Essay

Een bepaald soort deernis

Door Vincent Terlouw
26 januari 2011

Het pessimisme aan de hand van Hermans

Oh doorschijnende droefenis, oh treiterende treurnis, oh kakelende kwelling, oh lusteloos leed, oh perfide pijn, oh smartelijke smart, oh klevend kruis, – en nu verlaat ik mijn alliteratiedrift – oh lieve moeder, het begin van een nieuw jaar; zere botten, zere kop, wederom neergekletterd op vakje 1 van het ganzenbord na die kortstondige overwinningsroes (het einde te hebben gehaald!), die verdomde put alweer in zicht, de nicotine gierend door mijn aderen (en door die van mijn buurman, want ook in dit nieuwe jaar staan we weer broederlijk zwijgend op ons territoriaal balkon met verwrongen gezichten te trekken aan onze levensgezellin  – en ik hoor het hem nog zweren hè, ik hoor nog hoe zijn speeksel de grond kuste, amper twee weken geleden), de echo van talloze gelukswensen, mijn netvlies gebrandmerkt met winterlandschappen, vermenselijkte huisdieren en champagne klinkende stelletjes op de melodie van beschimmelde Zweedse gehaktballetjes, alsof er wat te klinken valt… mag ik?
Het zou me iets te veel tijd en woorden kosten om het afgelopen jaar, 2010, maand voor maand met u door te nemen. Toch kan ik het niet laten een aantal, tja, hoe zullen we het noemen, ‘tafereeltjes’ op te voeren. Zo viel het kabinet Balkenende IV – achteraf gezien kan dit alleen als negatief worden geïnterpreteerd, want met wat voor zootje zitten we nu opgescheept –, verloor Nederland van Spanje de wk-finale waarna ons anders zo nuchtere volkje zich met rood-wit-blauw wapperende wangetjes onderwierp aan een masochistische orgie die zijn weerga niet kent en, natuurlijk, het onderwerp waar iedereen, inclusief Matthijs van Nieuwkerk, zich waagde aan een ouderwets potje superlatieven (ik superlatief, jij superlatieft, wij superlatieven): de kindermisbruikzaak met als hoofdverdachte ene Robert M.

De oplettende lezer zal roepen dat het overlijden van de schrijver, die in tegenstelling tot zijn al eerder heengegane collega Wolkers dacht dat zijn voetstap wél een echo zou achterlaten, minimaal toch even aangestipt mag worden – en ik heb hem nodig voor het vervolg van mijn betoog dus bij dezen. ‘Nu hoef ik alleen nog maar dood te gaan en dan kan het feest beginnen’, had Hij, Harry Mulisch, vlak voor zijn dood gezegd en een legertje fanatieke superlatievelingen wreef zich alweer in de handen en barstte in een spontaan orgasme uit na dat extra ingelaste journaal op die zondagochtend de 31e oktober.
Vele mooie en ontroerende verhalen kregen we te horen uit de monden van vrienden en familie tijdens diverse journaalitems, talkshows en de begrafenis zelve, welke voortaan zal worden vertoond aan filmacademiestudenten, richting regie. Wat me aan deze praatjes het meest opviel was het positivisme waar de man mee door het leven wandelde. Gerard Reve noemde hem niet voor niets ooit ‘feestneus Mulisch’. Dit overigens in een interview na het overlijden van Willem Frederik Hermans. Die twee, Reve en Hermans, – drie doden in twee zinnen merk ik op – zijn een tijdlang bevriend geweest en kwakten van 1947 tot 1959 in brieven hun zware gedachten op briefpapier tot Hermans het niet kon verkroppen dat Reve zich keerde tot de Heilige Maagd, en Reve niet begreep waarom Hermans zo bekrompen was tegenover zijn bekering.

Laatstgenoemden kunnen moeilijk beticht worden van positivisme, wat in besprekingen over De Grote Drie, als hét grote verschil met Harry Mulisch wordt aangedragen. Mulisch zelf brengt in Voer voor psychologen (1961) het pessimisme van Hermans en Reve in verband met hun puberteitsjaren, die gepaard gingen met de constante dreiging van een oorlog die roet in het eten zou gooien. Voor Mulisch, zes jaar jonger dan Hermans en een jaar of dertien toen de oorlog begon, was de bevrijding echter altijd in zicht en daarom zou hij optimist zijn. Hermans zei in een interview met de journalisten Dirk Ayelt Kooiman en Tom Graftdijk dat Mulisch dat helemaal verkeerd zag (‘Hij ziet wel méér dingen verkeerd; ik neem hem dat niet meer kwalijk.’) Tijdens zijn opvoeding zou Hermans zijn volgepropt met ‘verschrikkelijk fijne oorlogen’ die hem deden verlangen naar kanonschoten en laag overscherend vlieggespuis. ‘Moet ik dan mijn hele leven doorbrengen zonder ooit iets van een oorlog meegemaakt te hebben?’ mijmerde hij.
Toch gaf hij achteraf in datzelfde interview toe ‘geweldig grote spijt’ te hebben van zijn hartenwens (Be careful what you wish for ’cause it might come true).

Toen de oorlog in 1940 begon, was dat net het jaar dat ik eindexamen deed en student werd. Dus toen werd net mijn hele studententijd er volledig door verpest. Toen die oorlog afgelopen was, was ik 23. Nou ja, ik heb in die tijd wel een heel merkwaardige kijk op de menselijke geest gekregen, die me nooit meer verlaten heeft. Dat moet ik wel zeggen. En dat beschouw ik nog steeds als een groot voordeel. Al die mensen die nu over straat hobbelen om de mensheid te verbeteren vervullen mij met een bepaald soort deernis. Ik weet dat dat niet mogelijk is.’

Heer Hermans, ik heb u natuurlijk nooit gekend, ik was negen toen u besloot voor de laatste maal een vuurtje op te stoken, maar vanmorgen las ik iets, nota bene in een zogenaamde kwaliteitskrant, waarin mijn angel voedsel vond voor de rest van de dag. Het gaat om het volgende: heeft u er ook altijd van gedroomd de wereld te verbeteren? Dan is dit uw kans, want ik geloof dat zelfs een dode het kan. Het is een opleiding (of eigenlijk: traineeship) die je opleidt tot heuse wereldverbeteraar, voor een mooiere wereld! Binnen drie maanden ga je samen met andere deelnemers een project realiseren, waar de wereld écht (Ja! Écht hoor!) beter, mooier, eerlijker of blijer van wordt!  Nog steeds niet overtuigd? Maar het is plezier voor iedereen! En de wereld verbeteren is leuk!

Leuk, alleen dat woordje ‘leuk’ staat me al tegen als een schaamhaar op mijn stukje zeep, maar om daar nou weer een alinea aan te verspillen… Nee, laat ik rustig een kopje koffie drinken, een sigaretje roken (oh, dag buurman) en proberen de wereldverbeteraar (in spe of niet in spe) te overtuigen van zijn malligheid, want ik zie er absoluut geen heil in. Ik zeg: vooruitgang is absoluut onmogelijk in deze wereld. Hoe lang zijn er al lieden bezig om ons planeetje om te toveren tot het walhalla waar kleine boosaardige schreeuwertjes veranderen in leed verzachtende cliniclowns, walvisvaarders in het onschuldige, in slaap gevallen vissertje aan de waterkant en dorstlijers met hun app (‘Dit is zo vet,’ zegt Alexander Klöpping) water uit hun telefoon laten sijpelen. Hoe lang al? Je had de Franse Revolutie, het Tiananmen-protest in 1989, de provo’s in de jaren ’60, je hebt socialisten, feministen, fundamentalisten, anarchisten en hervormers, je had Jezus, Che Guevara, Martin Luther King, je hebt de Dalai Lama, Barack Obama, de Nobelprijsgevangene Liu Xiaobo, je had Napoleon, Stalin en Hitler die zichzelf, want daar ben ik van overtuigd, ook wereldverbeteraars pur sang vonden. (Om over onze eigentijdse schreeuwlelijk nog maar te zwijgen.) Het is natuurlijk jammer dat bijvoorbeeld Barack Obama in Amerika, het land van de moedelozen, niets kan uitrichten. Maar diep in zijn hart wist hij dat al lang, ook toen hij die duizenden in tranen getooiden toesprak, en ze bezeten maakte. Het, let op, zal nooit veel beter worden. Aan de andere kant, veel slechter zal het ook nooit worden. We zullen als het boemeltreintje doorsukkelen van uiterste naar uiterste, met alles wat zich daartussenin bevindt en wat we weer snel vergeten.

Ter voorbereiding op dit geschrift herlas ik een aantal dagen geleden Nooit meer slapen. De roman waarin de student Alfred Issendorf in Noorwegen op zoek gaat naar kraters als gevolg van meteorietinslagen en, verrassing, dit alles loopt uit op een mislukking van jewelste. De roman ook waarin het pessimistische en existentialistische gedachtegoed vanaf de kansel spreekt met luide stem. Een angstaanjagend boek. Voor mij geen bloeddorstige muggen, uitputtende trektochten of ondraagbare rugzakken (al schuilen er hachelijke metaforen in) maar wel slapeloze nachten, waarin ik wakker lig van wat Alfred mij zo nu en dan toevertrouwt. Toen ik Nooit meer slapen voor het eerst las, dat moet zo’n jaar of zes geleden zijn geweest, zette dit boek mijn wereldbeeld (had ik toen eigenlijk al een wereldbeeld?) volledig op zijn kop. Aan de hand van Alfred dacht ik na over zijn twijfels, zijn angsten, de chaos in zijn hoofd, oftewel: mijn twijfels, mijn angsten en mijn chaos. Hij denkt te zoeken naar kraters, ik dacht te zoeken naar, jawel: geluk. (Freud zou zeggen dat het er niet om gaat gelukkig te worden, maar om ongeluk te bestrijden – maar dat wist ik toen nog niet.)
Hij denkt aan straks, wanneer zijn naam dik gedrukt in de boeken staat, wanneer hij zijn vaders eer hersteld heeft (zijn vader die omkwam tijdens een expeditie) tot hij, met mij in zijn kielzog levens inzichten begint te ontwikkelen:

Op dit moment gaat een tipje van de sluier omhoog die over het hele leven ligt: dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben en dat alle bewustzijn, alle wil, hoop en vrees alleen maar manifestaties zijn van het mechanisme waarvolgens de menselijke moleculen zich bewegen in de peilloze kosmische materiedamp.’ (Pagina 343: 30e druk)

Toen ik bovenstaand citaat voor het eerst las, op me in liet werken en nogmaals en nog eens duizendmaal las, werkte dit voor mij als een bevrijding. Een vreemd soort bevrijding wel, want ik wist dat wat ik dacht niet bepaald datgene was wat ik van huis uit had meegekregen. Dat het leven in beginsel zinloos is, dat we staan in deze wondere wereld, alleen, dat de dingen die gebeuren geen bedoeling hebben, dat het is en dat het blijft: een chaos. Een regelrechte chaos. Het zal niet voor iedereen even makkelijk te accepteren zijn, maar toch, wanneer iemand dit kan aanvaarden, en ik weet dat u het kan!, zal het pessimisme worden tot (en God vergeven me voor dit woord) een levenskunst. Ja, zoals de Franse schrijver Rostand het zo fraai verwoordde: ‘Ik ben zeer optimistisch over de toekomst van het pessimisme.’ Om daar dan mee af te sluiten. Zoveel positivisme! In één alinea! Ik zeg drie hoeraatjes! Hoera! Hoera! Hoera!

Over de auteur

Vincent Terlouw (1986) is schrijver, journalist en recensent. In zijn werk spelen thema’s als bevrijding, het maken van keuzes en de vraag hoe ver je mag gaan om wraak te nemen, een belangrijke rol. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman.

Lees meer van

De veren van Kryger

Door Vincent Terlouw

Pas op! Voor je het weet sta je naakt voor me! Niet wegrennen, of erger, die petsstok halen waar jullie tegenwoordig onder het mom van humaniteit wat volt aan hebben toegevoegd. Als ik dan toch moet kiezen prefereer ik de snelle mep boven geroosterd worden, dank u. Mijn broer, een ongelukkig groot uitgevallen exemplaar, had […]

Lees meer uit de categorie Essay

Groene Swarf

Door Leo van der Sterren

Onlangs is Erick Lee Purkhiser overleden. Wat een naam! Purkhiser! Wie heet er nu zo, en wie mag die gast Purkhiser dan wel niet wezen? Aangezien de sexappeal van de naam die van een klos garen met gemak evenaart koos Erick Lee Purkhiser, toen hij het plan opvatte om zich aan de openbaarheid prijs te […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper