Kort verhaal

Zeebanket

Door Rebecca Wilson | beeld: Danil Shunkov
17 augustus 2010

Weet je nog, die dag dat we zo’n ruzie maakten, over de chat, op het werk? Ik heb het laatst nog nagelezen op gmail. Hoe een alledaagse uitwisseling over wie doet de boodschappen en hoe laat ben je thuis uit kon monden in anderhalf uur ja maar jij doet altijd en hoe kun je nou niet snappen dat, ik zou het bij god niet meer weten. En dat terwijl andere details van die dag me nog heel helder voor de geest staan. Marja was jarig en had zelfgebakken boekweit-spelt-muffins meegenomen, waar we op de afdeling allemaal grappen over maakten omdat ze zo bij haar geitenwollensokkending pasten. En voor jij me aansprak had ik met ons afdelingshoofd moeten praten over een project dat ik verknald had, en ik had de stagiaire de schuld gegeven. En al heb ik geen idee meer waar onze ruzie over ging, ik weet nog wel dat dat van die stagiaire me niet lekker zat, dat ik mijn onvrede over mijn professionele wanprestaties en mijn slechte karakter op jou afreageerde en me daar volledig van bewust was. Toen dacht ik nog dat dat kon, in een relatie. Ik wil je vertellen over iets wat er die avond gebeurde, voor ik thuiskwam en nadat ik de mislukte projecten en de chat en de stagiaire en de hele godvergeten bende op het werk voor die dag vaarwel had gezegd. Ik vind die non-tijd tussen de twee helften van je bestaan altijd wel fijn. Je bent alleen, je kan even omschakelen. Zeker in die tijd, toen het zo slecht tussen ons ging, konden de rijen bij de Albert Heijn me niet lang genoeg zijn. Toch liep ik die keer ernstig uit mijn humeur langs de schappen te dwalen. Het was koud voor september en ik had mijn zomerjas nog aan. Ik kocht de voorgesneden Thaise groentemix en een curry in een potje, al kon ik je commentaar daarop al horen, en ik voelde bij voorbaat al mijn irritatie over jouw belerende eco-gezeik opkomen. Terwijl ik bij de kassa stond en Acda en de Munnik daar voor de derde keer die week hoorde zingen dat ze zichzelf niet en nooit geweest waren, formuleerde ik in mijn hoofd al snedige opmerkingen. “Misschien moet je anders iets met Marja beginnen, kunnen jullie samen voor altijd in haar achtertuin groente verbouwen en jullie carbon footprint tot nul reduceren. Kan ik tenminste in vrede Egyptische sperziebonen kopen als ik dat wil.” En toen brak mijn zak met kattengrit op de kassaband. Zo’n avond was het. Toen ik buiten kwam met mijn grit en mijn bijna knappende Albert Heijn-tas was het al iets na zessen, en het motregende. Ik was bang dat het inmiddels te laat was om mijn rok, die rode van Claudia Sträter, bij de kledingreparatie af te geven, terwijl ik hem aan wilde doen bij mijn presentatie aan het eind van de week. In een overcompenserende poging wat meer efficiëntie in mijn leven aan te brengen, had ik hem die ochtend meegenomen naar mijn werk, hoewel die reparatie-slash-stomerij bij ons om de hoek was. Jij had me erom uitgelachen en voorspeld dat ik hem ’s avonds weer mee terug zou nemen, weet je nog? Nu leek het of je daar nog gelijk in zou krijgen en dat zinde me niet, maar gelukkig zag ik dat de deur aan de overkant van de donker wordende kruising half openstond.

Ik stak over en stond mezelf een “Uitkijken, lul” toe tegen de rug van de scootertiener die me afsneed. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat het bordje aan de deur van de stomerij naar ‘gesloten’ was gedraaid. Toch liep ik naar binnen. Daar schrok ik. Ik weet niet of je je die vrouw nog kunt herinneren die daar werkte? Turks, iets maar niet veel ouder dan wij, dikkig, hoofddoek? Het zal wel niet. Ik had ook nooit bij haar stilgestaan, ze was niet meer dan een vriendelijk gezicht, iemand aan wie ik mijn gescheurde kleding toevertrouwde. En ik was er al helemaal niet op berekend dat ze onder het neonlicht, tussen de rekken kleren in plastic hoezen, zou staan huilen. Zij schrok vast erger dan ik. We staarden naar elkaar, ik met mijn boodschappen, zij met een zakdoek, zo’n echte stoffen met streepjes. Allebei wisten we even niet hoe we de sprong moesten maken naar de professionele uitwisseling van goederen en diensten waar ik voor kwam. Ik begon ‘sorry, sorry’ te zeggen en wilde al weggaan, maar zij herpakte zich, bette haar ogen droog en zei: “Nee, is goed, kom, kom, geef.” Het ging niet lang goed. Ik had mijn rok nauwelijks op de toonbank uitgespreid, op zoek naar de losgeraakte naad, of haar tranen welden alweer op. Deze keer hield ze zich niet in, ze bleef snikken, en ik kon niet anders dan haar hand pakken. Ik vroeg me af of ik ook wat moest zeggen. Zou ze van die typische moslimproblemen hebben, vier rotkinderen thuis en een schimmige man die haar afbeulde en sloeg? Moest ik daarnaar informeren, voor zover dat kon met haar Nederlands, en haar dan een of andere instantie aanraden? Ik durfde het niet zo goed te vragen, dus zei ik: “Het komt wel goed, echt, het komt wel goed.” Met onze handen vast bleven we een paar minuten staan, en mijn onzinnige gemurmel leek haar toch wel goed te doen, geloof ik. Toen ze wat gekalmeerd was en ik de schemering weer in zeulde, voelde ik me overweldigd door schaamte en blijdschap. Dat overkomt me toch niet vaak op een regenachtige doordeweekse avond met een tas vol kant-en-klaarproducten. Ik schaamde me ervoor dat de eerste gedachten die ik ooit over deze vrouw had gehad meteen zo clichématig waren. Aan de andere kant had ik contact gehad met een ander, echt contact, waarbij ik me zowaar een beetje warm en menselijk had gedragen, en dat ook nog haast zonder woorden. Bij het winkeltje op de hoek bedacht ik dat ik haar iets wilde geven, om haar te laten weten dat ze niet alleen was, dat ik vanaf nu aan haar zou denken. Ik vroeg me af waar ik haar een plezier mee kon doen, en hoewel ik lang met een grote zak gesuikerde amandelen in mijn hand stond, koos ik uiteindelijk voor een doos zeebanket. Van die goedkope bonbons met een vieze pralinévulling. Op avonden zoals deze een kwartier eerder nog leek te gaan worden, kocht ik die wel eens voor mezelf, om stiekem in bad op te eten, dat heb je denk ik nooit geweten. Ik stelde me voor dat zij dat misschien ook zou doen, en anders zou ze zich misschien alleen al door de vrolijke zeesterren en zeepaardjes op de verpakking beter voelen. En door mijn gebaar natuurlijk, dat vooral. Ik werd zo meegesleept door mijn nieuwe rol als emotionele weldoener dat ik voor jou, voor ons, ook een wijntje en wat kaasjes meenam. Ik had te lang getwijfeld over die noten. Bij de kledingreparatie was de deur nu dicht, op slot zelfs, en het licht was uit. Dat had ik kunnen weten natuurlijk. Het zeebanket bleek de beste keuze, want de doos paste precies door de brievenbus onder het ‘gesloten’ bordje. Ik zag hem door het glas op de grond terechtkomen en hoopte dat ze er de volgende dag van zou durven eten, al was de herkomst onbekend. Toen sloeg ik eindelijk de hoek om, naar huis. Dat was onze laatste mooie avond samen, lief. Dat weet je toch nog wel? Dat kwam door haar.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Rijskracht

Door Lisa Weeda

Lisa Weeda schreef een prachtig verhaal over rijzen en vallen. Elise van Iterson maakte er een meesterlijke illustratie bij.   I Mijn handen trillen om de plastic hengsels van mijn ALDI-tas. Ik schud ze los, recht mijn rug tegen de leuning van de bank. In mijn laatste schone T-shirt zit ik tegenover twee meisjes met […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper