Essay

Carpaccio van courgette

Door Henk van Straten
11 januari 2010

Beeld: Willem Jansen

In november las ik Eating Animals van Jonathan Safran Foer. Halverwege het boek besloot ik dat ik vegetariër zou worden, maar bleef nog wel gewoon vlees eten. Na de jaarwisseling, besloot ik, vanaf dan zou ik geen vlees meer eten. Ik vond dat een mooi voornemen. Het kiezen van een datum in de toekomst klinkt logisch. Of in ieder geval herkenbaar voor rokers, drinkers en niet-sporters; zij doen het in groten getale. Maar écht logisch was het in mijn geval niet. Want als onder de redenen om vegetariër te worden de groteske en eindeloze dimensies van dierenleed te vinden zijn, wat zegt het dan over je ethische gezondheid als je gewoon nog lekker een maandje of twee vlees blijft eten?
Na de jaarwisseling dus. Ik wist waarom ik het ging doen, wat mijn beweegredenen waren, en ik was mij bewust van de feiten die eraan ten grondslag lagen. En toch bleef ik nog gewoon vlees eten die eerste dagen na mijn beslissing. Tot en met oud & nieuw, was mijn voornemen. Hoe kon dat? Simpel: ik deed dat door met mijn ogen dichtgeknepen gebukt te gaan onder precies dezelfde cognitieve dissonantie die ik ongeveer de afgelopen tien jaar op mijn schouders heb voelen drukken. Iedere keer als ik 300 gr. kipfilet in mijn karretje flikkerde. Iedere keer als ik met Oost-Indisch dove oren gruwelijke berichten opving over de bio-industrie. Iedere keer als ik met mijn zoontje de varkens en koeien van de kinderboerderij ging aaien en ik die dieren in hun ogen staarde. Zelfs iedere keer als mijn hond, op haar rug gekeerd, mij mak en lam en met open bek lag aan te staren vanuit haar mand.
Die spanning was er. Soms heel ver weg, heel diep, misschien soms zelfs te zwak om opgemerkt te worden. Maar hij was er altijd.

Cognitieve dissonantie: De onaangename spanning die ontstaat bij het kennis nemen van feiten of opvattingen die strijdig zijn met een eigen overtuiging of mening, of van het deelnemen aan gedrag dat strijdig is met iemands overtuiging (bron: Wikipedia).

Na de jaarwisseling. Eerst die feestdagen met familie even doorkomen zonder discussies, uitleg, gêne, en vooral zonder lastig te zijn. Eerst even mijn besluit laten bezinken. En ook omdat mijn broer chef-kok is en zijn speenvarken het water al maanden vooruit in de mond doet lopen? Waarschijnlijk ook om die reden. Mijn broer wéét hoe hij een speenvarken moet bereiden. Maar ik las verder in Eating Animals en met iedere bladzijde groeide de interne verontwaardiging: Wat doe ik? Wat heb ik al die tijd gedaan?
Waar ik ze vroeger nog naar de achtergrond kon drukken, bleven door dit boek de termen nu als neonreclames op de muren van mijn gedachten knipperen: preventieve inspuiting van antibiotica, lugubere huisvesting, onbehandelde ziektes en verwondingen, kunstmatig daglicht, kapot gefokte rassen, afgeknipte snavels, fish farms, overbevissing, hormonen, mestoverschot, injectie van water en smaakversterkers, nitraatvergiftiging, 40% meer CO2-uitstoot dan de gehele vervoersector, opzettelijke mishandeling, toegestane foutmarges in het slachtproces (waardoor dieren vaak niet dood zijn als ze uit elkaar worden gereten), vogelgriep, varkensgriep…
Het klinkt naïef, dat weet ik. Je weet toch dat het zo gaat. Ja, je weet het. Ook al ken je de exacte feiten en cijfers misschien niet, je wéét dat het zaakje stinkt. Graag verwijs ik u nogmaals naar de definitie van cognitieve dissonantie. Maar het is anders als je er een boek over leest dat je niet laat wegkijken van die feiten. Het is anders als je er een boek over leest dat geschreven is door iemand die is zoals jij, iemand waar je bovendien tegen opkijkt, iemand waar je naar wilt luisteren. Beter gezegd: iemand die je kan laten luisteren naar jezelf. De beslissing vegetariër te worden maak je niet door de feiten te kennen. De beslissing maak je door het echt durven kijken naar, en nadenken over die feiten. En dat deed ik. Met dank aan de auteur van Eating Animals.

panther

Ik had al ongelofelijk veel respect voor Jonathan Safran Foer. Zijn boeken Everything Is Illuminated en Extremely Loud and Incredibly Close zijn boeken om van te houden en om – als schrijver – jaloers op te worden.  Ik was fan van hem na E.I.U., maar ik was nog meer fan, en ontroerd, en dankbaar, na E.L.& I.C. Foer is een jonge Amerikaanse schrijver, een man die niet bang is de kaders van het schrijverschap op te rekken. En hij heeft, godzijdank, humor. Iemand zonder humor kan mij niet aan zijn zijde krijgen. Nooit. Nimmer.
Ik denk dat het feit dat ik zijn werk zo goed vind, het feit dat wij beiden schrijvers zijn en het feit dat hij ongeveer van mijn leeftijd is (ik ben 29, hij 33) allemaal verklaren waarom het juist deze man is en juist dit boek was, waardoor ik eerdergenoemde cognitieve dissonantie en zelfdeceptie voorgoed (laten we daar gemakshalve en omwille van mijn goede moed even vanuit gaan, oké?) achter me heb kunnen laten. Waardoor ik uiteindelijk toch al in november besloot geen dieren meer te eten, in plaats van pas na oud en nieuw. Na oud en nieuw was onzin geweest. Het was het resultaat van dezelfde gedachtentrucage als die ik al die jaren ook heb toegepast. Het is simpel: de beslissing moet samenvallen met het besef, de actie moet samenvallen met de beslissing. Welnu, daar was dus dit boek voor nodig.

Eating Animals is geen pamflet te noemen. Het is een persoonlijke zoektocht. Drie jaar lang deed Foer onderzoek naar zo’n beetje alle beschikbare wetenschappelijke en medische data. Hij las over ethiek en bestudeerde relevante filosofische en essayistische werken. Zo staat er ergens een ontwapende anekdote over de gedachtegang van Kafka die voor een aquarium staat, en ik glimlachte geregeld bij contemplaties als ‘Als een superieure intelligentie rechtvaardigt dat je andere rassen mag opeten, is het dan oké wanneer superieure aliens óns opeten?’

Foer praatte met biologische boeren en ging op pad met een dierenactivist. Hij sprak met ex-medewerkers van kolossale slachthuizen die uit de doeken deden hoe ook zij vervielen in afgestompt en soms zelfs sadistisch gedrag. Hij praatte met een pragmatische veganist die helpt bij de bouw van slachthuizen waar dieren op een ‘humane’ wijze worden afgemaakt, speciaal voor boeren die wel het beste met hun dieren voor hebben. Hij sprak met boeren die wel van hun dieren houden, maar ze desalniettemin niet behandelen zoals wij mensen graag zouden vernemen. Hij praat met hen en geeft hen in het boek een stem en laat op empathische wijze hun standpunt zien. Drie jaar lang was Foer eigenlijk simpelweg en objectief bezig met het antwoord op de vraag: wat is vlees? En welke morele, ethische en ecologische consequenties heeft het eten ervan?
Een treffende passage, inmiddels al in veel recensies en artikelen aangehaald, is die over het eten van honden. Foer zet je aan het denken door een paar simpele hersenbrekers. Als je een hond zou huisvesten en behandelen als een varken of kip, hoe lang duurt het voordat de politie op de stoep staat? Als Gordon Ramsey (chef-kok en TV-personality) – die zwoer zijn zoon te onterven mocht die ooit vegetariër worden – in zijn programma heel stoer een hond zou marineren, hoe lang zou het dan duren voor hij van televisie verdwijnt en bedolven wordt onder boze brieven van geshockeerde (maar in de meeste gevallen vleesetende) burgers? En waarom eten we het vlees van geëuthanaseerde of overreden honden eigenlijk niet gewoon op? Waarom gaat hun vlees heel omslachtig en stiekem in ‘eiwitvlokken’ voor veedieren?
Goed, flauw natuurlijk. Onze cultuur leeft met honden zoals ze dat in India met koeien doen. Dat weet ik ook wel. Maar denk er goed over na en je weet dat het waar is: er is geen goede reden om wel varkens maar geen honden te eten. En een mishandeld, overvoed, depressief en jong de dood ingejaagd varken is net zo zielig en onteerd als een mishandelde, overvoede, depressieve en jong de dood ingejaagde hond. Of paard. Of kip. Of, ja echt, zalm. Het zijn allemaal dieren met een complex sociaal leven, zenuwstelsel en paringsrituelen. Ze kennen stress, angst en depressies. Het is niet te bewijzen dat wanneer een hond in zijn slaap ligt te blaffen en grommen, hij dan droomt. Nee, dat is niet te bewijzen, maar kijk er eens naar. Wat denkt u wanneer u het ziet?
Ook komt Foer natuurlijk met feiten. Over vlees in relatie tot hart- en vaatziekten. Met verklaringen van medici over de levensverwachting van vleeseters en vegetariërs. Over CO2-uitstoot. Over de hectoliters mest en nitraat. Over het gevoelsleven van vee en vissen. Over het aantal kippen dat met vele gebroken botjes bij het slachthuis aankomt. Die feiten zijn confronterend en geven het boek een cruciaal fundament, maar de charme en overtuigingskracht van het boek schuilen in wat er op dat fundament gebouwd wordt. Het is een memoire en het verslag van een zoektocht van een man die ook zijn hele leven genoot van een stukje vlees, van kalkoen met kerst, en van de kip die zijn oma altijd voor hem klaarmaakte. Zijn oma, die als Jodin de oorlog overleefde en soms moest eten wat ze kon vinden op straat en tussen het vuil; een vrouw voor wie het weigeren van vlees, van eten, volstrekt krankzinnig is. Hij vertelt met liefde en begrip over haar, en laat met dat soort persoonlijk anekdotes op sympathieke en subtiele wijze de complexiteit van het grotere geheel zien.

Foers zoektocht startte toen hij vader werd. De vraag rees: wil ik klakkeloos de volgende generatie laten opgroeien met het idee dat vlees iets is wat voorverpakt in de supermarkt ligt en wat je nu eenmaal bij je groenten en aardappelen eet? Of wordt de volgende generatie er één die beter voor de wereld wil zorgen, en volwassen wordt met de notie dat vlees eten misschien wel haaks op dat streven staat?
Misschien relevant om te vermelden: ook ik ben vader. Van een zoontje van twee en sinds kort ook van een embryo van een week of drie. En ook ik hoop op een goede, gezonde en eerlijke toekomst voor mijn kinderen. Dat klinkt wat zoet, maar het is echt zo. Ik wens het vurig. Dus… Ja… Toen kon ik het ineens niet meer. Na een laatste slavink bij mijn moeder, eind november, hakte ik de knoop door: ik was officieel een vegetariër. Dan maar lastig en radicaal zijn tijdens de feestdagen. En proberen te blijven glimlachen bij het aanhoren van argumenten als ‘De mens is van nature een vleeseter’, of schuldgevoel-decoys als ‘Wanneer ik kan, dan koop ik biologisch.’ Ze lijken nu, sinds ik mijn keuze gemaakt heb, zo opzettelijk verkeerd, dat soort uitspraken. Maar het zijn natuurlijk wel gewoon de vervreemdende en tegelijkertijd confronterende echo’s van de uitspraken die ik zelf ook al die jaren aan keukentafels heb uitgeroepen. Met de vinger wijzen is niet gepast als je pas net van je geloof bent gevallen. Maar ik vind het moeilijk niet in discussie te gaan. Nu al. Dat belooft nog wat.

Afgelopen zaterdag was ik dus de enige vegetariër tussen mijn drie broers en moeder. We zaten aan tafel in een duur en verfijnd Italiaans restaurant. Mijn moeder had ze van te voren al gebeld, dus ze wisten van mijn komst. “Ze” zijn in dit geval de zonder uitzondering grote, dikke en brede kerels met kale hoofden die in het restaurant de dienst uitmaken. Veel lichaamshaar. Geen vrouw te zien. Uitstekende obers, dat wel. En fenomenale koks. Dat weet ik want ik had er al eerder gegeten. Lamsvlees, geloof ik. Met andere woorden: ik bevond mij in het juiste biotoop voor een grazer. ‘Bon giorno!’ riep de hoofdkelner met een brede grijns. ‘Ah, dus ditte izze die vegetáriër!’ Ja hoor, hier zat hij, de vegetariër. Hij at een carpaccio van courgette terwijl zijn familieleden hun vorken zette in kalfsvlees en ganzenlever. En hij zweeg. Hij zweeg zelfs toen een van zijn broers zei: ‘Ik voel me altijd een beetje schuldig als ik ganzenlever eet.’ Hij zweeg omdat hij niet lastig wilde zijn.
Ik zweeg omdat ik geen ruzie wilde. Zelfs geen discussie. Ik zweeg omdat mijn moeder dit etentje had betaald. En ik zweeg, vooral, omdat ik het zelf ook naar mijn zin wilde hebben. Maar het knaagde. Het knaagde.
En ik wil ook gewoon die vent niet zijn. Die vent die ineens iedereen gaat lastigvallen met zijn nieuwgevonden geloof. Die vader die zijn zoontje naar een feestje laat gaan met de instructie daar onder geen enkele voorwaarde een worstenbroodje te eten. Ik wil die vent niet zijn ook omdat ikzelf simpelweg verre van onfeilbaar ben. Ik eet kaas. Thuis is dat biologische kaas, maar elders gewoon de kaas die ze hebben liggen. Ik drink thuis sojamelk, maar elders gewoon de melk die ze hebben staan.
De lijn tussen een idealistische pragmatist enerzijds, en een vervelende betweter anderzijds, is fijn als spinrag. Ik merk het aan mezelf. Ik wil anderen wijzen op het gedrag waar ik me zelf twee maanden geleden nog schuldig aan maakte. Soms doe ik dat ook, soms niet. Een fijne lijn. Maar ik blijf als het kan liever aan de kant van die lijn waar de leuke mensen zich ophouden, en dus graag niet aan de kant van mensen als de Vegan Streaker. Niet omdat de Vegan Streaker wél consequent is en wij aan de andere kant van de lijn niet – met consequent zijn lijkt me niets mis – maar omdat het extremisme en dogmatisme van types als hij me enorm tegenstaat, en me zelfs al die jaren ervan heeft weerhouden serieus over het probleemstuk van vlees en dierenleed na te denken. Mijns inziens zijn het idioten als hij die er juist voor zorgen dat nog steeds er weinig mensen het dilemma serieus nemen.
Maar nee dus, ik doe inderdaad niet alles wat ik kan om bij te dragen aan een betere wereld. Verre van. Maar ik ben te jong, te hoopvol, om helemaal niets te doen. Ik ben te jong en te optimistisch en te wakker om iets te blijven doen wat zoveel argumenten tegen zich heeft en zo weinig voor.
‘Ik vind dat je dan ook geen auto meer moet rijden,’ zei laatst iemand tegen me toen ik vertelde over mijn recente wijziging van levenskoers. Hij refereerde naar het CO2-argument. Echt waar. En dit cliché heb ik ook gehoord: ‘Sla je dan vanaf nu ook geen mug meer dood?’ Inderdaad, ik heb in korte tijd al snel geleerd: de vegetariër zucht veel en bijt veel op zijn tong.

Lees dit boek. Het is een goed boek. Het heeft een goed hart. Misschien maak je de keuze die ik maakte, misschien ook niet. Maar laat het op zijn minst een echte keuze zijn.

Lees meer van

En Garde!

Door Henk van Straten

Beeld: Willem Jansen Janneke van der Horst (1981) weet hoe jongens huilen. Op weg van Eindhoven naar Amsterdam om haar te ontmoeten, baart me dat ineens grote zorgen. Ik ben een jongen, en ik heb liever niet dat mensen weten hoe ik huil. Zeker meisjes niet. En daarbij, als Van der Horst weet hoe jongens […]

Lees meer uit de categorie Essay

Jubelen

Door Roos van Rijswijk

Schrijver Roos van Rijswijk geeft zich over aan een krekelcatharsis. ‘Wat je hoort,’ zegt een Amerikaans enthousiaste vrouwenstem, ‘is een opname van krekelgeluiden. Er zijn twee tracks, één wordt op normale snelheid afgespeeld, de ander is vertraagd. Krekels hebben een kortere levensduur dan mensen. Hun geluiden zijn vertraagd naar het equivalent van de menselijke levensverwachting.’ […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper