Essay

Freak show met een reuzenkangoeroe

Door Miriam van Ommeren
1 december 2008

Tekst: Miriam van Ommeren
Beeld: (c) Brook Andrew

De vraag hoe men in vroeger tijden, en nu, tegen kleurlingen aankeek en –kijkt lijkt een populaire vraag te zijn. Dit jaar presenteerde de Nieuwe Kerk in Amsterdam de tentoonstelling Black is Beautiful, waarin de verbeelding van de zwarte mens in de Nederlandse kunst vanaf 1330 tot nu werd getoond. In Utrecht laat de Australische kunstenaar Brook Andrew nu zien hoe de Australische Aboriginal er de laatste 150 jaar in de westerse beeldcultuur vanaf is gekomen. Vrij beroerd, mogen we wel stellen.


Het Aboriginal Art Museum werd enkele jaren geleden in het leven geroepen om Aboriginal beeldende kunst te tonen, en richt zich daarbij specifiek op hedendaagse kunst. In oktober van dit jaar streek de Australische kunstenaar

Brook Andrew in het AAMU neer, voor de bouw van een Gesamtkunstwerk met het karakter van een pretpark. Andrew is een van de bekendste kunstenaars uit Australië, en heeft zowel Schots als Aboriginal bloed door zijn aderen stromen. Op jonge leeftijd kwam hij op school in aanraking met heersende stereotypen over Aboriginals, toen een biologieleraar aan zijn klas vertelde dat alle Aboriginals ‘krullen op hun duimen en vooruitstekende kaken’ hadden. Andrew herinnert zich het incident nog goed, zo vertelt hij in een interview. Het was alsof hem een gruwelijk sprookje werd verteld; een verhaal dat absoluut niet strookte met wat hij van moeders kant van de Aboriginal cultuur had meegekregen. Theme Park kan gezien worden als een omvangrijke poging om dergelijke stereotypen aan de kaak te stellen, en het ‘dehumaniseringsproces’ van de Aboriginal uit te dagen.

Het kleine museum wordt geheel in beslag genomen door Brook Andrew’s Theme Park. Voor de kunstenaar was het noodzakelijk dat hij het museum kon overnemen en aanpassen naar zijn believen, zo verklaart hij in de introductiefilm die het publiek op de begane grond van het museum kan bekijken. Bij binnenkomst wordt de bezoeker overdonderd door twee gigantische, met zwart-witte motieven beschilderde opblaasfiguren in de hal. De figuren zijn overduidelijk clownesk en versterken het idee dat je in een pretpark bent beland. De enorme staande clown heeft maar liefst vier benen en een gezicht dat sterk doet denken aan een blackface, een van de bekendste racistische stereotypen van Amerikaanse origine. De andere clown oogt alsof hij zijn dronken roes ligt uit te slapen. Het wordt al snel duidelijk dat dit geen traditionele expositie wordt van ‘primitieve’ kunstobjecten – eventueel getoond in samenspraak met hedendaagse kunstwerken- waarbij de museumbezoeker een paar uur geïnteresseerd knikkend kan kijken naar vlijtige houtsnijwerkjes. Brook Andrew lijkt erop uit om de bezoeker te overrompelen en zich daarbij ook af en toe flink ongemakkelijk te laten voelen, en slaagt daar zeker in.

Kleuren spelen een belangrijke rol in de tentoonstelling: het geel, rood en groen van de Aboriginal-vlag wordt afgewisseld met het rood, wit en blauw uit de vlaggen van de voormalige kolonisten. Voor Theme Park keek Brook Andrew naar traditionele objecten, motieven en afbeelding van en over Aboriginals en vertaalde ze naar iets wat onnatuurlijk, grotesk en ‘freaky’ is.
Lost (2008) is een van de meest geslaagde installaties van de tentoonstelling. Handgemaakte houten objecten staan opgesteld op een tafel die doet denken aan het dak van een circustent, met rode, witte en blauwe banen. Alle beelden staan naar het midden van de tafel gericht, waar een verborgen muziekspeler nummers van Jimmy Little, een van oorsprong Aboriginal crooner die grote populariteit genoot in de jaren ’50 en ’60, laat klinken. De door Aboriginals vervaardigde beelden zijn uit hen culturele en sociale context gehaald, en lijken zo niet meer dan een verzameling souvenirs, gemaakt en gekocht om de illusie van een oorspronkelijke ervaring over te brengen.
Andrews eigen, metershoge zeefdrukken The Island I/VI (2008) zijn gebaseerd op sci-fi achtige afbeeldingen uit het encyclopedische Australia in 142 Photographic Images (1862) van de Australiër Wilhelm von Blandowski. De beelden van wild ronddansende Aboriginals en honden die een reuzenkangoeroe aanvallen zijn in opgeblazen formaat confronterend en ridicuul.

Terecht stelt de curator in het voorwoord van de bijbehorende tentoonstellingcatalogus dat de Australische Aboriginal meer dan de Noord-Amerikaanse Indiaan of de Afrikaan tot de verbeelding van vele Europeanen spreekt, voornamelijk vanwege het ontbreken van een significante historisch-politieke band met het continent Australië. Vandaar dat de Australische Aboriginal nog lange tijd werd afgeschilderd als een nobele, ongevaarlijke en simpele wilde. En daarmee komen we bij die belangrijke vraag: de vraag hoe men tegen Aboriginals aankeek. Andrew stelt hem, en laat de kijker vervolgens niet alleen in het formuleren van het antwoord, maar geeft die duidelijk weg in zijn tentoonstelling. Het racisme straalt onmiskenbaar af van een object als de bakelieten radio, gevormd als het hoofd van een Aboriginal man, met roodgloeiende ogen (Radiohead, 2007), of van de vele foto- en prentenboeken en kitscherige objecten die de Aboriginal vrijwel zonder uitzondering afschilderen als een wilde; een gemoedelijke, ongevaarlijke wilde, maar desalniettemin een wilde. Ansichtkaarten, als nette collages ingelijst, tonen Aboriginal families die als gedomesticeerde dieren in mensenkleding poseren, met grimmige gezichtsuitdrukkingen. De blanken staan erbij alsof ze de vangst van hun leven hebben gedaan. Ronduit schokkend is een foto uit het begin van de twintigste eeuw waarop een groep Aboriginal mannen knielen voor een foto. Op hun lichamen is de Union Jack van de Britse vlag geschilderd, als een brandmerk, alsof er letterlijk bezit van hen is genomen.

Wat opvalt aan Theme Park is dat de tentoongestelde ‘primitieve’ objecten geen rol van betekenis lijken te spelen. De paar objecten die er zijn worden tentoongesteld met minimale informatie, zodat weinig tot niets duidelijk is over de oorsprong of de maker van het object. Ze zijn hier slechts decor. Dit contrasteert sterk met de museumgalerie van het AAMU, die hedendaagse Aboriginal kunst verkoopt en de koper daarbij voorziet van zeer uitgebreide informatie over de maker (compleet met pasfoto) en betekenis van het werk. Hier wordt de Aboriginal, ditmaal in de rol van kunstenaar, volledig uit de anonimiteit getrokken en duidelijk in het voetlicht geplaatst. Dit lijkt uiteindelijk de enige ruimte in het AAMU waar geen slachtoffers te vinden zijn.

Theme Park is nog tot 13 april 2009 te zien in het Aboriginal Art Museum.

AAMU
Oudegracht 176
3511 NP Utrecht
030 − 238 01 00
Dinsdag t/m vrijdag geopend van 10:00-17:00

Over de auteur

Miriam van Ommeren (1978) is mede-oprichter en hoofdredacteur van De Optimist. Ze schrijft, bij voorkeur over kunst en literatuur, redigeert, maakt programma's en houdt van interviewen. Ze werkt voor Incubate Festival als manager Beleid & Financiering.

Lees meer van

Goeie jongens, heus!

Door Miriam van Ommeren

Ik wilde al een tijdje kennismaken met het duo Miktor en Molf, maar het was mij onduidelijk hoe ik dit kon realiseren. Er hing een aura van geheimzinnigheid om hen heen. Ze noemden zichzelf ‘communicatiegoochelaars’ en ‘artistes extraordinaire’, maar wie -en vooral wat- waren ze nou eigenlijk? Waren het autonome kunstenaars of commerciële creatievelingen?  En […]

Lees meer uit de categorie Essay

Hitler was een Oostenrijker

Door Maarten van Riel

Door Fleur de Weerd en Maarten van Riel Beeld: Danibal Volgens een recente studie in opdracht van het Comité 4&5 mei heeft negentig procent van de Nederlanders zich verzoend met ‘de Duitsers’. Precies zeventig jaar na de destructieve wereldoorlog lijken de meeste wonden dus geheeld. Maar, zo rijst de vraag, waarom moesten we ons eigenlijk […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper