Beeld Essay

Meer dan duizend woorden

Door Shinta Lempers
26 januari 2011


Beeld: © Rob Funcken

Portretschrijven houdt in dat je je fantasie loslaat op een foto.Wat zie je, wat gebeurt er buiten het kader, wat speelde zich voor en na deze momentopname af? Deze rubriek laat zien dat een foto inderdaad meer dan duizend woorden zegt. Tel maar.

In de krochten van het nachtleven

Ysbrand sloot de voordeur van zijn moeders woning. Links of rechts, herhaalde hij een aantal keer in zijn hoofd. Hij keek naar links. Langs de stoep stonden geparkeerde auto’s geduldig op hun eigenaar te wachten. Een parkje, een man in een gebroken wit jasje en met wandelstok tussen zijn benen geklemd zat geheel volgens de clichés op een bankje en keek naar de hardlopende en druk kletsende vrouwen. Rechts was de kauwgomballenfabriek, een afzichtelijk stuk beton dat, als het aan Ysbrand lag, vijf jaar geleden al onder de sloophamer was beland. Toch besloot hij rechtsaf te slaan. Hij telde de stoeptegels en zorgde ervoor dat hij na elke vijfde een stapje terug deed en bovendien aan de binnenkant van de stoep bleef lopen. De buitenkant, dat wil zeggen de kant waar de stoep aan het fietspad grensde, was riskanter. Hij kon met zijn elleboog een slingerende fietser raken of aangereden worden door een scooter. De stoepen waren aan de binnenkant ook schoner, aan de straatkant werd niet geveegd door de bewoners en het onkruid tussen de tegels had er nog nooit een scherp keukenmesje gezien.

Tijdens het tellen bedacht Ysbrand dat hij zojuist het huis verlaten had met een doel. Hij moest dan ook alles op alles zetten om dat doel te bereiken. Hij bleef met zijn linkervoet stilstaan op een tegel (vier) en forceerde zijn rechterbeen op de volgende, nummer vijf. Nu moest hij zijn linkervoet weer een tegel vooruit zetten zonder een stapje terug te doen. Ysbrand trok aan zijn been, het voelde loodzwaar, alsof hij een bierfust tilde. Zijn wangen begonnen te gloeien en zijn hart leek wel buiten zijn borstkas te kloppen. Toen lukte het hem eindelijk een paar stappen te doen zonder daarbij te tellen en zonder dat de neiging tot terugstappen zodanig overheerste dat hij er aan toegaf.

De kauwgomballenfabriek was vervallen en verboden gebied. Ysbrand keek omhoog. Hij had een hardgrondige hekel aan door menselijke ijver uit de grond gestampte gebouwen als deze. Levensgevaarlijk waren ze in zijn ogen. Ysbrand zou nog liever een jaar opgesloten zitten in het archiefhok tussen ringbanden en mappen, zonder enig menselijk contact, dan een voet in dit pand te zetten. Toch voelde hij geen vrees, maar een andersoortig gevoel. Controleverlies, de grilligheid die je in verlaten gebouwen overmeesterde als een dief in de nacht. Er gingen verschillende scenario’s door Ysbrands hoofd. Een tl-buis die besloot het plafond los te laten op het moment dat hij eronder stond, elektriciteitskabels die hem wurgden als een stalen spinnenwebben of een zwerver die doodgevroren in een hoek lag.

Maar het moest. En wel nu anders zou hij sterven als de man wiens lichaam na zijn dood door niemand geïdentificeerd kon worden. In zijn diepste fantasieën was hij iemand die je in de krochten van het nachtleven tegenkwam met een stuk in zijn kraag omringd door onbekenden en barpersoneel dat geboeid was door zijn verhalen. Over hoe hij een hoer had gered die op het punt van een blauw oog stond en hoe hij soms besloot een nachtelijke wandeling door een bos te maken en, met een zaklamp in zijn gezicht schijnend, spookverhalen vertelde aan zijn gezelschap.

Ysbrand klopte met zijn rechtervuist op zijn bovenbeen, tekende met zijn vingers een kruisje op zijn voorhoofd en schudde zijn hoofd bij wijze van ‘nee, er gebeurt niets ernstigs’. Het was een ritueel dat hij uitvoerde wanneer een nare gedachte in hem opkwam, bijvoorbeeld dat zijn moeder onder een bus liep of dat hij per abuis ontslagen zou worden omdat hij de archivering de aflopen maanden niet naar behoren had uitgevoerd en daar geen weet van had omdat hij aan vroegtijdige dementie leed. Hij klom tussen de opengesperde spijlen van het verroeste hek door en het leek wel alsof de kiezels onder zijn bergschoenen hem naar het pand duwden. Hij voelde of zijn mobieltje nog in zijn borstzakje zat en bedacht wie hij in een noodgeval moest bellen. Zijn moeder? Nee, die zou in paniek raken en niet meer in staat zijn actie te ondernemen. De politie? Die zouden hem kunnen beboeten voor het zich bevinden op onbevoegd terrein. Hij zou een strafblad krijgen. Jezus, waar was hij aan begonnen?

Het gebouw had zware bordeauxrode deuren. Ze hadden de tand des tijds goed doorstaan, er waren amper sporen van verwaarlozing te zien. Wilde klimop omhelsde de deuren, alsof het ze wilde beschermen. De deur was natuurlijk niet open, en toen Ysbrand dat ontdekte voelde hij zich een sukkel. Een kapotgeslagen ruit als de vanzelfsprekende enige ingang maakt de zweem van geheimzinnigheid compleet. Ysbrand wikkelde zijn jasje om zijn arm en sloeg de hoeken glas uit een grote ruit. Voor de tweede keer deze avond verschafte hij zichzelf op een illegale manier toegang tot iets, overtrad hij de regels. Hem bekroop een unheimisch gevoel, maar tegelijkertijd gutste er een hittegolf door zijn lijf, een soort tinteling die hij nog nooit ervaren had maar hem energie gaf en moed om door te gaan.

De grote ruimte werd ietwat verlicht door de hoge lantaarnpalen voor het gebouw. Ze schenen lange stekende stroken kunstlicht naar binnen. Ysbrand keek om zich heen. Afgebladderde muren, kapotte vloertegels, schimmel in het plafond, het zag er allemaal zo uit als je zou verwachten. Theoretisch klopte het plaatje. Hij beredeneerde dat de kans dat hem hier iets zou overkomen niet groter was dan de kans dat hem buiten het gebouw iets zou gebeuren. Toch moest Ysbrand voor elke dichte of halfopenstaande deur een kruisje maken en op zijn rechterbovenbeen kloppen. Hij probeerde vooruit te kijken maar tegelijkertijd zijn ogen naar uiterst links en rechts te laten rollen, zodat niets in de blinde hoeken hem kon verrassen als een blikseminslag.

Iedere ruimte had mettertijd hetzelfde uiterlijk gekregen, het geheel was niets dan ordelijk, het was hierbinnen misschien wel voorspelbaarder en georganiseerder dan in zijn vertrouwde archiefhok. Stilaan werd het licht. Ysbrand keek niet meer over zijn schouder of in zijn ooghoeken en een kruisje had hij al uren niet geslagen. Waar hij ‘s avonds op straat zijn oren spitste en bij ieder afwijkend geluid preventief zijn vuisten in zijn mouwen balde, kon hij in de kauwgomballenfabriek elk geluid direct destilleren en als onschuldig categoriseren. De wind tussen de boomtakken, ronddwarrelde bladeren, tjilpende mussen en het grove materiaal onder zijn voeten.

Met een onbevredigd gevoel stapte Ysbrand het laatste vertrek in, dat nu volledig verlicht was door de zondagse ochtendzon. Hij stelde vast: afgebladderde muren, stoffige tegels, schimmelig plafond, gebroken ruit. En toen zag Ysbrand ineens iets op de vloer liggen. Iets dat heel abrupt het ritme van die verweerde entourage doorbrak. Toen hij dichterbij kwam zag hij wat het was. Een schoen, nee een damesschoen. Een muiltje. Hij voelde dat warme, tintelende gevoel van daarstraks nu overal, in zijn tenen en in zijn rug en zijn hoofd. Hij pakte het muiltje op en hield het omhoog, alsof hij zojuist uren had gegraven naar een kist goudstaven.

Dat sierlijke muiltje had hier niets te zoeken, stelde Ysbrand vast. Ja, hij wist het zeker: er schuilde een gruwelijk verhaal achter en hij zou de boeken ingaan als de held die het ontrafelde.

©Foto: Rob Funcken, Schoen (April 2006, militair hospitaal, België)

www.robfuncken.nl

Lees meer van

Lumineus – Bram Nijssen

Door Shinta Lempers

Schaduwen spelen met spiegelingen, fel daglicht met een draaideur, de cijfers twee, zes en vijf met de ruimte tussen hen in. Achter de ruit hangt een zilveren lijst die een groot wit vlak omkadert. Pontificaal opgehangen, voor iedereen duidelijk te zien. En toch is er geen enkel spoor van een boodschap. Waar je een aankondiging […]

Lees meer uit de categorie Beeld Essay

De das van Louis

Door Jeroen Pen

Optimist-redacteur en Ajaxliefhebber Jeroen Pen stond oog in oog met zijn held en beleefde daarbij een moeilijk moment. Naar aanleiding van deze ervaring reflecteert hij op heldendom, idolatrie, supportersliefde en een roodwitte stropdas. Een grijs pak draagt hij, een wit overhemd eronder. Daarover een rode das met witte spikkels. De witte spikkels besluit ik te […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper