Essay

De das van Louis

Door Jeroen Pen
21 december 2010

Optimist-redacteur en Ajaxliefhebber Jeroen Pen stond oog in oog met zijn held en beleefde daarbij een moeilijk moment. Naar aanleiding van deze ervaring reflecteert hij op heldendom, idolatrie, supportersliefde en een roodwitte stropdas.

Een grijs pak draagt hij, een wit overhemd eronder. Daarover een rode das met witte spikkels. De witte spikkels besluit ik te negeren, hier zit een man die over zijn kostuum heeft nagedacht. Met een beetje fantasie zou je kunnen zeggen dat hij een Ajaxtenue draagt. We hebben het hier natuurlijk wel over een ijdele man, die normaal gesproken niets aan het toeval overlaat. Ja, hij draagt de kleuren van mijn club. Het patroon klopt. Zonder dat ik er erg in heb verschijnt er een glimlach op mijn gezicht. Ik kan me de laatste keer dat ik om zoiets onbenulligs heb gelachen niet herinneren. Mijn mond blijft als een gapend gat achter, mijn mondhoeken gaan zonder echte aanleiding steeds verder uit elkaar. Ze lijken de centrale verdedigers van Ajax wel.

Het gebeurt niet vaak dat ik in dezelfde ruimte ben als een van mijn helden. Mijn idolenbestand bestaat vooral uit overleden rocksterren, gesneuvelde wereldverbeteraars en middelbareschoolleraren die ik om uiteenlopende redenen uit het oog verloren ben. De meeste voetballers vind ik geen helden. Het zijn vaak te vroeg rijk geworden campingtypes, of doodnormale jongens die net zo goed je buurman hadden kunnen zijn. Dat zijn voor mij geen helden. Echte helden verschaffen je de ruimte tot mythologiseren. Zijn ergens heel goed in, maar dragen – tegen wil en dank – ten alle tijden hun aura van mysterie als de rots aan de rug van Prometheus bij zich, zodat je nooit écht begrijpt wat ze nou zo goed maakt. Dat maakt het mogelijk om met gelijkgestemden urenlang te filosoferen of discussiëren over het hoe en waarom, steeds dieper gravend in een stuk grond dat niets meer met de held in kwestie te maken heeft, maar puur en alleen te vinden is in de verbeelding van de aanhangers. Echte helden herken je aan je eigen drang er meer van te maken dan het eigenlijk is. Over hoe een roodwit gestippelde das in combinatie met een wit overhemd mijn gedachten op hol brengen, en de pijnlijke realiteit.
De bedoeling van het tv-programma is dat niet alleen de interviewer, maar ook het publiek – bestaande uit studenten en wat stiekem naar binnen geglipte journalisten – de vragen aan de gast stelt. Wie een vraag heeft, moet opstaan en krijgt dan vanzelf de kans deze te stellen. Ik zit links achterin, ben niet goed zichtbaar voor de druk ronddravende tv-technici. Ik besluit direct op te staan, om de kans te vergroten dat ik aan de beurt kom. En omdat je het lot nu eenmaal beter staand tegemoet kan treden. Kin omhoog, borst vooruit. Ik ben er klaar voor.

Een kleine anderhalf uur later is de moed mij in de schoenen gezonken. Letterlijk, zo lijkt het wel. Mijn voeten doen pijn van het staan, mijn benen worden steeds stijver van de soldaatachtige houding die ik heb ingenomen. Ik heb inmiddels herhaaldelijk diep gezucht als er weer een geluidsman langsliep, tientallen malen knipperend oogcontact gezocht met passerende redactiemedewerkers, tevergeefs getracht een gesprek aan te knopen met een kalende, nukkige cameraman. Voor in de zaal heeft onderhand bijna het hele opengetrokken blik aan langharige studentenvereniging leden de kans gekregen om de ene na de andere debiele vraag te stellen. Waarom behandelt u journalisten niet net zo tegemoetkomend als uw eigen spelers, meneer Van Gaal? En wat vindt uw vrouw daar van? Ja, vertel eens, wat vindt Truus? Heeft u nog tips voor beginnende trainers? Heeft u nog tips voor ons studenten? Zit u eigenlijk wel lekker? Wat voor blad leest u het liefst in de wachtkamer? En als dat nou uit de leesmap is gescheurd?
Ze begrijpen er niets van, die paljassen voorin. Een held vraag je naar zijn visie op het leven, en zijn plannen voor de toekomst. Van immens belang is ook dat je laat doorschemeren dat hij je held is.

Idolatrie schijnt meestal tijdens of vrij kort na de puberteit te stoppen. Zodra je er eenmaal achter komt wie je zelf eigenlijk bent, is er geen enkele reden meer om je continu te spiegelen aan een ander. Om tijdschriften te kopen puur omdat je held er in een korte rubriek over zijn favoriete gerechten uitlegt dat spruitjes wel degelijk lekker zijn, mits je er maar genoeg citroensap over heen mietert. Het ledenbestand van jongerenculturen verandert zo rond de vijf jaar ingrijpend, als de oude garde er genoeg van krijgt. De posters worden van de muur getrokken, belanden in een doos die puur als tussenstop fungeert: de vuilnisbelt is vrijwel altijd de eindhalte.
Zo sneuvelen idolen, maar helden blijven bestaan. Grof gezegd zijn idolen personen die je wil zijn, helden mensen die ergens toevallig heel goed in zijn, aldus de Van Dale. Mijn moeder wil, al zou het nog kunnen, geloof ik niet meer met John Lennon trouwen. Ik hoef niet meer in de voetsporen te treden van mijn idool. Het trainerschap van mijn favoriete voetbalclub is geloof ik niet helemaal voor me weggelegd, en daar kan ik best mee leven. Kanttekening is dat ik geen voetballiefhebber ben, maar voetbalclubsupporter. Ik heb ooit gezworen dat altijd te blijven, en ik ben van plan voet bij stuk te houden. Supporterscultuur is in feite een uit de hand gelopen jongerencultuur. Aan de hand je vader ga je op jonge leeftijd een keer bij je cluppie kijken. Je betrapt jezelf erop dat je meer naar die stoere, schreeuwende jongens achter de goal zit te gluren dan naar de wedstrijd. Daar wil je later bij horen, zo wil je worden. Dus leer je jezelf de liederen en de tradities aan. Tot je elke thuiswedstrijd zelf in het vak achter het doel staat en eigenlijk niet meer beter weet. Ergens in het stadion zit altijd een jongetje naast zijn vader. Hij kijkt nu naar jou en je vrienden en denkt, ja, daar moet ik zo snel mogelijk bij horen.
Hierom is liefde voor een voormalig werknemer van je club een triviaal iets. Je houdt van hem (of in een enkel geval haar), omdat hij iets speciaals voor de club heeft betekend. Op een eerlijke, oprechte manier. De held in kwestie raakt verbonden met de identiteit van je club. Omdat je meer van je club houdt dan van je held kan een eventuele botsing tussen beide als een persoonlijke belediging voelen. Toen Van Gaal Ajax verliet, deed dat bij bijna iedereen even veel pijn. Omdat hij bij ons hoort. Toen, nu, en in de toekomst. Louis is witroodwit, dat weet iedereen.

Ik schrik op als er een geluidsman in de buurt komt staan. Hij mompelt iets tegen me. Ik versta er geen woord van, maar begrijp dat ik bijna aan de beurt ben. De spanning neemt toe. Ik onderneem een verwoede poging om het antwoord op de zoveelste kul vraag over sportjournalisten te horen, maar het heeft geen zin meer. Ik formuleer nog één keer de vraag in mijn hoofd, dan zie ik een microfoon voor mijn ogen dansen. Hij bungelt net te hoog om er in te kunnen spreken. Ik voel me een hond die een koekje uit de iets te hoog gehouden hand van zijn baas probeert te happen. Ik schraap mijn keel en begin te spreken. In boeken zou dit een moment zijn waarop mijn stem klinkt alsof hij aan een ander toebehoort, maar tot mijn ergernis lijkt de hese stem die zich tot Van Gaal richt op niemand anders dan de mijne.
‘Meneer Van Gaal, ten eerste wou ik u graag bedanken voor alles wat u voor mijn club, Ajax, heeft betekend. U bent helaas met ruzie bij ons vertrokken. Ik vroeg me af of u, nu de toenmalige bestuurders die u een hak gezet hebben zijn vertrokken, misschien ooit weer – in wat voor functie dan ook – voor Ajax zou willen werken?’
Ik vouw mijn handen met gestrekte vingers tegen elkaar, alsof ik aan het bidden ben. ‘Alstublieft’, voeg ik jolig toe. Een ijsbrekertje. Ben ik goed in, al zeg ik het zelf. Het publiek lijkt ook blij te zijn met veruit de zinnigste vraag van de laatste anderhalf uur, want een luid applaus en hier en daar zelfs wat gejoel vallen mij ten deel.

Dan begint het. Hij spreekt de zaal toe, niet mij. Met barse stem ontsteekt hij in een furieus betoog over het onrecht dat hem zes jaar geleden is aangedaan. Toen puntje bij paaltje kwam koos men niet voor hem, de technisch directeur, maar voor de toenmalige trainer: een buitengewoon onkundige passant. Slechts even lijkt hij zich tot mij te richten. Hij had bij andere clubs wel tien of twintig keer zo veel kunnen verdienen, maar koos voor Ajax. Dat je niet denkt dat ik niet van de club hou, lijkt hij te willen zeggen. Emotie en irritatie wisselen elkaar in razend tempo af.

Het lijkt maar niet te stoppen. Afgewezen worden in de kroeg of in een discotheek is tot daar aan toe, maar en public door je held is een heel ander verhaal. Ik geloof niet dat ik ooit zo beteuterd heb gekeken. Nadat hij – eindelijk! – zijn verhaal heeft afgerond, krijg ik de microfoon nog een keer in mijn gezicht geduwd. Ik denk drie tellen na. Wat doe je als iemand je in een volle zaal finaal afschiet? Als die iemand je idool is?
Gekrenkt als ik ben, richt ik me eerst tot de presentator. ‘Ik vind het erg jammer dat Louis door het toenmalige bestuur zo gekwetst is.’
Waardigheid jongen, waardigheid. Niet aanvallend spel, een hautaine houding en een volle prijzenkast zijn de drie dingen die ik liefheb aan mijn club, maar waardigheid, klasse en stijl. Zo hoort Ajax te zijn. Daar is Van Gaal normaal gesproken zelfs de belichaming van.
‘Dat vind ik echt heel erg,‘ vervolg ik. ‘Maar ik, en veel andere supporters, zullen altijd van u houden. Ik zie je graag terugkomen, man.’
Ai. Ik zei ‘man’. Te informeel. Slik.
Tientallen vrouwenkelen produceren het geluid dat vanuit jongensstrotten ‘sukkel’ zou betekenen, maar nu moet aanduiden dat ik ‘lief’ ben. Of medelijden verdien. ‘Aaaah’, schalt er door de zaal.

Vijf minuten later schuifel ik ietwat beduusd de zaal uit. De das is niet meer rood, maar gewoon rood met witte stippen. En toch. Afwijzing of geen afwijzing, ik merk dat ik voor Van Gaal nog steeds dezelfde mix van bewondering en ontzag koester als een kleine twee uur geleden. Da’s nog een kenmerk van echte helden, die komen met zoiets gewoon weg.

Lees meer van

De kick van iets moois

Door Jeroen Pen

Een interview met scheidend hoofdredactrice en opper-Optimist Miriam van Ommeren. ‘Zet er anders boven: ‘een indringend profiel van iemand die een of ander websiteje heeft opgericht’,’ zegt ze grijnzend. Ze zit op de bank in haar appartement in Amsterdam Oud-West. Het is het type woning dat ruimtelijk hoort te zijn, ware het niet dat er […]

Lees meer uit de categorie Essay

Papa Soprano

Door Henk van Straten

Beeld: (c) Het Internet The Sopranos: mocht u deze langlopende HBO-serie over een rijk en modern, doch disfunctioneel Italiaans-Amerikaans gezin niet kennen, dan heeft u waarschijnlijk de afgelopen negen jaar in een Belgische kelder opgesloten gezeten. Of u houdt gewoon niet van goede televisie, dat kan ook. Whatever floats your boat, zou ik willen zeggen. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper