkend, gematigd persoon bent, maar dat beeld is vaak minder accuraat dan je denktJ: Tuurlijk, ik voel me soms ook niet op m’n gemak als ik ‘s avonds langs een groepje Marokkanen op scooters loop. Maar dat neemt niet weg dat het voornamelijk een sociaal-economisch probleem is, niet zozeer een cultureel probleem.

H (lachend): Of een genetisch probleem… Maar serieus, het is echt zo. Ook ik blijf mezelf betrappen op dezelfde angst als waar zoveel Wilders-stemmers last van hebben, zij het waarschijnlijk in mindere mate. Ik merk dat vooral als ik weer eens hier in Amsterdam kom. Neem vandaag, het begon al bij de tramhalte. Er zat een Aziatische jongen naast me. Hij had een koptelefoon op en hij was volledig geconcentreerd een klein, Manga-achtig stripboekje te lezen. Compleet ontrokken aan de wereld om hem heen. Ik had meteen een visioen waarin ik hem een pistool uit z’n tas zag halen en met absolute willekeur op de mensen om hem heen begon te knallen. En daarna, in de tram, zat er een pikzwarte TPG-bezorger naast me. Er ontstond wat commotie bij een van de haltes, iemand met een kinderwagen mocht er niet in, en die pikzwarte man gaf me ineens een brede, erkentelijke glimlach, rolde met z’n ogen naar mensen in kwestie. Het duurde even voordat ik naar hem teruglachte omdat ik het gewoon niet als een mogelijkheid had beschouwd. Je denkt dat je open minded bent, maar dan betrap je jezelf erop dat je een immigrant in een arbeiderstenue als zo ver van jezelf verwijderd ziet, zo ver verwijderd van je eigen, blanke, Nederlandse belevingswereld, dat je onbewust aanneemt dat hij jou ook zo wel zal zien. Op de een of andere manier past spontane communicatie gewoon niet in je verwachtingspatroon. Het is niet dat er enige vorm van haat of afgunst bij komt kijken. Je verwacht gewoon niet dat zo iemand naar je lacht. En als dat wel gebeurt is het alsof er een grens niet alleen wordt doorbroken, maar als een gevolg ervan ook ineens zichtbaar wordt gemaakt…J: Hier spreekt een provinciestadbewoner.

H: Wellicht! Maar goed… nog even over dat vangnet, dat er niet is door het gebrek aan een diploma. De kans dat je kunt leven van je fictie is heel erg klein. Betekent dit dat je je vooral gaat richten op je columns en je journalistieke werk? Is dat de kant die je op wilt?

J: Nee, van alles wat ik schrijf zijn m’n verhalen, fictie, nummer één.

H: Oké, I.W.H.J.H. is je eerste boek, ik neem aan dat daar flink wat promotie bij is komen kijken. Hoe beviel dat?

J: de promotie beviel goed, alleen vertaalt dat zich niet automatisch naar de verkoopcijfers. Maar een hoop bladen en kranten hebben aandacht aan me besteed. De Groene Amsterdammer, damesbladen als Elle, Linda, Viva, Marie Claire, NRC en Elsevier. Je verwacht dan ook dat daar iets uitkomt. Vooral die damesbladen, daar is iedereen altijd lyrisch over.H: De lezers ervan kopen snel iets als het aangeprezen wordt.

J: Ja, precies. En de recensies waren daar ook allemaal goed. Toch merk ik dat niet aan het verkochte aantal boeken. Maar verhalenbundels zijn natuurlijk ook niet echt populair.

H: Ze noemen het uitgeven ervan ook wel commercial suicide, zeker als debuut, toch?

J: Is dat zo? Het is juist ook heel erg klassiek maar misschien ben ik er op die manier ook gewoon te weinig mee bezig. Ik vind het voornamelijk gewoon leuk om te doen. En blijkbaar vindt de uitgeverij dat ook. Ik weet van nog twee andere jonge schrijvers dat ze ook met een verhalenbundel debuteren Bij N.A. Ze durven dat dus wel aan.

H: Word jij nooit een beetje wanhopig als je dingen leest in de media over hoe ontzettend moeilijk het is om een debuut aan de man te brengen? Hoe moeilijk het is om binnen het enorme aanbod überhaupt ook maar een beetje op te vallen?

J: Ik wist dat van te voren. Ik wist dat echt al heel lang van te voren. Bij mijn drie en een half jaar bij PC kwam dat heel vaak ter sprake. Ik heb daar ook zoveel namen van debutanten voorbij zien komen, waar ik dan later echt nooit meer iets van hoorde. Dat is op zich ook wel fijn, want ik verwacht er dus ook niet zoveel van.

H: Heel fijn, want voor mij is het redelijk als een klap aangekomen. Ik heb nooit in dat wereldje gezeten, van de uitgeefwereld, de media er omheen. Ik las alleen boeken. En ik heb al die tijd dat romantische beeld gehad van: Je schrijft een boek en dat is het dan. Nu is het me gelukt. Nu hoef ik me geen zorgen meer te maken om het feit dat ik alleen de havo heb afgerond en al meer dan tien jaar alleen maar horeca-ervaring op m’n cv heb staan. Al die tijd dacht ik: ik kan helemaal niks, maar stel je nu toch voor dat er een boek van me wordt uitgegeven… Die kans leek zo klein, en de prestatie zo groot en onwaarschijnlijk, dat ik geloofde dat áls het me lukte, ik er ook zeker wel van zou kunnen leven. Dan was ik schrijver. Schrijvers schrijven, die tappen geen bier. En dan blijkt ineens dat je er amper een vakantie van kunt betalen. Dat voelde haast als een practical joke: waar is Ralph Inbar en waar staan de camera’s?

J: Je zou eens moeten uitrekenen wat je verdient per woord.

H: Laat ik dat maar niet doen. Maar heb jij dan niet dat als je eerste roman uitkomt, en die blijft steken op drieduizend exemplaren, dat je daar dan van zult balen?

J: Ik zou juichen bij drieduizend exemplaren.

H: Ja? Daar doe ik het echt niet voor.

J: Wat is jouw verhouding tussen liefde voor schrijven en succesvol willen zijn?

H: Fifty-fifty. Ik móet schrijven, maar ik verlang wel dat het succes oplevert.

J: Maar wat is succes? Positieve reacties of hoge verkoopcijfers?

H: Ik wil dat die twee inherent aan elkaar zijn. Ik wil dat als ik iets moois maak in een wereld waarin de meeste media alleen maar stront produceren, dat daar dan een beloning tegenover staat.

J: Nou ja, goed, maar dat is maar voor een enkeling weggelegd. Zo werkt het helaas niet. Ik zou niet teleurgesteld zijn als je boek blijf steken op 3000 exemplaren. Als dat met je eerste roman gebeurt, mag je heel blij zijn.

H: Ja, dat weet ik ook, maar zo voel ik het niet.Oké, stop. Het is nu enkele weken sinds mijn interview met Janneke. Eindelijk ben ik het aan het uitwerken, vingers ratelend op het toetsenbord, en het is op dit punt in ons gesprek dat mijn memorecorder een hatelijke KLIK! laat horen. Als ik vervolgens het bandje omdraai hoor ik niets dan die zachte ruis waar sommige mensen stemmen van overleden mensen uit kunnen opmaken. Ik kan dat niet, en heb daarbij ook veel liever de stem van Janneke. Ik wist al wel dat ik geen journalist ben, maar dit is wel erg gênant. Na enig onderzoek blijkt de tape niet alleen losgeschoten te zijn, maar ook enigszins verfomfaaid. Ik koop nog eens een keer apparatuur via Marktplaats.

Wat er precies gezegd is na dit punt in het interview weet ik niet meer. Wel weet ik dat het gezellig was en dat de laatste drankjes nog niet waren gedronken. Ook namen Janneke en ik steeds minder doekjes voor de mond als het ging over schrijvers en andere literaire coryfeeën, en derhalve is het misschien maar beter dat de rest van ons gesprek niet wordt genotuleerd. We staan immers beiden aan het begin van onze carrière, en om die nu te beginnen met ieder een stuk of tien verschillende polemieken…

Janneke heeft me die avond niet meer aan het huilen gekregen. Integendeel, ik heb veel gelachen, en voelde tijdens de terugreis een warmte die niet louter aan de whisky toegeschreven kon worden. Ik hoop haar snel weer te zien, en kijk uit naar haar romandebuut. Janneke mag dan misschien wel goed zijn op de korte afstand, maar de lange heeft ze nog niet gelopen. Wellicht wint ze ooit een marathon.


Ik weet hoe jongens huilen
– Janneke van der Horst (Uitgeverij Nieuw Amsterdam)


Ik ben de regen
– Henk van Straten (Lebowski Publishers)

Lees meer van

Het kortstondige en niet geheel onaangename tijdsvacuüm van Boud Bakker

Door Henk van Straten

Door zijn rechterarm op de juiste manier in een hoek van negentig graden te houden, kon Boud Bakker zijn bicep als een ongeduldig molletje kopjes laten geven tegen de binnenzijde van zijn met Clinique anti-blemish solutions clearing moisturizer ingesmeerde huid. Gedurende de eerste twintig minuten nadat de intercity station Utrecht had verlaten en richting Assen […]

Lees meer uit de categorie Interview

Pretty World

Door Henk van Straten

Beeld: Willem Jansen Ik hoorde zijn nummer ‘Odessa’ twee jaar geleden tijdens een uitzending van Cantine (Radio 1) waarin schrijver Janneke van der Horst werd geïnterviewd. Ik deed op dat moment onderzoek voor een interview met Janneke (ook voor De Optimist) en stuitte derhalve op dit tedere doch tragische nummer van Sam Baker, een man […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper