Kort verhaal

De dag van morgen

Door Kim Westerweel | beeld: Jaron Beekes
26 januari 2011

Het was alweer even geleden sinds de dag was aangebroken, maar Katya Petrovna lag nog in bed. Door het enkele raam van haar zolderkamer scheen de zon vrij naar binnen. Voor het raam hing geen gordijn dat het licht had kunnen dempen, de slaap verlengen, de nacht bewaren. Na ieder nieuw etmaal viel de dag opnieuw naar binnen, als een ongenode gast die pertinent weigert zijn sleutel in te leveren. Steeds nam Katya zich voor er iets aan te doen: de maten op te nemen, stof uit te zoeken, het gordijn te zomen, op te hangen. Vroeger zou ze haar hand voor zo’n klus niet hebben omgedraaid, toen haar dagen nog bestonden uit een volle agenda en takenlijsten die zo lang waren dat ze op een natuurlijke manier efficiëntie afdwongen. ‘If you want to get something done, ask a busy person,’ had ze ooit ergens gelezen. Maar druk had ze het al lang niet meer en zo kwam het dat de dag haar ook vandaag weer vroeg had gewekt, namelijk precies op het moment dat de zon over de huizenrij aan de overkant van de straat heenkrulde en haar met de eerste bundel licht vol in haar gezicht had geraakt. Met het snelle stijgen van de zon verplaatste ook het licht zich, van het hoofd- naar het voeteneinde van het bed, vanwaar het zich verder verbreedde naar de rest van de kamer: voorbij de deur van het halletje dat toegang verschafte tot de kleine keuken en nog kleinere badkamer, over de dubbele stellingkast langs de muur, het bescheiden bureau met de rotan stoel, de kleine televisie, de kledingkast in de hoek. Katya draaide zich nog eens om, maar kon de slaap niet meer vatten. Ze draaide zich op haar rug, met één arm onder haar hoofd, het donzen dekbed in zacht knisperende plooien nog iets strakker om zich heen getrokken.

In de geborgenheid van dat nest dacht ze na over de dag die voor haar lag. Ze zou in ieder geval boodschappen moeten halen. Het enige wat ze nog in huis had, waren een blikje tomatenpuree, twee crackers en een restje chocopasta. Katya keek de kamer rond – naar de papieren op het bureau, de stapel wasgoed op de vloer naast de stoel, de verse, opvallend stofvrije vlek ter grootte van Joni Mitchell op de plank waar ze haar cd’s bewaarde – en constateerde dat er ook nodig weer eens gepoetst moest worden. Zo groot is die kamer niet. Vandaag ga ik er eens stevig tegenaan. Vanuit haar bed keek ze door het zolderraam naar buiten, naar de clichématig blauwe lucht , zo volstrekt wolkeloos dat het blauw, bij gebrek aan contrast, een bleke, bijna witte kwaliteit kreeg. Een gesprek tussen twee voorbijgangers dwarrelde in flarden omhoog, van de straat naar haar raam. Een tram reed bellend voorbij. In de verte klonk het ruisen van de snelweg. Iedereen was ergens mee bezig, of op weg ergens naartoe. Iedereen had een ergens om naartoe te gaan. Beneden in het trappenhuis klepperde de brievenbus. Katya nam zich voor om zo dadelijk eerst de post te halen. Wat de vraag opwierp of ze dan eerst zou douchen. Ze had er een hekel aan om buren tegen te komen in het trappenhuis, buren die haar in stilte veroordeelden, om haar verslapen verschijning, haar onverzorgde trap, haar onproductieve bestaan – ze zag het aan hun blikken, ze voelde het, ze wist het zeker. Zoals de gereserveerde mevrouw Koen-Lammers, die zich slechts zelden liet zien, maar wier ogen Katya door het spionnetje voelde loeren, telkens wanneer ze de deur op de tweede verdieping passeerde. Een keer was Katya voor die deur stil blijven staan en had van buitenaf door het spionnetje teruggekeken. Hoewel ze niets had kunnen zien, was ze ervan overtuigd geweest de stilte van een gestokte ademhaling van achter de deur te kunnen horen. Nee, beter was het om eerst te douchen. Katya keek op de wekkerradio op het tafeltje naast het bed. Half elf. Denkend aan de taken die voor haar lagen, besloot ze nog even te wachten. Er is nog genoeg tijd om alles te doen. Het douchen zou haar ongeveer een half uur kosten. De post pakken. Tien minuten. Boodschappen doen. Een uur. Lunchen. Schoonmaken. Een uur. Met de stellingkast erbij, twee. Was in de machine doen. Ze bedacht zich dat er nog een was in de machine zat die ze eerst nog zou moeten uithangen. Katya zuchtte maar eens en draaide zich op haar zij. Eigenlijk moest ze vandaag ook Marie bellen. Die had een paar dagen geleden een bericht ingesproken. Wanneer spreken we weer eens iets af. Het was inderdaad alweer een tijd geleden. Met een traag gebaar reikte Katya over de rand van het bed naar de vloer en pakte haar mobiele telefoon. Zodra ze hem aanzette, begon het ding te piepen. ‘U heeft één nieuw voicemailbericht’, las ze. Met een gevoel van weerzin zette ze haar telefoon uit en draaide zich op haar rug. In die houding lag ze een tijdje stil te luisteren naar het koeren van de duiven op de rand van de dakgoot, aan de buitenkant van het raam. Hoewel ze probeerde er niet aan te denken, vroeg ze zich af wie er ingesproken zou hebben. Het kon haar moeder zijn geweest, of Marie natuurlijk. Erg zou dat niet zijn. Maar de gedachte dat ze iemand terug zou moeten bellen, weerhield haar ervan om haar telefoon opnieuw te pakken en het bericht alsnog af te luisteren. Naast het bed lag een stapel boeken die ze allemaal nog moest lezen. Bovenop lag een dik boek van een beroemde Russische schrijver. Het was haar aanbevolen door Marie, die er naar men zei verstand van had, maar omdat het zo dik was, zag Katya er al maanden tegenop om erin te beginnen. En ook nu greep ze liever naar de stapel met tijdschriften. Die lagen ook al weer geruime tijd naast haar bed en waren inmiddels grotendeels verouderd, maar omdat ze nog niet alle artikelen had gelezen, kon ze zich er niet toe brengen ze weg te gooien. Katya bladerde door een oude editie van een dik cultuurtijdschrift en dwong zich vervolgens om de stukken te lezen, één voor één. Systematisch werkte ze zo het blad door, van voor naar achter, met het voornemen het vandaag helemaal uit te krijgen. Even voorbij de helft, echter, middenin een artikel over de filosofische wortels van een Oost-Duitse levenskunstenaar, voelde ze dat haar ogen dichtvielen en legde ze het blad met de rug naar boven naast zich neer, draaide zich om en viel in slaap. Tegen de tijd dat ze wakker werd, was het al half drie in de middag. Katya rekte zich langdurig uit en stond met tegenzin op. In het kleine keukentje besmeerde ze de twee crackers met het laatste beetje chocopasta. Ze at werktuiglijk, zonder smaak. Ze was zich vaag bewust van een gevoel van ontevredenheid, van onbehagen over het feit dat de dag haar aan het ontglippen was. Maar als een touw met een zware last dat eenmaal is begonnen te glijden, kon ze er niets meer tegen doen, of zo scheen het haar toe. Weer terug in de kamer had de zon haar lange boog naar het andere einde van de straat inmiddels bijna voltooid. In het donkerende licht dansten duizenden stofdeeltjes. Katya pakte haar laptop van het bureau, ging ermee op bed zitten en klapte hem open. Tegen de tijd dat ze alle nieuwe berichten had gelezen die haar virtuele vrienden in het afgelopen etmaal op hun hyves- en facebookpagina’s hadden geplaatst, was het kwart voor vijf. Nu heeft het zeker geen zin meer om naar de winkel te gaan, stelde ze vast. En het licht is al zo goed als verdwenen, dus ook poetsen heeft weinig zin meer. Ze zette haar telefoon weer aan en belde de pizzeria. Bij de vriendelijke jongen bestelde ze pasta carbonara en een fles rode wijn. Toen de pasta kwam, at ze die op bed, terwijl ze met de afstandsbediening langs de televisiekanalen zapte. Bij de pasta dronk ze twee glazen wijn, en daarna nog twee. Buiten was het inmiddels helemaal donker. De duiven waren stil geworden. Vanuit haar bed keek Katya achtereenvolgens een kookprogramma, een soapserie, een journaal, een actualiteitenprogramma, een film en toen nog het staartje van een ander actualiteitenprogramma. Naast het bed stond het lege aluminiumbakje met de witte resten van de pasta en de saus. Daarnaast de lege wijnfles. Zo viel Katya Petrovna uiteindelijk weer in slaap. De laatste gedachte die ze had, nadat ze de televisie met de afstandsbediening op stand-by had gezet en zich op haar zij had gedraaid, het dekbed hoog opgetrokken tot vlak onder haar kin, was: morgen moet ik er eens stevig tegenaan, echt.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Stijlestafette: Howl

Door Harm Hendrik ten Napel

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Ik zag de gemiddelde geesten van mijn generatie kloten met een fietsslot, verdrietig piekerend en koud,             zich over blanke kinderzitjes hangen ‘s nachts op zoek naar een heilzame sleutel,             slap kotsende millennials verlangend […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper