Essay

Maffe eerste maten

Door Leo van der Sterren
22 februari 2010

Rangorde in de kunst geldt als een heikel ding. Iemand die zich argeloos door het leven beweegt, zou er gemakkelijk de vingers aan kunnen branden. Alleen al vanwege het feit dat kunstwerken zowel in hoedanigheid als in kwantiteit de grootste verschillen vertonen, mist een hiërarchie per definitie een objectief fundament. En dan komt het fenomeen kwaliteit nog om de hoek kijken, onlosmakelijk verbonden met de grootmacht smaak. Iemand kan het ene kunstwerk met een negen als rapportcijfer opzadelen en het andere met een vier, maar zo’n waardeoordeel, hoe goed beargumenteerd ook, blijft ten allen tijde aanvechtbaar, omdat het gegrondvest is op die opperste uiting van subjectiviteit: de kunstzin. Die faculteit van beoordeling – de smaak van het individu – bezit niet alleen de allure van een absolutistisch vorst, maar munt bovendien uit door inconsistentie.

Wat voor de kunst in het algemeen geldt, gaat ook op voor de muziek in het bijzonder. Een luisteraar kan het ene muziekstuk op een bepaald moment meer waarderen dan het andere, maar om op basis daarvan een naar objectiviteit strevende schikking te willen vastleggen, dat is onmogelijk. Muzikale werken kunnen niet in een hiërarchisch klassement ondergebracht zouden kunnen worden. Daarvoor heerst er een te grote willekeur in de empirische werkelijkheid; daarvoor speelt de persoonlijke waardering van kunstwerken een te prominente rol.

Vanzelfsprekend heeft een muzikaal werk altijd een begin, anders zou het nooit begonnen kunnen zijn en bijgevolg niet bestaan hebben. Maar niet elk muziekstuk wordt door een intro voorafgegaan. Het attribuut ‘intro’ zou ik voor deze gelegenheid willen definiëren als  de inleidende maten van een stuk muziek die melodisch en ritmisch afwijken van de rest van de compositie. Twee willekeurige voorbeelden: ‘Yours is no disgrace’ van de band Yes heeft geen intro – ‘Roundabout’, eveneens van Yes, wel. ‘Africa’ van Toto niet – ‘Stop loving you’, van dezelfde groep, wel.
Een intro vormt het begin van een muziekstuk maar tevens een uitstel van het begin van de melodie en het ritme die het vervolg van het stuk (zullen) domineren. Pas nadat het intro is overgegaan in de eigenlijke melodie heeft het muziekstuk daadwerkelijk een aanvang genomen. En sommige muziekvertolkers weten de spanning in een intro zo op te bouwen en te intensiveren dat je in zekere zin zelfs zou kunnen spreken van verlossing wanneer het intro overgaat in de hoofdmoot.
Sommige intro’s vertikken het categorisch om uitsluitsel te geven over de rest van het stuk. Recalcitrante intro’s creëren een zekere suspense. Je hoort iets en je bent vol verwachting over het vervolg, maar als dat vervolg een aanvang neemt, blijkt het heel anders te zijn dan je op grond van datgene wat je eerst hoorde, vermoed had. Dat er verschillen in intro’s bestaan, is evident. Dat het ene intro opmerkelijker en spannender is dan het andere, is een ding dat zeker is. Maar, bovenstaande opmerkingen over hiërarchieën in waardeoordelen indachtig, aan een indeling op grond van onderlinge kwaliteit waag ik me niet. Voor deze bloemlezing hanteer ik voor deze bloemlezing van maffe eerste maten een niet-hiërarchische, min of meer ludieke taxonomie.

Verder met waar het echt om gaat: de tegendraadse intro’s. Op de eerste plaats maken zich de Sleurse Intro’s breed. Dergelijke intro’s zijn niet intrinsiek sleurs. Het gaat om de maffe eerste maten van nummers die intussen zo grijs zijn gedraaid en nog steeds zo frequent te horen zijn dat niemand er nog van opkijkt of zich de moeite getroost om er goed naar te luisteren. Men weet het intussen wel – meent men niet zonder hoogmoed. Het enigszins timide intro met het schorre gitaargeluid van ‘Black Dog’ van Led Zeppelin. Het gerinkel van geld en kassa’s van Pink Floyds ‘Money’ Of de twee intro’s tot ‘Time’ – van dezelfde groep. Eerst de orgie van klokslagen en wekseinen, daarna het onverstoorbare hartgeklop als van een tijd die niet kan stoppen. De eerste maten van ‘Hotel California’ van de Eagles en ‘La Grange’ van ZZ Top stemmen qua melodie overeen met het verdere verloop van die liedjes, maar onderscheiden zich niettemin door hun ingetogenheid. De intro’s van deze composities verdienen het dat luisteraars er nog eens goed voor gaan zitten en hun oren de kost geven. Overvloed doet de concentratie namelijk verslappen. Te vaak wordt muziek gedegradeerd tot een achtergrondgebeuren, uitsluitend bedoeld om de stilte te bannen. Juweeltjes stralen slechts bij de gratie van de geconcentreerde aandacht van toegewijde luisteraars.

Net als ‘Money’ en ‘Time’ heeft ‘Astronomy Domine’ van Pink Floyd een zogenaamd Technologisch Intro. Deze intro’s zijn geënt op resultaten van de materiële en technische vooruitgang van de mens. Zoals de titel al suggereert, beschrijft ‘Astronomy domine’, twee jaar voor de landing op de maan, een ruimteavontuur. Het nummer begint met ruimteverkeersleiders die met hun mechanische stemmen de namen van hemellichamen declameren – klaarblijkelijk ter waarschuwing. Maar het op hol geslagen ruimteschip dendert onverstoorbaar door. Verwoed zendt de bemanning seinen naar de aarde om kenbaar te maken dat zij nog in leven zijn. Maar met elke seconde dringt het ruimteschip steeds dieper het universum in dat daardoor steeds verder uitdijt. De lijnen naar de thuisbasis rekken uit en slinken. Het lot waarop men afstevent, wordt almaar ongewisser. En dan kunnen sterren pas echt angst inboezemen.

De zogenaamde Eco-intro’s bieden een tegenwicht aan de Technologische Intro’s. ‘Withering tree’ van Traffic is een typisch voorbeeld van een Eco-intro. In dit relatief onbekende nummer van Winwood en Capaldi hoor je, na op het verkeerde been te zijn gezet door enkele geruststellende pianoklanken, de kwijnende boom uit de titel al volop kermen en klagen. En die amechtige geluiden duiden aan dat de boom geen fruit meer zal dragen, evenmin als een groen maatpak. De boom zieltoogt en zal aanstonds in de armen van de vergankelijkheid belanden. Met dank aan de vooruitgang.
‘Fresh garbage’ van Spirit is eveneens een Eco-intro. Op 22 januari 1968 verscheen de eerste elpee van de Californische groep rondom gitarist Randy California en drummer Ed Cassidy, Spirit. En zoals het instrumentale ‘Taurus’ van diezelfde elpee Page en Plant zou inspireren voor ‘Stairway to heaven’ (Led Zeppelin trad in 1968 op in het voorprogramma van Spirit), zo zou het intro van het openingsnummer ‘Fresh garbage’ jaren later door Beck ‘geleend’ worden. Hij gebruikte het als intro voor zijn nummer ‘Feel good time’ dat hij vervolgens doorsluisde naar Pink die er in 2003 een grote hit mee had. ‘Fresh garbage’, een merkwaardig nummer dat pop, rock en jazz in de compactheid van drie minuten perst, begint met een kreet van enthousiasme. Daarna spelen de elektrische piano en de basgitaar de riff van het intro. Dreiging wordt voelbaar. De gitaar valt in en besluit het eerste deel van het intro met een marsachtige roffel. Randy California kondigt zingend aan waar het nummer over gaat. Opnieuw de marsroffel en dan begint het nummer pas. En dan, na twee coupletten en een merkwaardige jazzy solo op de elektrische piano, tweeënhalve minuut op stoom zijnde, lijkt het geheel, inclusief intro, opnieuw te beginnen. Maar met de woorden ‘fresh garbage’ echoot de aanklacht uit.

Terechte faam geniet het glorieuze intro van ‘Sweet Jane’ op het live-album Rock ‘n’ roll animal van Lou Reed. Dit is wat je zou kunnen noemen een Processie-intro. Intro’s in die categorie doen een gooi naar het bovenaardse. Steve Hunter en Dick Wagner leven zich minutenlang op hun gitaren uit, zij het op een gedragen, zelfs plechtstatige manier, voordat the pale man het podium betreedt en zijn tekst de microfoon in sneert. Gedurende dat lange intro verschijnen beelden van een landschap voor het geestesoog. Tergend langzaam passeert een processie. De mars van de houten soldaten.

Lou Reed – Sweet Jane

Het barokke begin van ‘Rikki don’t lose that number’ van Steely Dan is een heus maf intro en valt in de categorie van Buitencategorische Intro’s. Wat is de zin achter dit ietwat overspannen klinkende geluid? Is het bedoeld als deconstructie vooraf op het mislukken van de toenadering tot de hoofdpersonage van het lied, een poging die beperkt blijft tot de overhandiging van een briefje met daarop een telefoonnummer? Omdat er daarna niets meer gebeurt? Omdat Rikki (naar later bleek de Amerikaanse dichteres en schrijfster Rikki Ducornet) die arrogante pseudo-intellectueel Donald Fagen in het geheel niet ziet zitten?
‘Raised eyebrows’ van het Amerikaanse kwartet The Feelies, afkomstig van het album Crazy Rhythms uit 1980, is zo mogelijk nog buitencategorischer. Het nummer duurt drie minuten; het intro neemt er bijna twee van in beslag. Een knap staaltje van suspense. Je voelt in je dikke darm dat er nog iets anders gaat komen. Dat dit het ware nog niet is. En dan pas, na lang uitstel dat de luisteraar de wenkbrauwen doet fronsen en op zeker moment zelfs afstel doet vermoeden, treedt de verlossing in. Dan pas begint het eigenlijke nummer dat het vervolgens nog maar één minuut volhoudt. Met de volgende eruptie van lyriek: ‘He said oh. He said oh. He said oh. Some will make it and some won’t make it, oh-ho. Oh the glory glory and the glory glory,  oh-ho.’ En dat is het dan. Rare jongens, die Feelies.

‘I wanna be adored’ van de Stone Roses. Ego-intro of Metafysisch Intro? De inleiding tot ‘I wanna be adored’ duurt anderhalve minuut. De eerste vijfenveertig seconden bestaan uit licht aanzwellende geluiden die moeilijk te determineren zijn. Onheilspellende klanken zwellen aan, verontrustend gepiep weerklinkt. Dit kondigt een soort onderwereld aan waar het niet pluis is maar waar de ik-persoon intussen kind aan huis is. Hij heeft zich namelijk naar de crossroads begeven waar hij zijn ziel aan de duivel verkocht heeft. Het motief voor de transactie is gelegen in het feit dat de ik-persoon een god wil zijn die onvoorwaardelijk aanbeden wordt. De Stone Roses als echte en oprechte Fausten. Alles voor de kick. Alles voor het gevoel een god te zijn – desnoods een zwarte.

The Stone Roses – I Wanna be Adored

Nadat het souterliedeken over narcisme, idolatrie en diviniteit met de gepaste portie passie ten beste is gegeven, beleeft ‘I wanna be adored’ ten slotte, schurend en knarsend als een tot stilstand komende oude stoomtrein, zijn einde. Langzaam sterft de muziek weg. De cirkel is rond. Het intro eindigt in een outro. Alle intro’s monden uit in de bijbehorende outro’s. Het spreekt vanzelf dat een muzikaal werk altijd een slot heeft, anders zou het nooit eindigen en dus eeuwig doorgaan.
Het einde symboliseert de vergankelijkheid waarvoor elk individu, hoe spectaculair zijn intro in het leven ook moge zijn geweest, zal dienen te buigen. De metafysische dimensie. De leegte na het leven. De stilte van het niets. Het intro van die stilte klinkt aanvankelijk even onwennig als al die maffe eerste maten.

Lees meer van

In memoriam Elizabeth Reed

Door Leo van der Sterren

‘Godverdomme, wat een bezoeking!’ De limiet aan wat een mens warmtematig kon verdragen, deed zich gelden. De gedachte dat er aan de hitte niet te ontsnappen viel, had iets beklemmends, had bijna hetzelfde effect als een langzame, maar zekere wurging. Ja, zo voelde het aan. Het deed hem denken aan een nachtmerrie waar geen einde […]

Lees meer uit de categorie Essay

Lumineus – Cassander Eeftinck Schattenkerk

Door Cassander Eeftinck Schattenkerk

Tekst en redactie: Nynke Vissia Je zou hem een ontdekkingsreiziger op huis- tuin- en keukenniveau kunnen noemen. Cassander Eeftinck Schattenkerk trekt niet de wijde wereld in om betoverende landschappen te fotograferen; hij kweekt ze zelf, in eigen habitat. Brine 4 Eeftinck Schattenkerk studeerde Woord en Beeld aan de Vrije Universiteit Amsterdam en vervolgens Fotografie aan […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper