Niña Weijers
Niña Weijers (1987) studeerde Literatuurwetenschap in Amsterdam en Dublin. Ze publiceerde hier en daar verhalen, en won de schrijfwedstrijd Write Now! 2010. Ze heeft de master waar ze nog aan moest beginnen vaarwel gezegd omdat ze eigenlijk wist dat ze schrijver wil worden. Het moest er maar eens van komen.

 

Jaron Beekes Jaron Beekes studeerde ooit Algemene Cultuurwetenschappen, Illustratieve vormgeving en Woord & Beeld. En hij maakte zelfs nog één van de opleidingen af. Nu werkt hij als illustrator, cartoonist en recensent.
Goed of niet?
1 Platypus2 Platypii3 Platypii4 Platypii5 Platypii
(10 lezers)
Loading ... Loading ...

Een goed oor.

door Niña Weijers

Niña Weijers
Beeld: Jaron Beekes

De dag waarop ik dacht: nou is het genoeg, was een maandag in november. Ik had de flyers in een plastic tas gestopt, maar ze werden alsnog nat tijdens het uitdelen. In de punt van mijn linkerlaars zat een gaatje. Ik had dat gaatje al vierhonderd keer geprobeerd te plakken, maar de lijm liet telkens los. Via mijn grote teen doorweekte de regen mijn sok. Ik keek in de zak en zag een straaltje regenwater langs het plastic glijden waardoor de flyers van de zijkant nat raakten, precies op het vouwrandje. Ik pakte er één uit de tas. De ene helft viel voor mijn voeten op straat, door het slap geworden vouwrandje.

EEN GRATIS SOFTIJ

SJE BIJ BESTEDING VAN E 7,50

Ik zat een tijdje thuis zonder baan. Ik had zes jaar geflyerd, en dat is een hele tijd. Het is moeilijk dan één-twee-drie op iets anders over te stappen. In mijn hoofd ging ik na wat de opties waren, en dat bleken er zó veel dat het me echt ging duizelen. Dan dacht ik bijvoorbeeld: stewardess. Maar als ik daar langer over nadacht herinnerde ik me zo’n Ryanair-vlucht naar Girona, waar de stewardessen flight attendants heetten. Die in plaats van wenkbrauwen tekeningen van wenkbrauwen hadden en boven Frankrijk krasloten moesten verkopen.

In de krant las ik een artikel over trendwatchers, en ik googelde ‘trendwatcher’ om te kijken of het wat voor mij zou zijn. Op www.trendwatcher.com – wit met auberginekleurige kaders – vond ik Richard. Richard was een bekende trendwatcher, en praatte over Business Babes en Burnout Babes en Balance Babes en DE 10 MONDIALE MEGA TRENDS, maar vooral over een Positieve Vibe. Ik stond op en liep naar de keuken om soep te maken. De staafmixer haalde ik steeds een stukje verder uit de pan, net zo lang tot de broccolisoepspetters in het rond vlogen en groengespikkelde klodders achterlieten op het fornuis en de muur en mijn broek. Ik pakte een vaatdoekje en vroeg me af wat dat eigenlijk was, een Positieve Vibe. De week daarop trad ik in dienst als serveerster bij het café bij me om de hoek. Toen ik het papiertje met daarop geschreven ‘leuke spontane collega gezocht om ons leuke gezellige team te versterken!!!’ op het raam geplakt zag, wist ik dat ik dat was. Mensen hadden dat namelijk vaak tegen mij gezegd, wanneer ik hen een flyer aanbood: wat ben jij een leuke, spontane meid.
Mijn bazin noemde het café petit, wat hetzelfde is als klein, maar dan charmanter. De bazin was ook mijn enige collega. Toen ik was aangenomen zei ze tegen mij dat ze dat van dat ‘team versterken’ had vermeld om het beter te laten klinken. Achter de bar stond een tostiapparaat waarmee we tot diep in de nacht tosti’s maakten voor de klanten. Of gasten, zoals mijn bazin liever had dat ik ze noemde. Razend populair waren ze, die tosti’s.

Het was een zaterdag in december en heel koud, op zijn minst twee graden in de min. Binnen was het warm en gezellig. Mijn bazin had allemaal Bolsius-kaarsen met rood glas eromheen gekocht, dus van buiten leek de kroeg net een knusse hoerentent. Ik draaide Paul Simon en Neil Young, dat vond ik passen bij de rode gloed van de kaarsen en de winter die buiten was. Ik had daar een goed oor voor. Midden in de zaak (het werd door mijn bazin altijd de zaak genoemd) had ik vier tafels aan elkaar geschoven, want er zou een groep van twaalf mensen komen borrelen. De twaalf mensen kwamen één voor één binnendruppelen, en het waren er geen twaalf maar dertien. Ze waren van mijn leeftijd en zagen er hip uit, met fluorescerende sneakers en skinny jeans. Ze leken me veel te hip voor ons café, of misschien vonden ze ons café juist weer hip omdat het niet hip was. Toen ik erheen liep om hun bestelling op te nemen, zei een meisje met een grote bos krullen: ‘Ik wil een biertje’. Ze zei dat met een heel rare stem, heel langzaam en diep alsof iemand een slowmotionknop had ingedrukt. Ook sprak ze de r overdreven rollend uit: bierrrrrrrtje. Het duurde heel even, maar toen had ik het in de gaten: ze was doof. Ik keek naar de andere mensen aan tafel, en kreeg toen in de gaten dat die ook allemaal doof waren.
Van achter de bar observeerde ik de dove mensen. Temidden van al het gekakel vormden ze een eiland van stilte. Er was alleen maar die voortdurende beweging van hun handen. Soms deed ook hun bovenlijf mee. Dat was waarschijnlijk als ze erg enthousiast waren over iets. Misschien zeiden ze dan: ‘Ik heb een nieuwe vriend!’ Of: ‘Ik heb een nieuwe baan!’ Of: ‘Ik heb een nieuwe neus!’ Eén van de meisjes had namelijk een perfecte neus.

Na een tijdje pakten de dove mensen hun jassen op en kwamen ze bij mij afrekenen. Ze maakten een bedankt-gebaar naar mij. Dit lijkt op het gebaar dat Italiaanse voetballers maken als ze hebben gescoord. Een soort kus met je vingers, maar dan vanuit je kin. Ik deed het gebaar terug, en ik denk dat ze dat konden waarderen.
Eén van de dove mensen bleef achter. Een jongen. Hij bestelde nog een biertje en een tosti aan de bar. Omdat er verder niemand aan de bar zat en ook in de rest van het café niemand meer was en de glazen al gespoeld waren en het koffiezetapparaat al was schoongemaakt, voelde ik me ongemakkelijk.
De jongen haalde een notitieblokje uit zijn zak en schreef iets op, razendsnel. Hij wenkte me en wees op het notitieblokje. Er stond: Ik ben Jorn en ik kan vrij goed liplezen. Hoe heet jij?
Ik zei heel langzaam en hard mijn naam. Toen voelde ik me een beetje belachelijk. Hij kon me toch niet verstaan. Desalniettemin was het moeilijk om heel langzaam én op een normaal geluidsniveau te spreken. Ik zei dus ook heel hard: ‘WAT BRENGT JOU HIER?’ En hij schreef op dat hij in de buurt woonde en dat hij lid was van een vereniging voor jonge dove mensen, en dat ze ééns in de zoveel tijd met zijn allen uit eten gingen. Ik knikte en zei: ‘LEUK.’
Hij schreef: wat doe jij graag?
Ik wist niet goed wat ik daarop moest antwoorden. Dus wiegde ik mee op de muziek en trommelde ik met mijn vingers op de bar.
Na een tijdje schreef hij: waar luister je naar?
Ik zei: ‘NAAR EEN COVER VAN BOB DYLAN’
Hij zei: ‘Sorrrry?’. Ik denk dat hij moeite had het woord ‘cover’ van mijn lippen te ontcijferen, want dat maakt niet zoveel bewegingen.
Ik schreef in zijn notitieblokje: NAAR EEN COVER VAN BOB DYLAN.
Hij schreef: Op papier ben ik niet doof, hoor.
Ik schreef eronder: SORRY. Maar dat kraste ik door, en schreef: sorry. Hij moest hierom lachen, een lach zonder geluid.
Welk nummer van Bob Dylan? Schreef hij. En door wie?
Ik schreef, want dat voelde beter dan dat harde praten: You Ain’t Goin’ Nowhere. Glen Hansard. Zo mooi en beter dan het origineel.
Hij schreef: Wat dat betreft zou je me alles wijs kunnen maken ;)
Door de knipoog wist ik dat ik me niet ongemakkelijk hoefde te voelen. Ik schreef: ben je altijd al doof geweest? Hij knikte en vroeg wat ik zo mooi vond aan dit nummer.
Dat vond ik een heel moeilijke vraag, want hoe leg je muziek uit? Je hebt melodie, ritme, zang, instrumenten en nog veel meer dingen. Dat kun je niet uitleggen, dat moet je hóren. Maar dat vond ik hard om te zeggen tegen een doof persoon. Dus schreef ik: dit nummer heeft heel goeie teksten.
Hij schreef terug: de teksten ken ik. Whoo-ee, ride me high. Tomorrow’s the day that my bride is gonna come. Dus dat is een beetje flauw.
Het was ook een beetje flauw. Dus ik schreef: het is moeilijk. Ik dacht even na, en voegde toe: bij muziek is het geheel meer dan de som der delen. Dat klonk goed, en waar.
Probeer het eens, schreef hij.
Het nummer was afgelopen. Ik zette het nog een keer op, maar nu heel hard, want er was verder toch niemand meer in de zaak. Ik twijfelde hier even over, maar pakte toch Jorns hand en bracht hem naar één van de boxen. Die trilde als een gek, en ik legde zijn hand erop. Toen deed ik mijn ogen dicht. Het voelde alsof ik ín de muziek kroop. Alsof de gitaar en de banjo en de mondharmonica en de stem van Glen Hansard een onderdeel van mij waren geworden. Dit was een heel bijzonder gevoel.
Er kwam een gedachte in me op, en die gedachte was: Positieve Vibe. We bleven zo staan totdat het nummer voorbij was. Toen wees ik op mijn lippen en zei, langzaam, maar ook zachtjes: ‘Kijk eens naar mijn arm’. En Jorn keek, en zag mijn kippenvel. Met zo’n langzame vreemde stem van iemand die zichzelf niet kan horen zei hij: ‘A   fish   thatwalks and        a    dog thattalks. Is dát         watmuuuuziek is?
Ik dacht hierover na, want ‘A fish that walks and a dog that talks‘ was een regel uit het nummer en dat was dus misschien niet wat muziek was. Of wel? Wat had Bob Dylan ermee bedoeld? Nadat ik er een tijdje over had nagedacht, dacht ik: ja! En ik zei: ‘Ja!’
En Jorn zei dat hij vond dat ik dat heel goed had overgebracht.

Laat een reactie achter

  • Post to Twitter
TAGS:
, ,
Creative Commons Licentie
Alles op De Optimist is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 3.0 Nederland licentie