Essay

Papa Soprano

Door Henk van Straten
19 april 2009

Beeld: (c) Het Internet

The Sopranos: mocht u deze langlopende HBO-serie over een rijk en modern, doch disfunctioneel Italiaans-Amerikaans gezin niet kennen, dan heeft u waarschijnlijk de afgelopen negen jaar in een Belgische kelder opgesloten gezeten. Of u houdt gewoon niet van goede televisie, dat kan ook. Whatever floats your boat, zou ik willen zeggen.
Een normaal gezin kun je de familie Soprano moeilijk noemen. Dat komt voornamelijk omdat vader Tony, een briesende zilverrug gorilla van een man, aan het hoofd staat van de Cosa Nostra in New Jersey.
Cosa Nostra, vrij naar het Engels vertaald als our thing, is een fenomeen dat wij hier in Nederland kennen als simpelweg ‘de maffia’. In alle aannemelijkheid weet u dan wel waar ik het ongeveer over heb – u heeft tenslotte The Godfather gezien.

Maar wat u misschien nog niet wist, is waar die term vandaan komt. Maffia komt van ‘maffioso’, een woord dat teruggaat naar het Sicilië van halverwege de negentiende eeuw, en dat in eerste instantie nog helemaal niets met georganiseerde misdaad te maken had. Georganiseerde misdaad bestond toen nog niet, althans niet in de extreem potente vorm die het later die eeuw zou krijgen.
Met een maffioso werd een heetbloedig type Siciliaan bedoeld. Voor deze (per definitie mannelijke) eilandbewoner stonden trots, eer, nobelheid en familie hoog op de boodschappenlijst van het bestaan. Kortom, als we onszelf enige taalkundige en sociaal-culturele vrijheid permitteren, kunnen we de term maffioso vrij eenvoudig vervangen door ‘macho’. Wellicht kijkt u helemaal niet op van dit terminologische sprongetje, wederom vanwege The Godfather, en de andere talrijke maffiafilms die u gedurende uw leven heeft gezien.

Deze machistische haantjes op het Sicilië van toen werden de ‘wise guys’ in het  Amerika van later. This thing of ours, zo noemden deze laatste hun nieuwe wereldvariant van de Cosa Nostra. Maar ook binnen de moderne maffia gelden waarden als trots en eer nog als de belangrijkste fundamenten van de crime family. Dat valt bijvoorbeeld op te maken uit de harde en disciplinaire regels die er gelden. Zo staat op verraad onherroepelijk de doodstraf. Handelingen die getuigen van zwakte (huilen, beffen, tijdens een ruzie toegeven dat je fout zit) kunnen je positie – en als consequentie daarvan je leven – ernstig in gevaar brengen. Een kwetsende opmerking over iemands moeder of kinderen staat gelijk aan een directe sollicitatie naar (in het gunstigste geval) een gezonde portie tikken tegen je harses en handgemaakte lakschoenen in je ribben.
In deze testosterondoordrenkte traditie staat ook Tony Soprano, mijn held…
Inderdaad, mijn held. Maar waarom? Tony is een opportunistisch, hypocriet, sadistisch en gewetenloos zwijn. Een gewetenloos crimineel die zijn geld verdient met afpersingen en omkopingen. De eerder genoemde normen en waarden, geërfd van zijn voorouders op het oude Sicilië, zijn voor hem alleen nog maar instrumenten in de morele goocheldoos waarmee hij schaamteloos zijn gruwelijke geweldsmisdrijven en diefstal kan rechtvaardigen. In ieder geval zijn het geenszins meer de overtuigingen die volgens de authentieke maffiosi blijk moeten geven van een nobele en eervolle levenswijze.

Tony is een moordenaar. Een schizofrene werkgever. Een schuinsmarcheerder die diep van binnen misschien wel een dilemma ziet in het kussen van zijn vrouw na een jong grietje te hebben geneukt, maar dat zonder enige moeite diep weg kan stoppen. De koning van de cognitieve dissonantie.
Maar boven alles is Tony Soprano een slechte vader. Van zijn zoon Anthony verwacht hij dat die groot en sterk wordt, net als zijn vader. Dat hij niet huilt. Niet wegloopt voor ruzie. Opgroeit als heteroseksueel.
Tony is een imposante, intimiderende vader. Een vader die nooit thuis is. Een vader waar je nooit van kunt winnen. Een vader waar je bang voor bent. En toch overvalt het me iedere keer dat ik een aflevering kijk weer opnieuw; een gevoel dat diep in mijn buik begint en zich dan langzaam naar m’n ledenmaten uitbreid als een elektrisch verlangen. Hier komt het: ik wil dat Tony Soprano mijn vader is.

Mijn eigen vader, van wie ik zielsveel houd en aan wie ik ontzettend veel te danken heb, is alles wat Tony niet is. Hij is begripvol, aandachtig, onbevooroordeeld, cultureel eclectisch onderlegd, geduldig en onvoorwaardelijk liefdevol. Rationeel bekeken, verkies ik mijn eigen vader dan ook zonder enige twijfel boven Tony.
Maar mijn onderbuik zegt soms iets anders. Mijn vader heeft me nooit leren slaan. Hij heeft me nooit voorbereid op die eerste aanvaring met het tuig uit de wijk ‘voorbij die ene straat’. Hij heeft me nooit verteld over het bestaan van jongens die zonder reden geweld gebruiken, jongens die er louter op uit zijn lichamelijk te vernederen en kleineren, jongens die zich niets aanrekken van brave jongetjesargumentatie (‘Maar ik kéék je helemaal niet aan!’). Mijn vader heeft me daar nooit over verteld omdat hij tijdens zijn eigen beschermde, liberale jeugd eigenlijk amper rekening heeft hoeven houden met de sadistische uitwassen van het proletariaat en hun ‘fysieke’ omgangsnormen. Voor hem bestond het niet. Hij had uiteraard wel eens ruzie, maar dat was altijd om een reden. Het was nooit willekeurig en gebeurde nooit op gewelddadige wijze.

Als stadsjongen heb ik het fenomeen zinloos geweld zelf moeten ondervinden, en ik heb mezelf over een tijd van jaren aangepast en gehard. Ik ging boksen en oefende mijn ‘met mij moet je niet fucken’ blik.
Een jaar of twintig was ik, toen ik weer eens lukraak door een groepje gefrustreerde scooterrijders werd lastiggevallen. Na de eerste klap deed ik niks. Bij de tweede sloeg ik terug. Hard en steeds opnieuw, net zo lang tot de jongen in kwestie op de stenen lag en niet meer bewoog. Het voelde goed, heel goed. Blijkbaar had het me ontzettend hoog gezeten en kwam alles er nu in een keer uit. Maar tegelijkertijd zetelde deze explosieve woede donker, zwaar en diep in mijn gemoedstoestand.
Toen mijn vader destijds over het incident te horen kreeg, moest hij huilen. Zo erg  vond hij het voor me. Hij vond het erg dat ik tot deze daad gedreven was. Hij vond het erg dat hij niets voor me kon doen, dat mijn wereld blijkbaar dus zo hard was en dat hij die wereld niet kende.
Maar het waren precies zijn tranen waar ik op dat moment geen behoefte aan had. Ik was boos, ook op hem. Ik wilde een sterke vader. Een vader die wist hoe deze dingen in zijn werk gingen en hoe ze aan te pakken. Een vader met dikke armen, een brede rug en trefzekere ogen waarin een wraakzuchtige bliksemschicht flitst bij het minste gerucht over enig onrecht dat zijn zoon mogelijk is aangedaan.

Ik wilde Tony Soprano. Ik wilde een maffiosi. En soms wil ik dat ook nu nog.

Lees meer van

De weg naar John Fante

Door Henk van Straten

Illustraties: Willem Jansen Tussenstops: Punk, Tupac Shakur, Australië, Charles Bukowski en beer shits.   Eigenlijk moet ik beginnen bij Charles Bukowski. U moet begrijpen, voordat m’n moeder me op m’n negentiende een dichtbundel van deze man kado deed, las ik niet veel meer dan muziekbladen. En dan niet eens de bevlogen, zelfgemaakte en politiekcorrecte bladen […]

Lees meer uit de categorie Essay

Carpaccio van courgette

Door Henk van Straten

Beeld: Willem Jansen In november las ik Eating Animals van Jonathan Safran Foer. Halverwege het boek besloot ik dat ik vegetariër zou worden, maar bleef nog wel gewoon vlees eten. Na de jaarwisseling, besloot ik, vanaf dan zou ik geen vlees meer eten. Ik vond dat een mooi voornemen. Het kiezen van een datum in […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper