Henk van Straten (1980) is mede-oprichter van De Optimist. Hij schrijft boeken en daarnaast reportages voor de Nieuwe Revu. Met zijn tweede roman Smet werd hij genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Hij woont in Eindhoven.
Willem Jansen
Ook van Henk van Straten
Carpaccio van courgette.
door Henk van Straten
Een treffende passage, inmiddels al in veel recensies en artikelen aangehaald, is die over het eten van honden. Foer zet je aan het denken door een paar simpele hersenbrekers. Als je een hond zou huisvesten en behandelen als een varken of kip, hoe lang duurt het voordat de politie op de stoep staat? Als Gordon Ramsey (chef-kok en TV-personality) – die zwoer zijn zoon te onterven mocht die ooit vegetariër worden – in zijn programma heel stoer een hond zou marineren, hoe lang zou het dan duren voor hij van televisie verdwijnt en bedolven wordt onder boze brieven van geshockeerde (maar in de meeste gevallen vleesetende) burgers? En waarom eten we het vlees van geëuthanaseerde of overreden honden eigenlijk niet gewoon op? Waarom gaat hun vlees heel omslachtig en stiekem in ‘eiwitvlokken’ voor veedieren?
Goed, flauw natuurlijk. Onze cultuur leeft met honden zoals ze dat in India met koeien doen. Dat weet ik ook wel. Maar denk er goed over na en je weet dat het waar is: er is geen goede reden om wel varkens maar geen honden te eten. En een mishandeld, overvoed, depressief en jong de dood ingejaagd varken is net zo zielig en onteerd als een mishandelde, overvoede, depressieve en jong de dood ingejaagde hond. Of paard. Of kip. Of, ja echt, zalm. Het zijn allemaal dieren met een complex sociaal leven, zenuwstelsel en paringsrituelen. Ze kennen stress, angst en depressies. Het is niet te bewijzen dat wanneer een hond in zijn slaap ligt te blaffen en grommen, hij dan droomt. Nee, dat is niet te bewijzen, maar kijk er eens naar. Wat denkt u wanneer u het ziet?
Ook komt Foer natuurlijk met feiten. Over vlees in relatie tot hart- en vaatziekten. Met verklaringen van medici over de levensverwachting van vleeseters en vegetariërs. Over CO2-uitstoot. Over de hectoliters mest en nitraat. Over het gevoelsleven van vee en vissen. Over het aantal kippen dat met vele gebroken botjes bij het slachthuis aankomt. Die feiten zijn confronterend en geven het boek een cruciaal fundament, maar de charme en overtuigingskracht van het boek schuilen in wat er op dat fundament gebouwd wordt. Het is een memoire en het verslag van een zoektocht van een man die ook zijn hele leven genoot van een stukje vlees, van kalkoen met kerst, en van de kip die zijn oma altijd voor hem klaarmaakte. Zijn oma, die als Jodin de oorlog overleefde en soms moest eten wat ze kon vinden op straat en tussen het vuil; een vrouw voor wie het weigeren van vlees, van eten, volstrekt krankzinnig is. Hij vertelt met liefde en begrip over haar, en laat met dat soort persoonlijk anekdotes op sympathieke en subtiele wijze de complexiteit van het grotere geheel zien.
Foers zoektocht startte toen hij vader werd. De vraag rees: wil ik klakkeloos de volgende generatie laten opgroeien met het idee dat vlees iets is wat voorverpakt in de supermarkt ligt en wat je nu eenmaal bij je groenten en aardappelen eet? Of wordt de volgende generatie er één die beter voor de wereld wil zorgen, en volwassen wordt met de notie dat vlees eten misschien wel haaks op dat streven staat?
Misschien relevant om te vermelden: ook ik ben vader. Van een zoontje van twee en sinds kort ook van een embryo van een week of drie. En ook ik hoop op een goede, gezonde en eerlijke toekomst voor mijn kinderen. Dat klinkt wat zoet, maar het is echt zo. Ik wens het vurig. Dus… Ja… Toen kon ik het ineens niet meer. Na een laatste slavink bij mijn moeder, eind november, hakte ik de knoop door: ik was officieel een vegetariër. Dan maar lastig en radicaal zijn tijdens de feestdagen. En proberen te blijven glimlachen bij het aanhoren van argumenten als ‘De mens is van nature een vleeseter’, of schuldgevoel-decoys als ‘Wanneer ik kan, dan koop ik biologisch.’ Ze lijken nu, sinds ik mijn keuze gemaakt heb, zo opzettelijk verkeerd, dat soort uitspraken. Maar het zijn natuurlijk wel gewoon de vervreemdende en tegelijkertijd confronterende echo’s van de uitspraken die ik zelf ook al die jaren aan keukentafels heb uitgeroepen. Met de vinger wijzen is niet gepast als je pas net van je geloof bent gevallen. Maar ik vind het moeilijk niet in discussie te gaan. Nu al. Dat belooft nog wat.









