Digitaal cultureel magazine | maart 2010
34

Aangespoelde Lijken.

weekend lippen om te delen, elke dag een andere naam om te vergeten. Terug in mijn kamer kan ik je nog ruiken. De geur is zoet, maar niet het soort zoet van overwinning of wraak. En in dat zoet sluimeren de sigaretten die je al gerookt had nog voordat je langs kwam. We hebben vooral weer even gepraat. Zoals we altijd doen.
Ik wil je een bericht sturen: ‘Als ik niet steeds verliefd zou worden op blonde hoeren, dan werd ik het op jou.’
Ik doe het niet, schrijf dat ik je prachtig vind en druk op Stuur. Precies vaag genoeg. Je zal niks terugsturen, denken dat ik eigenlijk maar een idioot ben. Ik kan ermee leven.
De stoel wankelt op een poot en ik sta op mijn tenen. Je fluistert in mijn oor dat ik het fijn vind op de rand. De enige plek waar ik geen last heb van hoogtevrees. Ik ga op een been staan en hoop stiekem dat de aflandige wind me weg zal blazen, de zee in. Golven zullen over me heen duikelen en ik word verzwolgen door het schuim en het water – water dat leven brengt – en ik hap naar adem.
Ik val net zo diep als het touw lang is. De stroming trekt het water terug en ik kan er met mijn voeten niet meer bij. Ik voel nog net een spetter. Ik moet bij de rand wegblijven. Er zijn er al vele voor mij verdronken en hun aangespoelde lijken liggen te rotten op de kust.
Maden doen zich te goed aan je waardigheid, gieren pikken het laatste stukje zedigheid weg, water verdrinkt je ziel.
Je roomblanke huid gaat op in je vensterbank. Ik heb mijn koffie al op, jij drinkt liever lauw. De flauwe avondzon scherpt de omtrek van je gelaat tegen de hemel die een paar uur geleden nog blauw was en zich nu langzaam vult om straks leeg te lopen.

Je lippen vormen zich rond een sigaret en rook sijpelt langzaam weg. Een zachte wind laat je krullen op en neer bewegen. Je staart voor je uit, over de

3 / 4
«»