Essay

Zappa’s zotheid

Door Leo van der Sterren
5 oktober 2009

Frank Zappa moet zo dol als een draaideur, zo maf als de afstand tussen Abbekerkeweere en Tokyo zijn geweest. Vervuld van de heilige geest van de overwonnen ernst. Op een zeker moment zal hij zijn ziel aan de duivel van een drieste, doorgedraaide dwaasheid hebben verkocht die hem vanaf dat moment een hele poos in een ijzeren greep hield. En bezield door die gezegende zotheid zaaide hij knotsgekte. Als onkruid ontsproot de kolder rondom hem. Zappa oogstte wat hij gezaaid had. Een menigte van freaks, creepers, weirdos, jerks en morons verzamelde zich rond de door seks en stofzuigers geobsedeerde muzikale maniak zoals bijen op honing afkomen. En met de krankzinnige performances en happenings van in het bijzonder de begindagen van de Mothers of Invention, Zappa’s muzikale vehikel gedurende een tiental jaren, werden de talrijke vreemde vogels die om hem heen cirkelden, als manen rond planeten, op hun wenken bediend.

Behalve gek was Frank Zappa compromisloos. Het op een akkoordje gooien, dat zat er bij deze mannelijke en Californische uitvoering van Antigone niet in. Hoezeer hij zich ook door de spontaniteit van de gekte mee liet slepen, de man wist wat hij wilde en deed wat hij beter niet kon doen. Met wat meer inschikkelijkheid had hij zich het leven een stuk gemakkelijker kunnen maken. Maar Siciliaans koppig koos Zappa, als tegenpool van de gedweeheid, voor de weg van de meeste weerstand.

De man wiens gezichtsbegroeiing tot beeldmerk uitbotte, eigende zich de rol van nar toe. Zijn karakteristieke snor en koninklijke sik vormden zijn mombakkes. Narren doen in principe hetzelfde als clowns, maar clowns vertrekken altijd vanaf een massief fundament waaraan niet te tornen valt. Zij handelen volgens een vastomlijnd principe dat voorschrijft dat zij om eigen bestwil niet met iedereen de spot kunnen en mogen drijven. Wel met zichzelf, maar niet met de mooie vrouwen en de kinderen in hun publiek, bijvoorbeeld. Niet met hun werkgever, de directeur van het circus, bijvoorbeeld. Niet met de beulen.
Bij narren ligt dat anders. Een ware nar ontbreekt het aan een elementaire uitvalsbasis. Een nar laveert door het leven zoals een slangenmens langs de hindernissen kronkelt. Hij stelt zich veel dynamischer en flexibeler op dan een clown. Hij fluctueert. Hij adapteert zich aan veranderde situaties en constellaties zoals een kameleon dat doet. Eindeloos keert de nar normen om. Voortdurend ontmaskert en kleineert hij waarden. Schaamteloos daalt hij af in de bodemloze putten van de moraal. Clowns houden zich verre van cynisme, narren belichamen die juist. Narren ontzien niemand, ze houden iedereen voor de gek, ook de mooie vrouwen en de kinderen in hun publiek, ook hun broodheren, zelfs de scherprechters. Narren hebben niets te verliezen, zelfs zichzelf niet.
Bij Zappa als nar moest alles en iedereen het ontgelden. De Amerikaanse presidenten en hun voortbrengselen: president Johnson en diens maatschappijhervormende programma The Great Society (‘Hungry freaks, daddy’); president Reagan (de binnenhoes van ‘Broadway the hard way’).  Het racistische deel van de blanke bevolking van Amerika kreeg ervan langs in ‘Trouble every day’, met de gedenkwaardige regel ‘I’m not black but there’s a whole lots a times I wish I could say I’m not white’. Zappa vierde zijn sarcasme bot op de makke ambtenaar (‘Brown shoes don’t make it’). Op de slome, zuipende burgerij (‘America drinks and goes home’). Katholieke en Joodse bakvissen werden door het slijk gehaald (‘Catholic girls’ en ‘Jewish princess’); bezoekers van discotheken eveneens (‘Dancing fool’).
Tegendraads als hij zich opstelde, durfde hij, die aanvankelijk nauwe banden onderhield met de freaks, de protohippies uit Los Angeles, het aan om het hippiedom onder vuur te nemen. Hij fileerde het. Hij liet geen blaadje van de goed bedoelde bloemen heel en geen spaander van de country houses, mansions en movie ranches in Simi Valley, Laurel Canyon en Haight Ashbury waarin de leden van het hippe volkje al of niet communaal huisden. Begeleid door de ver dragende tamtam van de humor prikte hij in diverse nummers (‘Concentration moon’, ‘Take your clothes off when you dance’ en ‘We’re turning again’) door de weeë lieflijkheid heen van een generatie die de dingen weer mysterieus probeerde te maken. Een generatie die hunkerde naar een bestaan aan gene zijde, omdat het andere nu eenmaal altijd beter leek. Een generatie die op door geestverruimende middelen geënsceneerde golven door het leven dreef. Zappa zelf dronk nauwelijks en hij keurde drugsgebruik scherp af.
In zijn functie als nar manifesteerde Zappa zich al vroeg als een heerser over de gekkigheid – hij groeide uit tot aanvoerder van de piassen. Een nar is nooit echt gek, daarvoor is hij zich te zeer bewust van zijn eigen handelen en de beweeggronden ervan – als het goed is tenminste. Hij baat de gekte uit, op een gecontroleerde, georganiseerde wijze. En een oppernar kan zich al helemaal geen totale dwaasheid veroorloven, vooral als die leider zich tot dictator blijkt te ontpoppen. Met dat laatste verandert alles sowieso fundamenteel. Een nar die op een dergelijke manier de almacht inpalmt, is nar af; hij is in feite nooit een echte nar geweest. De Catweazle uit Hollywood veranderde in elk geval met het grootste gemak in een despoot.
Binnen de kortste keren had Zappa zich de eigenschappen van een absolute control freak aangemeten. Hij nam naar believen muzikanten aan en ontsloeg ze zonder enige moeite. Volgens Barry Miles die een biografie over Zappa publiceerde, waaraan overigens wel het een en ander op te merken valt, verbleef hij nooit in hetzelfde hotel als de overige bandleden – maar altijd in een betere entourage. Hij hield rigide repetitieschema’s aan. Hem kwam de grootste eer toe. Hij verdiende het meeste geld. In de begintijd, 1964 tot 1966, werd de schijn van de Mothers of Invention als zijnde een collectief nog opgehouden, maar later verhulde Zappa niets meer: hij en niemand anders was de leider van het ensemble. Zappa als autocraat. De transformatie had consequenties voor zijn persoonlijkheid en zijn handelingsruimte.

Voor een nar die zich aan de tirannie uitlevert, geldt dat hem ineens een fundament  onder de voeten is geschoven; dat hij een absolute waarde vertegenwoordigt en dat hij iets te verliezen heeft. Zo iemand kan niet met meer iedereen de draak steken. Zo’n nar zal om te beginnen altijd één persoon in het bijzonder sparen: zichzelf. Met die wilsdaad ontslaat een nar zichzelf officieel uit zijn functie. Hoe maf hij zich ook gedraagt, hoe zot zijn kappen er ook uitzien, zo’n paljas mag zich geen nar meer noemen. Dat is wat Zappa overkwam. ‘Frank Zappa is the leader and musical director of THE MOTHERS of Invention. His performances in person with the group are rare. His personality is so repellent that it’s best he stay away…for the sake of impressionable young minds who might not be prepared to cope with him. When he does show up he performs on the guitar. Sometimes he sings. Sometimes he talks to the audience. Sometimes there is trouble.’ Dit is één van de vele teksten op de binnenkant van de hoes van Freak out, het eerste album van The Mothers of Invention, dat in 1966 verscheen. Deze eerste samenstelling van de Mothers speelde toen ongeveer twee jaar samen. Ten tijde van die eerste elpee, nog helemaal in het begin, toen de spontane zotheid nog uit de groeven spatte (luister naar ‘Help, I’m a rock’ en ‘The Return of the Son of Monster Magnet’), toen al liet Zappa er geen misverstanden over bestaan dat hij de baas was, alle minieme concessies van zelfkritische humor ten spijt. Parallel aan de ontplooiing van Zappa’s dictatorschap kalfde de dynamiek van de algehele zotheid af om uiteindelijk te ontaarden in teksten die humoristisch bedoeld waren maar die meer en meer begonnen te stinken naar provocerend bedoelde perversie en pseudosatirische, seksistische meligheid. Teksten die terug doen verlangen naar de lyrics van vroege liedjes als ‘Call any vegetable’, ‘Let’s make the water turn black’ of ‘Oh no’. En de maatschappijkritiek van de vroege Zappa verwerd tot een willekeurig afvuren van ongeleide projectielen, vanaf een lanceerbasis die hij zelf door lacherige onoprechtheid gedemonteerd had en welke voortaan op losse schroeven stond.

Terwijl deze dingen zich gedurende enkele decennia voltrokken, werd er ook nog duchtig muziek gemaakt. En de talloze en gevarieerde muzikale excursies reikten vaak naar ijle hoogten die gepaard gingen met Zappa’s evolutie tot een virtuoos gitarist, een begenadigd bandleider en een workaholic die zelfs niet wars van fanatisme was. Toch kenmerkt Zappa’s oeuvre zich ook door onevenwichtigheid. Niet alles klinkt even fraai, interessant of verantwoord. De totaaltheatrale stukken van de late zestiger jaren bijvoorbeeld behoren in de vergetelheid, net als sommige ‘experimentele’ composities waarin Zappa Varèse of Stravinsky na-aapt. Een aantal van Zappa’s albums wekt de indruk uitsluitend als documentaire te zijn samengesteld, als akoestische reportages van een bepaald tijdsgewricht, en niet in de eerste plaats voor het luistergenot.
En sommige dingen zijn niet om aan te horen. Nummers zoals een ongetwijfeld ultraleuk bedoelde monstruositeit ‘Envelopes’ of ‘Be-Bop Tango (Of the Old Jazzmen’s Church)’ of ‘The dangerous kitchen’. De passages waarin het publiek wordt uitgenodigd om mee te doen of de lange collages van geouwehoer en geknor, gelardeerd met scheten en boeren, gaan snel vervelen. Het bij vlagen briljante ‘Lumpy gravy’ wordt erdoor verknald. Maar juweeltjes als ‘Peaches en regalia’, ‘Oh no’, ‘Dog breath, in the year of the plague’, ‘Cletus Awreetus-Awrightus’, ‘Flakes’ en ‘No not now’ maken veel goed. En enkele albums bulken van voor tot achter van kwaliteit: ‘Absolutely free’, ‘Burnt weeny sandwich’, ‘Hot rats’, ‘One size fits all’ vormen hoogvlaktes van grensverleggende en tegelijkertijd opwindende rockmuziek.
Terwijl de spontane gekte verwaterde tot een exhibitie van puberaal aandoende flauwiteiten, compenseerden de muzikale hoogstandjes het gebrek. Hoe fabelachtiger de muziek, hoe groter de aanname dat zij van belang is. Talrijke muziekliefhebbers dichten het onderwerp van hun vaak onvoorwaardelijke liefde een potentie toe die ver boven de tonen en maten uitstijgt. Muziek zou ongekende krachten bezitten; muziek zou de wereld kunnen doen veranderen. Als relativist van alle dingen behalve zijn eigen eigendunk wist Zappa dat die megalomanie volstrekt ongepast en misplaatst was. Hij besefte dat muziek geen samenlevingen overhoop kan halen en gevestigde ordes omver kan werpen. In het hele wereldgebeuren richt muziek nauwelijks iets uit. Maar van alle opsmuk van de grootheidswaan ontdaan, biedt zij aan al diegenen die er oren naar hebben een poosje verlossing.

Lees meer van

Maffe eerste maten

Door Leo van der Sterren

Rangorde in de kunst geldt als een heikel ding. Iemand die zich argeloos door het leven beweegt, zou er gemakkelijk de vingers aan kunnen branden. Alleen al vanwege het feit dat kunstwerken zowel in hoedanigheid als in kwantiteit de grootste verschillen vertonen, mist een hiërarchie per definitie een objectief fundament. En dan komt het fenomeen […]

Lees meer uit de categorie Essay

Die Andere Seite des Mondes; Lady Gaga avant la lettre

Door Mahlee Plekker

Donker, kort haar. Donkerrode lippenstift, sterk aangezette wenkbrauwen en zwart omrande ogen. Moderne jurk. Zo moeten de vrouwen in de kunstkringen van de jaren ’20 en ’30 er uit gezien hebben. De tentoonstelling Die Andere Seite des Mondes van de Kunstsammlung NRW in K20 Düsseldorf, richt zich op deze vrouwen; pioniers van de avant-garde. Centraal […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper