Bart Wijsman (1987) schrijft poëzie en proza. In 2006 nam Remco Campert een gedicht van hem op in zijn Volkskrantcolumn ‘CaMu’. Na vier jaar mediastilte is er nu eindelijk nieuw werk, en Bart heeft niet stilgezeten.
Ook van Bart Wijsman
Achter het behang.
door Bart Wijsman
Tekst: Bart Wijsman
Meijer zat zwijgend op de houten stoel en kneep zijn ogen halfdicht. Het was stil in de leeggehaalde kamer, op het monotone getik van een grote wandklok na. Het protserige uurwerk was waarschijnlijk te zwaar gebleken om mee te nemen. Of te lelijk, al was dat een mogelijkheid die niet opkwam in de stroeve geest van Meijer. De klok was al vijf generaties in de familie en moest daarom wel enige schoonheid bezitten. Hardnekkigheid viel wat hem betreft ten alle tijden te verkiezen boven de waan van de dag.
De mok in zijn handen was beschadigd. De koffie was al tijden koud.
Voorzichtig plooide Meijer zijn lippen rond de scherpe rand en nam een zuinig slokje, slurpend alsof hij toch bang was zijn mond te branden. Zijn afstotelijkheid was nauwelijks aan te wijzen, maar onontkoombaar helder voor die paar mensen die hadden geprobeerd te wennen aan zijn aanblik.
Op de mok stond een versleten plaatje van een grijze olifant. Hij had guitige blauwe ogen en klemde een rode ballon aan een touwtje tussen zijn slurf. De mok was van zijn vrouw geweest, een van de cadeautjes uit de tijd dat Meijer nog regelmatig cadeautjes voor haar kocht. Hij was het op een rommelmarkt tegengekomen en had het meteen aangeschaft. Echt wat voor haar, had hij gedacht.
’s Avonds, toen ze thuiskwam van haar werk, had Meijer al klaargestaan met het cadeau achter zijn rug. Nadat hij de spanning langzaam had opgevoerd tot een punt van zichtbare ergernis was de verassing eindelijk tevoorschijn gekomen. De echtgenote had de mok wat kinderachtig gevonden, maar wel lief. Veel later, toen ze hem naar Meijers hoofd smeet, had ze die nuance al lang laten varen. En nu was ze weg. Zoals ze al vaak had gewenst. Meijer zuchtte en ging verzitten. De oude stoel kraakte tegelijk met zijn versleten knieën, de wandklok tikte nog altijd. Even ontblootten zijn bruinige tanden zich in een glimlach, de gedachte aan zijn vrouw op een ver tropisch strand, omringd door hun voormalig gezamenlijke inboedel. Een ananas met een rietje op de bleke, uitgezakte buik, de bespataderde benen op het bijzettafeltje, en maar kankeren op de neger die zij betaalde om de televisie te bedienen.
1









