Kort verhaal

Vergeet alles wat je dacht te weten

Door Harm Haverman | beeld: Jaron Beekes
1 december 2008

Hier loop ik, nummer 13, met mijn hoofd tegen de vroege, snijdende oktoberwind en een zware rugzak die aan mijn schouders trekt. Een nog zwaardere lading spijt en herinneringen trekt mijn rug krom en maakt dat mijn enkels bij elke stap zwikken in mijn laarzen. Maar ik vertel mezelf dat ik hard ben, keihard. Hier loop ik, 13 noemen ze mij. De eerste dag tatoeëerden ze het nummer op mijn hand, opdat ik het nooit vergeten zou. Hier loopt nummer 13 onverdroten voort met de vaal vieze lucht van een opgever om hem heen, de opgever voor wie er geen verschil meer is tussen doorgaan of stilstaan, want een verschil maken doet niets meer op dit punt. Zoals een tak die afbreekt boven de rivier en wordt meegevoerd door het water, zonder zelf te kiezen waarheen of waarom, zo marcheer ik. Ik ben een blok aan het been van dit peloton en zij weten dat ook: zij hebben mij zien sterven en ze walgen ervan. Hier marcheer ik, 13, als soldaat in het leger der nieuw geboren hopelozen, en vervloek met elke nieuwe stap de zon, de maan en, hoe klein ze ook is, mijn wereld. De soldaat rechts van mij vroeg me gisteren of ik dan soms vond dat ik iets beters verdiend heb, en ik kon niets anders doen dan met ingehouden adem de verte in staren. Ik kan niet denken maar toch denk ik dat ik gek word. Ik kijk naar de lucht en de hemel daalt op me neer en slokt me op. Alles is blauw nu. Mijn marcheren is nauwelijks nog marcheren, het verzandt tot een slenteren, een beschamend zwalken. Hier loopt de dronken soldaat, komt allen kijken!’13! Terug in het gelid vuile lafaard! Mannen! Neerwaarts mars! De ondergang ligt onder ons en niet voor of achter ons dus houd je blik op beneden gericht! Gedraag je als een man! Ten onder! Kijk naar soldaat 13, die stinkende rat, om te zien hoe je lang kan lijden alvorens aan je eind te komen! Naar benee! Naar benee!’

Zo marcheer ik hier onder de dwang van een bajonet in mijn rug terwijl hysterie aan mijn adem trekt en haar vervormt tot een mismaakt gekreun, elke keer dat een nieuw spook van vroeger zich aandient. Ik ben een forens op weg naar hel, dag na dag, gekruisigd voor de misdaden van niet meer dan hooguit een handjevol. Ik kan mij niet herinneren mij hiervoor te hebben opgegeven. Ik had niet kunnen weten dat dit het gevolg zou zijn. Ik heb nooit ergens om gevraagd, alleen iets in de schoot geworpen gekregen. Had men mij een keuze gegeven, dan verkoos ik een auto ongeluk, of nee, beter nog, een schipbreuk. Dan stond ik op dek met mijn knokkels wit om de reling, mijn rug recht en schouders naar achteren en staarde de golven recht in de ogen met om mij heen de honderden mannen, vrouwen en kinderen aan boord, allen schreeuwend in een blinde paniek om deze grote onrechtvaardigheid. ‘Oh God! Niet ik! Niet nu!’ Dan keek ik toe hoe de ratten in lange stromen het schip verlieten en de eer aan zichzelf hielden. Dan zag ik hoe mannen in uniform orders de lucht in slingerden op het ritme van de ratelende kettingen waaraan reddingsloepen mank en vervormd te water gelaten werden, om vervolgens met knikkende knieën en een natte vlek in hun kruis de sloepen achterna te springen. Buigend staal, brekende kabels en uit elkaar spattend glas maakte deze glorieuze symfonie compleet terwijl kortsluiting en uitslaande vlammen de belichting verzorgden. Dan voelde ik hoe het water mijn schoenen binnen liep, hoe het trok aan de pijpen van mijn broek, hoe het mij tot op het bot doorweekte. Terwijl het schip ten onder ging en het water verder steeg, voelde ik het water als de troostende armen van een goede vriend die mijn schouders omvatten; als de zachte en zoute lippen van een jonge liefde, na een vrijpartij waarin alles is vergeten en vergeven, op mijn lippen. En als laatste wierp het water een zware en donzige deken over mij heen terwijl ik de reling liet gaan en mij weg gaf aan de grote oceaan en de enige slaap die rust geeft sliep. Tot in de eeuwigheid zou ik zweven en rond drijven en dit alles zou gedaan zijn. Geen last meer op mijn rug, geen bajonet meer in mijn rug, nooit meer zonder einde voort marcheren door deze straten. Maar ik speel de kaarten die ik gedeeld krijg op advies van mijn vader, dus ik zeg nog een keer tegen mezelf dat ik mijn kin omlaag moet houden en niet voor- of achterom moet kijken. Geen golven maken. Slapende honden laten slapen, 13.

‘Het is een tijd van oorlog, 13! Oprotten met je warrige praatjes over zweven in boten! Jij bent een gevaar voor je peloton! Jij hebt een taak en die taak komt eerst! Naar benee! Naar benee! We gaan allemaal ten onder!’ ‘En je hebt het aan jezelf te danken, 13! Jij hebt je kans gehad, je kreeg jouw tijd in de zon en je hebt het allemaal verkwanseld. Je hebt jezelf de leeuwenkuil in geworpen, overgeleverd aan de genade van deze halve gekken!’ Een van de mannen in het peloton grijpt zijn kans, ik voel de kolf van een geweer tegen mijn achterhoofd. Ze hebben gelijk, ik heb dit inderdaad aan mijzelf te danken. Mijn benen vallen onder me weg en ik zit op mijn knieën, laat mijn hoofd zakken en draai me niet om om te zien van wie de klap afkomstig is. Meteen krijg ik weer een klap. Een hand sterker dan de mijne grijpt me bij mijn keel en knijpt hem dicht, een tweede hand sluit zich om mijn hart en knijpt. Mijn bloed stroomt tegen de richting in door mijn aderen. Een derde hand vormt een vuist en stompt me in mijn maag. Een vierde op mijn mond. Een regen van vuistslagen op mijn gezicht, maar in mijn hoofd blijft het stil. Ik rol me op tot een bal. Meer geweerkolven dalen op me neer. De lucht wordt uit mijn longen gezogen, ik stijg op uit mijn lijf en zie mijn lippen blauw worden terwijl elke cel in mijn lijf schreeuwt om zuurstof. Van boven neerkijkend zie ik de tegels van het trottoir openen en mijn lichaam opslokken in het zwarte water van een nachtelijke Atlantische Oceaan.

Mijn lichaam tuimelt en buitelt, dimensies worden geschrapt uit de kaders van deze wereld. ‘Ik krijg wat ik wil’ is mijn laatste gedachte. ‘Het water neemt mij tot zich, eindelijk slaap voor altijd.’ Mijn lijf vecht tegen de zee en ademt mijn longen vol water, maar verdrinken doet het niet. Dit is geen slaap maar een ontsnapping! Ik ben de toekomst! Krankzinnig van geluk zal ik neerdalen naar de zeebodem, waar ik onderdak vind in een walvisgeraamte en mezelf in leven houd met het verzamelen van kelp en schelpen. Ik zal escargots kweken en haring uit het water plukken, kreeft eten wanneer ik wil. Ik ben alleen op de laatste plek op aarde waar iemand me ooit zal komen zoeken. Tijd zal voort kabbelen zonder dagen of nachten, zonder bezoek of brieven van verre vrienden. De zee is alles wat ik nodig heb en met haar voer ik oneindige gesprekken. Hier is niks, hier ben ik niks, hier voel ik niks, hier denk ik niks, hier besta ik. Er zullen dagen zijn dat ik omhoog kijk naar de oppervlakte van de oceaan en door de golven heen de zon zie. Op die dagen speur ik naar een gevoel van heimwee of nostalgie maar zonder resultaat, ik ben de zee en de zee is mij en ik woon in haar armen. Een leven lang leef ik hier in perfecte staat van vrede, tot een klap van een geweerkolf tegen mijn voorhoofd mij terugroept naar het hier en nu. Aan mijn haren word ik naar boven getrokken en vervolgens terug op het trottoir geworpen. Dit is het einde, of in ieder geval het einde nabij, mocht een einde echt bestaan. Zonder dat iemand een woord zegt trek ik mijn jas dichter om me heen terwijl ik weet dat het de wind niet buiten zal houden. Ik slinger mijn rugzak weer om mijn schouders en zet beschaamd mijn ene voet voor de andere. ‘Lafaard’. Er komt geen redding, nooit, voor niemand van ons.

Lees meer van

De straatlantaarn

Door Harm Haverman

Hij woonde op de tweede verdieping en een halve vierde. Zijn slaapkamer was op die vierde. De trap daar naartoe was de langste die ik ooit had gezien. Twee etages recht omhoog. Ik vroeg hem of hij me naar boven ging dragen. Hier moest hij om lachen. Ik had nog nooit een woning gezien die […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Afspraakje

Door Frank Heinen

Jean trekt een gezicht naar de spiegel. Op zijn uiterlijk valt niet echt iets aan te merken. Niet dat hij zichzelf als wild aantrekkelijk zou omschrijven, dat niet, maar hoe noemen ze dat? Hij mag er zijn. Grote onvolkomenheden ontdekt hij niet in zijn spiegelbeeld. Nu ja, misschien zijn ogen. Die zijn aan de doffe […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper