Carpaccio van courgette.
Hoe J.S. Foer van Henk van Straten een vegetariër maakte.
Tekst: Henk van Straten
Beeld: Willem Jansen
In november las ik Eating Animals van Jonathan Safran Foer. Halverwege het boek besloot ik dat ik vegetariër zou worden, maar bleef nog wel gewoon vlees eten. Na de jaarwisseling, besloot ik, vanaf dan zou ik geen vlees meer eten. Ik vond dat een mooi voornemen. Het kiezen van een datum in de toekomst klinkt logisch. Of in ieder geval herkenbaar voor rokers, drinkers en niet-sporters; zij doen het in groten getale. Maar écht logisch was het in mijn geval niet. Want als onder de redenen om vegetariër te worden de groteske en eindeloze dimensies van dierenleed te vinden zijn, wat zegt het dan over je ethische gezondheid als je gewoon nog lekker een maandje of twee vlees blijft eten?
Na de jaarwisseling dus. Ik wist waarom ik het ging doen, wat mijn beweegredenen waren, en ik was mij bewust van de feiten die eraan ten grondslag lagen. En toch bleef ik nog gewoon vlees eten die eerste dagen na mijn beslissing. Tot en met oud & nieuw, was mijn voornemen. Hoe kon dat? Simpel: ik deed dat door met mijn ogen dichtgeknepen gebukt te gaan onder precies dezelfde cognitieve dissonantie die ik ongeveer de afgelopen tien jaar op mijn schouders heb voelen drukken. Iedere keer als ik 300 gr. kipfilet in mijn karretje flikkerde. Iedere keer als ik met Oost-Indisch dove oren gruwelijke berichten opving over de bio-industrie. Iedere keer als ik met mijn zoontje de varkens en koeien van de kinderboerderij ging aaien en ik die dieren in hun ogen staarde. Zelfs iedere keer als mijn hond, op haar rug gekeerd, mij mak en lam en met open bek lag aan te staren vanuit haar mand.
Die spanning was er. Soms heel ver weg, heel diep, misschien soms zelfs te zwak om opgemerkt te worden. Maar hij was er altijd.





