Interview Poëzie

U bent de meerderheid

Door Anneke Claus
17 augustus 2009

De negentiende-eeuwse Fransman Charles Baudelaire is wereldberoemd om zijn poëzie, maar zijn Oeuvres Complètes zijn slechts voor de helft gevuld met verzen. Wat staat er zoal in die andere helft? Groninger stadsdichter en performer Anneke Claus schreef de monoloog ‘U bent de meerderheid’, die een heel andere kant van het werk van de grote dichter belicht.
De tekst is een aaneenschakeling van bijna letterlijk vertaalde fragmenten uit de essays, brieven en dagboeken van Charles Baudelaire, gecombineerd met frasen waarbij Claus haar fantasie de vrije loop heeft gelaten. Het geeft een goed beeld van Baudelaire’s gespleten karakter; hoe hij als schrijver midden in zijn tijd stond, en tegelijk altijd het gevoel had er niet aan deel te nemen. ‘Hooghartig, breedsprakig en inconsequent, maar niet zelden ook op het scherpst van de snede,’ aldus Claus. De schrijfster interviewt zichzelf voor De Optimist.

Baudelaire, was dat niet die van De Bloemen van het Kwaad?
Jazeker. Zwartromantische verzen, ook wel decadent, uit het Fin de Siècle, de tweede helft van de negentiende eeuw. Wereldwijd verspreid, vertaald, gelezen en bewonderd, al is daarmee niet gezegd dat het ook meteen de meest toegankelijke poëzie is. Gelukkig zijn er uitstekende Nederlandse vertalingen beschikbaar, onder andere van Petrus Hoosemans en Menno Wigman.
Maar wat maar weinig mensen weten is dat Baudelaire ook zelfbenoemd kunstcriticus was en een obsessief waarnemer van zijn tijd. Zo bracht hij niet alleen tot drie maal toe minutieus verslag uit van de Salon, een omvangrijke jaarlijkse expositie voor de schilderkunst van het moment, maar schreef hij ook talloze stukken over tijdgenoten als Gustave Flaubert, Théophile Gautier, Edgar Allen Poe en Richard Wagner. Het interessantst zijn die wanneer hij de beschrijving en analyse van het werk in kwestie overstijgt en iets over kunst in het algemeen probeert te zeggen, over de positie van de kunstenaar, over het tijdsgewricht.

Wat voor tijdsgewricht precies?
Baudelaire was van 1821, een kind van na de Revolutie. De geest van verbetering en vernieuwing waarde nog driftig door Frankrijk rond. Het was ook de tijd van de industrialisatie, de verstedelijking en het opkomend nationalisme. Een tijd van grote veranderingen, die mensen vervulde met de hoop op vooruitgang enerzijds en grote angst voor de onzekere toekomst anderzijds. God en de koning waren nog niet dood of de communisten stonden al voor de deur; in die orde van snelheid moet je denken. In combinatie met het naderende einde van de 19de eeuw kwamen daar allerlei doemgedachten uit voort; apocalyptische visioenen, waar Baudelaire ook een patent op had.

Dus ondanks dat vermogen tot overstijgen toch een kind van zijn tijd.
Uiteraard! Al zou hij zelf niet blij zijn met dat etiket. Baudelaire zag de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen van de dag bijzonder scherp, maar was alleen al wegens zijn gegoede afkomst niet onpartijdig, al beweert hij nog zo hard van wel. Ergens blijft hij in al zijn werk, dagboeken en briefwisselingen inclusief, een rijkeluiszoon, een boos kind dat stampvoetend zijn gelijk wil krijgen, zelfs tegen het eind van zijn leven, als de syffilis hem al in zijn greep heeft en hij met grote regelmaat de hoofdstad verlaat om een sanatorium te bezoeken of zijn schuldeisers te ontvluchten. De ene keer lijkt hij de burger een goed hart toe te dragen, de andere keer trapt hij genadeloos omlaag.
Die tweeslachtigheid is trouwens onlosmakelijk met het werk en de persoon van Charles Baudelaire verbonden. Hij is hooghartig en inconsequent, spreekt zichzelf voortdurend tegen, hinkt op twee gedachten, eist zelfs het recht op onredelijkheid, en dat alles in soms haast onverdraaglijk breedsprakige passages. Op den duur kom je er niet meer uit of het een karaktertrek van hem is of een pose die nu eenmaal naadloos aansloot bij zijn esthetica. Dat is er één van eeuwig dolen tussen Goed en Kwaad, tussen aardse en spirituele zaken, de massa of het isolement. Waarschijnlijk, en nu begin ik zelf ook, is het een beetje van alletwee; een gecultiveerde karaktertrek, spel en ernst tegelijk. Hij deed per slot van rekening zijn best om voor een dandy door te gaan, dat was vreselijk in de mode, helemaal als je persoonlijke helden Edgar Allen Poe en Théophile Gautier heetten. Maar ik geloof niet dat hij daar werkelijk in geslaagd is. Als je het mij vraagt, en dan baseer ik me voornamelijk op zijn dagboeken, was hij er lang niet libertijns en losjes genoeg voor.

***
‘U bent de meerderheid’
. Naar de essays, dagboeken, briefwisselingen en het journalistieke werk van Charles Baudelaire (1821-1867).
Tekst: Anneke Claus
. Bron: Baudelaire: Oeuvres Completes, Editions Robert Lafont (1980)

“Rechten, rechten en nog eens rechten. Iedereen heeft het steeds maar over rechten. Over wat je mag, om precies te zijn. Als burger. Als rechtgeaard Fransman. Als inwoner van de Re-pu-bliek.
Mensenrechten dus. Maar, mijne heren – bij de dames kom ik later terug – in al die agenda’s, in al die nobele opsommingen van Vrijheid en Broederschap en Patati en Patata wordt er steeds één kapitaal belang over het hoofd gezien, een onvervreemdbaar recht, waar ie-der-een belang bij heeft, waar je als het moest de Bastille opnieuw zou bestormen, nietwaar, ik heb het natuurlijk over het recht, voor kunstenaars is het trouwens haast een plicht, maar dat terzijde, het recht mijne heren, sorry dames, het recht om zichzelf overal en te allen tijde tegen te spreken.

Baudelaire, Charles. Aanvankelijk zonder eind-E. Baudelaire bedoel ik. Op R. Air. Geboren 1821 te Parijs, vandaag op de kop af eenendertig jaar geleden. U brengt mij in grote verlegenheid, beste Watripon; wat bedoelt u precies met Biografische Noten? Moet daar soms in staan dat ik opgroeide tussen Lodewijk de Zestiende-meubilair, omringd door consuls en pasteltekeningen. Dat ik een bleek en somber ventje was dat op het Collège de Lyon met zijn leraren op de vuist ging. Dat ik van kinds af aan een zwak had voor beeldende kunst en mijn interesse voor de vrouwtjes al vroeg gewekt was. Dat lange tijd geen hoofdredacteur van wat voor krant dan ook van mijn stukken wilde weten – kunstkritiek wat is dat. Dat ik me altijd gelijktijdig heb beziggehouden met de filosofie en de schoonheid van poëzie en proza. Of vraagt u naar mijn werk, wilt u lijstjes zien. Wel, die balans is snel opgemaakt. Tot nog toe verschenen van mijn hand vooral losse artikelen, en hier en daar een treurig gedicht.”

(…)

“Dichters, priesters en soldaten, meer heeft de mensheid niet nodig. Geschapen, gedacht en gedood moet er altijd worden, de rest is franje. Laat al die lui die er plezier in hebben in hemelsnaam een zogenaamd beroep uitoefenen, posities bekleden, de hele tralala. De zweep erover, zeg ik; uitbuiten die handel. Het hele  verlangen om je nuttig te maken heeft iets armoedigs. Het levende bewijs is de Dandy. Een Dandy doet niets, en toch is hij stijlvol. Ooit een Dandy het volk zien toespreken, behalve dan om het te schofferen?

Aan de burger. U bent de meerderheid, in aantal en in intelligentie, dus u bent de sterkste, en met recht. De een weet dingen, de ander heeft dingen. Op een zonovergoten dag zal de wijze eigenaar worden, en de eigenaar wijze. Dan zal uw macht compleet zijn, en zal geen levende ziel zich daar tegen verzetten. In afwachting van die ultieme balans lijkt het me zinvol dat iedereen die nu alleen nog maar dingen heeft, zoveel mogelijk te weten probeert te komen, want kennis verschaft minstens zoveel vreugde als bezit. Het is terecht dat u de Republiek bestuurt, u bent immers de sterkste. Maar u moet leren schoonheid te waarderen, omdat u, ik weet dat het vreemd klinkt, op dit moment net zo min zonder macht kunt als zonder poëzie. U kunt drie dagen zonder brood leven, maar zonder poëzie nog geen minuut, en diegenen van u die het tegendeel beweren vergissen zich, zij kennen hun ware belangen niet. De aristocraten van het verstand, al die fijne Heren die u met aplomb vertelden wat goed en slecht voor u was, die zich spirituele zaken toeëigenden alsof het de oogst van afgelopen herfst was, hebben u wijsgemaakt dat u geen mening had en geen plezier mocht maken; Farizeeërs zijn het. U regeert een land waar het publiek het universum is, en u moet op die taak berekend zijn. Genieten is een kunst. Als je je vijf zintuigen goed wilt leren gebruiken, moet je met de juiste intenties beginnen, namelijk dat je het wilt en dat je er vanuit gaat dat je het nodig hebt. U heeft dus kunst nodig. Kunst is een ongelooflijk waardevol goed, een brouwsel dat verfrist en opwarmt, en het natuurlijke evenwicht van lichaam en geest herstelt. U zult er het nut van inzien, beste burger, wetgever, koopman, kantoorklerk, putjesschepper, als de klok zeven slaat en uw vermoeide hoofd naar uw borst begint te neigen, naar de oren van uw stoel die voor het haardvuur staat. Grote verlangens, weldadige dromen zullen u verkwikken na de sleur van alledag!”

(…)

“Echte beschaving heeft niets te maken met stoommachines, gas of de lopende band. Onze enige redding ligt besloten in schoonheid, hoe vluchtig ook, schoonheid die ons hoog boven de aardse smeerpijperij uittilt en verbindt met het Ideaal. Een gewone sterveling kan daar niet bij; daar heeft hij dichters voor nodig. Ik verzeker u dat ik mijn alles in het werk zal stellen om het u zo goed mogelijk uit te leggen. Maar mijn tijd raakt op, mijn beurs is leeg; ik heb de vleugels van de waanzin al langs mijn gezicht voelen strijken. Heb erbarmen met mij, Heer. Straf mij niet door mijn moeder te straffen, mijn geliefde Jeanne; zij dragen de schuld niet voor mijn zonden. Richt uw woede liever op vader en mijn broer; hen kan ik u van harte aanbevelen. Geef mij de kracht om elke dag mijn plicht te vervullen en zo een held en een heilige te worden.”

‘U bent de meerderheid’, zondag 23 augustus 2009, 22:30, Noorderzon Festival Groningen.
Entree € 4. Reserveren en voorverkoop mogelijk vanaf 17 augustus.
www.noorderzon.nl, www.annekeclaus.nl, www.soundbase.nl

Van Charles Baudelaire zijn bij Uitgeverij Voetnoot verschillende titels in Nederlandse vertaling verschenen, waaronder
De schilder van het moderne leven en drie werken over de Salons.
www.voetnoot-publishers.nl

Lees meer uit de categorie Interview Poëzie

Beeldpoëzie: Arnoud Rigter

Door Arnoud Rigter

   

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper