Kort verhaal

Een perfecte dag voor het zeeaquarium

Door Toon Karakter | beeld: Anna van Dooren
24 november 2010

Jona

Ik wist nooit dat je kaviaar tussen duim en wijsvinger aan de bovenkant van je hand moest eten. Dat heeft iets met de temperatuur te maken. De steur zwemt al sinds de prehistorie in de Amoer maar toen de hebberige klauwen van de vrije markt zelfs tot in Siberië bleken te reiken was het gauw afgelopen. Haring wordt ook al bedreigd. Ik lig van top tot teen bedekt met bedreigde diersoorten op een schaal. De schaal is speciaal gemaakt van koolstofvezel, een licht en sterk materiaal zodat ik door vier zware zwarte sportschooljongens naar binnen gedragen kan worden. Het moet een of andere Egyptische scène voorstellen, had Jean Paul bedacht; de Egyptenaren kaakten misschien wel geen haring maar who cares. Jean Paul is de eigenaar, die na de kunstacademie al gauw merkte dat er met seks meer te verdienen viel dan met kunst. Als meisje lag ik thuis voor de kleine zwart-wit-televisie en wilde danseres worden, mooi zijn als de Isabelles uit de Franse films waarmee ik dweepte, of iets met paarden. Later wilde ik studeren, de wereld beter maken, zeehondjes redden of in de ontwikkelingshulp. Ik deed politicologie, journalistiek en fotografie en alle mensen die ik ontmoette waren net zo op drift als ik, maar dat moet de leeftijd geweest zijn, want wie wist er welke kant het op zou gaan? Nu doe ik iets met dieren, hoewel ik nooit had kunnen verzinnen dat het met vissen zou zijn, in stukjes, gezouten, met uitjes. Maar dit is tijdelijk, dat moet het wel zijn want het voelt alsof het tijdelijk is en niemand houdt dit lang vol. De schaal is nog het minst onaangenaam. Alsof je door een reuzenhand voorzichtig naar binnen gedragen wordt. Soms beeld ik me in dat Gods hand me de club in draagt. Je ruikt de verschaalde lucht van bier, parfum en aftershave, zweet, stoffig pluche vermengd met haring en kaviaar. En daarbovenuit: de uitjes. De eerste avond moest ik huilen, dat kwam van de uitjes, maar nu huil ik niet meer van uitjes.

Jean Pauls aanbod kwam indertijd als een geschenk uit de hemel. Natuurlijk was Rick er op tegen, maar Yoo Yak stond bekend als een nette tent en dat Rick en ik Jean Paul nog kenden uit onze Amsterdamse studietijd hielp. Dat Rick geen ene rooie rotcent verdiende met zijn bedrijfje hielp ook. En dat ik eindelijk een geldig excuus had om ‘s avonds zo weinig mogelijk thuis te zijn gaf de doorslag. Tot Senna kon ik me nauwelijks voorstellen hoezeer je eigen kind agressie kan oproepen en je tot waanzin kan brengen. Na een half jaar kon ik me niet voorstellen hoe ik ooit naar het moederschap verlangd had. Ze was een huilbaby, en daarvan had ik natuurlijk wel gehoord, maar ván een huilbaby horen is heel iets anders dan een huilbaby horen. Sinds Senna is het thuis net de 24 uur van Le Mans; dag en nacht een kort, stationair janken in hoge toerentallen opschakelend tot lange stukken oorverdovend gillen. En altijd aan de racekak, een eindeloze stroom zure diarree, slechts met de grootst mogelijke inspanning af te poetsen van die uitgebeten billetjes in een kleur die net als dat door het constant protest geteisterde, ouwelijke gezichtje, nog het dichtst in de buurt komt van Ferrarirood. Ik herken Finster aan zijn bodyguards die hij blijkbaar zelfs hier, in een besloten club met privé bewakingsdienst, nodig heeft of denkt te hebben. Hij is natuurlijk een nar, of zo je wilt een dorpsgek. Eigenlijk eerder dat laatste, want hoewel ik er vanaf de eerste tekenen van zijn opkomst van overtuigd was dat hij een geraffineerd spel speelde lijkt hij steeds meer te gaan geloven in zijn eigen martelaarschap. Wat dat betreft heeft hij veel weg van de mensen die hij zegt te bestrijden. Ik denk dat er altijd wel iets is om te bestrijden voor de Finsters van deze wereld. Acht maanden werken in Yoo Yak heeft me meer geleerd over de drijfveren van politici dan vijf jaar politicologie aan de UVA. Principes heb je nodig in het publieke debat, maar dat zet zich besloten bij ons voort met gebruikmaking van andere middelen. Onder invloed van alcohol ontspant alles en de primaire behoeften worden duidelijk. De principiële politicus strijdt door weerstand te bieden, zijn pragmatische collega wil graag buigen, meegaan met de stroom. Dat kan bij ons allemaal. De sportschooljongens zetten de schaal op tafel. Finster buigt zich als eerste over me heen. Hij negeert de gebruikelijke nerveuze grappenmakerij van de overige deelnemers en neemt een stukje haring van mijn tepel. Dan kijkt hij me plotseling recht in mijn ogen aan. Hoewel een dergelijke inbreuk op de regels van Jean Paul ondenkbaar is kan ik niet anders dan vragen:“…Uitje?” Finster Politici komen alleen in Yoo Yak op de erotische haringparty omdat de drankjes gratis zijn. Ik heb de club principieel nooit bezocht, maar Raaff van der Linden wist me mee te tronen vanwege zijn vijfentwintig jarig jubileum als kamerlid voor de Gereformeerde Volks Partij. Zo’n integere collega kun je niets weigeren. Toen ik binnenkwam en haar zag liggen op de schaal, in een soort parodie op een Bijbelse scène, wist ik dat zij me niet herkende. Ze was misschien net twintig toen ik haar voor het eerst zag. Zij en haar vriend waren zo klef als natte broodjes. Heel atypisch; de meeste kunstacademiestudentes lieten zich ieder weekend door een andere corpsbal of young executive fêteren en vervolgens, voor wat hoort wat, pakken, om op maandag uitgebreid te bespreken hoe afstotelijk hun kleinburgerlijke dates nu wel weer niet waren. Doorgaans hadden ze geen enkele belangstelling voor de artistieke types die de fotoacademie bevolkten, noch voor mij met mijn stropdas. Yoo Yak ken ik al van ver voor mijn politieke tijd, van bijeenkomsten voor Raaff offshore, waar miljoenendeals werden gesloten. Baggeraars, betonboeren, bankiers, topambtenaren, ze hebben allemaal een voorkeur voor dit soort schemerige omgevingen. Niemand die achteraf toegeeft er bij te zijn geweest. Samen in hetzelfde clandestiene, moreel lekkende schuitje, fijn zonder kompas varen op de koers van dollar en euro. De toekomst van dit land wordt echt niet in vergaderzalen bepaald. Jean Paul heeft meer invloed dan welke commissievoorzitter ook. Jona Een uitje is het zeker geworden. Het wordt licht aan de oostkant van de stad. Ik sta naast Finster voor een onduidelijke deur in een onbestemd straatje. De gepantserde auto zoeft weg zodra we naar binnen stappen. De ongeschilderde houten wenteltrap, afbladderende muren, kattengrit knersend onder mijn Allstars, de geur van pis en oud behang. Ik voel me tien jaar terug in de tijd. “Heel Nederland denkt dat jij al jaren in een bunker zit. Wie woont hier nog meer?”                                                

“Van Binsbergen, ehh hoe heten die anderen”, grapt hij. “AIVD’s finest. Vijftien bordjes naast de bel, bewoners komen en gaan, jonge jongens, niemand die daarop let. In de straat zijn ze al lang al blij als ze géén last van studenten hebben. Als dit geen safehouse is, wat dan wel?” Hij gaat me voor, knipt het licht aan. “Welkom in het heilige der heiligdommen”.                                                      

Een balkenplafond vol schaalmodellen van jachtvliegtuigen. Een reproductie van Escher; metamorfose. Op de tafel een halve fles Grappa, een schaar en een klein doorzichtig tubetje lijm. Een porseleinen beeldje van een poes met een zwaaiende rechterpoot; Happy 2004, June Garden. Aardappelkistjes gevuld met boeken van wand tot wand. Gifsla. ”Ik vind jou niet het prototype Wolkers-fan”. “Oh, dat was ik wel. Ik heb hem zelfs eens opgezocht. Natuurlijk wilde hij me niet ontvangen, onverbeterlijke ouderling van de Dierenkerk als hij was.” Zijn grijns verstrakt. Hij is dus echt zo, denk ik. Geen rol. Op de een of andere manier is het vertederend. Plotseling beukt hij met beide handen op Knut, de kleine IKEA-tafel.“Bekeerlingen zijn het ergst. Die man, die altijd opkwam voor aangespoelde zeehondjes, kapotte zeemeeuwen en platgereden egeltjes, zette zijn bezoek kreeft voor, zwezerik, of Texels zuiglam, wist je dat? En dát soort nonsens… dat is dus wel de reden. Dat is waarom ik hier zit! In een studentenkot, op kamers voor hoe lang.. God mag het weten..” Hij kijkt me aan, dodelijk vermoeid. “Dit is.. een vergissing. Ik ben het niet meer gewend, bezoek. Ik zit hier meestal maar wat in mijn eentje. Misschien ben ik gewoon te oud voor het studentenbestaan.” Ik glimlach dat ik het begrijp. Ik leg mijn hand op zijn arm. Ik stap de overloop op en trek de deur voorzichtig achter me dicht. Ik stommel de trap af. Een medebewoners komt me energiek tegemoet, geluidloos, twee treden tegelijk. Hij botst hard tegen me aan. Ik sta ineens plat tegen de klamme muur gedrukt, iets metaligs koud in mijn nek. Mijn arm pijnlijk verdraaid op mijn rug, meer verbaasd dan geschrokken. Finster’s schreeuw. “Nee! Ze is OK!” Op slag laat de student me los en verdwijnt. Finster komt dichtbij. Zijn hand wrijft over mijn rug. “Sorry, de code was niet ingetoetst. Het is voor mijn veiligheid.” Ik verslikte me in mijn antwoord en staar naar de kale trap. De rondjes in het stof op de treden. Tranen? Dat is erg lang geleden. Ik haal diep adem, maak me los en zeg: “Ik geef je mijn nummer. Bel me.” Finster Dit is inderdaad de beste plek. Geen dierenactivist komt sinds de grote aanslag op Artis ook maar in de buurt van een dierentuin zonder onmiddellijk opgepikt te worden door de camerabewaking. De biometrische signalering doet de rest, het AT trackt je in een straal van dertig meter en pakt je binnen tien minuten op.    Het geeft me een vreemd soort vrijheid om hier te lopen, de vrijheid van de astronaut die temidden van een oneindig groot en ongastvrij universum in zijn eigen kleine biosfeer ronddrijft. Wel weer eens wat anders dan het gezelschap van drie opvallend onopvallende jongens met RF-implants. In het zeeaquarium kun je in de onderwatertunnel onder de vriendelijke blik van de lederschildpad oplopen met een traag langswiekende reuzerog. De hoekige, norse steur wordt hier niet voor haar eitjes vervolgd en gaat haar eigen prehistorische gang. De dolfijnen vind ik nogal oppervlakkig. Je kunt met ze zwemmen, als je maar betaalt, dat soort. Jona wilde, met een weinig subtiel gevoel voor symboliek, met me afspreken bij de laatste orka in gevangenschap. Ze zoekt haar elke week op, vertelde ze. Een ook dat het heel intelligente dieren zijn, ze beweert een speciale band te hebben met deze vis. Bonito is een soort tonijn, en dat is natuurlijk een knettergekke naam voor een orka, zeker voor een vrouwtjesorka. Orka’s zijn zwart en wit, met een witte vlek boven het oog; ze zou beter een Hollandse naam als Bles of Moortje kunnen hebben. Ik zie Jona, met achter zich een kleine rode wandelwagen van waaruit een onwereldlijk gekrijs opstijgt. Eerst denk ik dat het de orka is; zo’n ijl gepiep van metalen platen die langzaam langs elkaar schuren. Muziek voor walvisknuffelende yogafeministen op bekkenstabiliserende skippyballen. Dan de dreun. Een oorverdovend kabaal van versplinterend hout en brekend glas.Iedereen krimpt ineen. Je denkt na vier oktober meteen aan een explosie; het gapende gat aan de Plantage Middenlaan is er nog altijd. Alles balt zich samen in één hyperrealistisch moment. Iemand lacht. Jona? Driehonderdduizend liter zeewater stuitert als een Tsunami op schaal tegen de muur en recht in mijn gezicht, trekt zich dan klotsend terug. Ik schud het water uit mijn ogen en zie de kinderwagen halverwege de trap naar het panoramadek liggen. Een paar meter voor me de enorme zwart-witte kop van de zwaardwalvis, die lijkt te happen naar adem, bloedend, omspoeld door troebel water, waarop een witte plastic regenjas als in een slechte horrorfilm vertraagd meegolft. Zat Jona niet net nog haast plat tegen die glazen wand? Ze fluisterde tegen de Leviathan die, tot mijn stomme verbazing, op de bodem van de immense tank lag met één treurig, ondoorgrondelijk oog vlak bij haar gezicht.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

DE NIEUWE LICHTING: ELI ELISE HOOPMAN

Door Eli Elise Hoopman

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Deel 3: Eli Elise Hoopman met COEN – Wat vooraf ging, een fragment uit haar roman-in-wording.   […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper