Essay

Gewijvengezeik

Door Maarten van Riel
17 februari 2011

Tekst: Maarten van Riel

In de vorige eeuw waren Céline, Nabokov, Grass, Hilsenrath, Camus en Gogol niet meer dan onbekende namen voor mij. Op de boekenplank boven mijn bed prijkten slechts vijftien boeken die mijn goedkeuring konden wegdragen – hoofdzakelijk omdat ze gevuld waren met vieze praat. Uiteraard behoorden de boeken van Ronald Giphart (1965) tot het illustere gezelschap. Inmiddels hebben de plankjes plaatsgemaakt voor kasten, en is het aantal onbekende namen aanzienlijk teruggebracht. Weemoedig jeugdsentiment deed mij besluiten de nieuwe roman van Giphart te lezen.

 Toegegeven, er was sprake van een valse start, want bij het aanschouwen van IJsland werd mijn leesplezier getemperd door de monsterlijk vormgegeven cover en de gifgroen gekleurde paginaranden. Toch heb ik het boek, waarin hoofdpersonage Giph zich tot ‘een oude vriend’ (zijn dagboek) wendt, een eerlijke kans gegeven. ‘In verloren tijden schreef ik je bijna dagelijks. Dat werd wekelijks werd maandelijks werd jaarlijks werd eeuwlijks. Ik kan daar slechts laffe, halfgelogen excuses voor bedenken. Te weinig tijd. Te veel sociale wurgcontracten. Te lang on tour. Tevreden met een geliefde, die allang niet meer mijn geliefde is. Tevreden met een nieuwe geliefde. Niets is voor altijd, alles voor nooit.’ In het relaas blikt de schrijver terug op een bewogen periode die tot eruptie komt op IJsland. Een land dat sinds de economische crisis synoniem staat voor malaise, faillissementen, Ice Save en Wouter Bos – verder dan dit reikt de geëngageerdheid van IJsland helaas niet.

De vertrouwelijke mededelingen van Giph worden door middel van tijdsprongen aan elkaar geweven zodat het dagboek (en de lezer) de context begrijpen van dit persoonlijke drama dat bedachtzaam wordt gedirigeerd door de auteur zelf. Giph is schrijver en per toeval onderdeel geworden van het succesvolle theatergezelschap Groep Smulders. Als ‘handelaren in humor’ moet bij Smulders alles worden omgezet in een lach: ‘Hoe is dit hilarisch te krijgen? Hoe krijg ik mensen aan het lachen? Hoe krijg ik mensen in godsnaam aan het lachen?’ Als de theatertour Belachelijk na 278 optredens ten einde is wordt de hele productie getrakteerd op een korte vakantie naar het vulkanisch eiland. Op een gepaste afstand blikt Giph terug op het melodrama dat de kern van het boek vormt: het op de klippen lopen van zijn negenjarige relatie met Samarinda en de nieuwe romance met een Friese schone en haar zwangere buik; het symbool van vruchtbaarheid dat op de cover prijkt, inclusief zwangere tiet. Ongecontroleerde vadergevoelens maken zich meester van Giph, al is het kind niet van hem. Het wordt allemaal wat problematisch (en gevoelig voor de weke lezers onder ons) als pasgeboren Bent en de Friese schone met spoed in het ziekenhuis worden opgenomen. Na wat dramatische scènes in het ziekenhuis en een toevallig weerzien met ex-vriendin Samarinda (‘Jezus Giph,’ riep ze, ‘ik wilde je het niet zeggen, maar verdomme, het is toch jouw kind niet?’ […] ‘Waarom sloof je je zo voor hem uit? Jij bent de vader niet, hoe erg je je best ook voor hem doet.’) lijkt aan alle ellende een einde te komen. Uiteindelijk vertoeven de twee Grote Liefdes van Giph veilig in zijn Utrechts appartement en vertrekt Giph met het theatergezelschap voor het korte verblijf in IJsland.

Zoals gezegd, IJsland staat synoniem voor malaise en faillissementen en het is dan ook geen toeval dat de auteur het verhaal daar naar een climax dirigeert waar verleden, heden en toekomst samenvallen. Alle dramatische ingrediënten ten spijt, het slot van IJsland is geenszins een schokkende episode. Het is hier dat de lezer aan de geloofwaardigheid van het verhaal kan tornen – geholpen door enkele slappe passages, zoals bij een nachtelijke ruzie in een IJslands hotel waarbij Giph zijn ruziënde vrienden tot bedaren probeert te brengen met: ‘Jongens, hou eens op!’ (…) ‘Kap nou toch eens met die onzin!’ (…) ‘Jongens! Niet doen!’

Verder is er niet zo veel te melden over IJsland. Natuurlijk, bij vlagen is Giphart ontwapenend en grappig. En ja, het verhaal leest lekker weg tijdens een treinrit of in een hotelkamer. Grootste pluspunt is evenwel dat de auteur zich heeft ingehouden met betrekking tot voedsel – na Troost (2005) een belangrijk onderwerp in zijn leven. Met Troost leek Giphart een andere literaire weg ingeslagen. ‘Tieten en neuken’ werden ingewisseld voor langdradige prietpraat over culinaire kunsten. Het was wel een meer serieuze roman, in het verlengde van zijn beste boek Ik omhels je met duizend armen waarin Giphart over de euthanasie van zijn moeder op een (authentiek) ontroerende manier verhaalt. Maar met IJsland is het hem niet gelukt deze lijn door te trekken. Goed, hij valt niet terug op ‘tieten en neuken’, maar het is bij vlagen Kluuniaans – vermakelijk, dramatisch leesvoer voor theemutsen. Misschien hoort het bij de aard van de man, maar voor een melodrama als IJsland ben ik niet gevoelig. Het enige wat me goed is bijgebleven, is het woord ‘gewijvengezeik’ dat tijdens een nachtelijke ruzie in een IJslandse hotelkamer valt. Gewijvengezeik. Een prachtig woord om een belangrijk deel van dit boek te duiden – het gezeik rondom Bent en zijn moeder. Vroeger las ik de boeken van Giphart met groot genoegen, maar nu ik enigszins tot wasdom ben gekomen – al verzet ik mij daar wekelijks tegen – blijkt dat zijn boeken niet meer aan mij zijn besteed. Giphart blijft gewoon Giphart. En daar is an sich helemaal niets mis mee.

Lees meer van

Hitler was een Oostenrijker

Door Maarten van Riel

Door Fleur de Weerd en Maarten van Riel Beeld: Danibal Volgens een recente studie in opdracht van het Comité 4&5 mei heeft negentig procent van de Nederlanders zich verzoend met ‘de Duitsers’. Precies zeventig jaar na de destructieve wereldoorlog lijken de meeste wonden dus geheeld. Maar, zo rijst de vraag, waarom moesten we ons eigenlijk […]

Lees meer uit de categorie Essay

Zonder titel

Door Mahlee Plekker

De tentoonstelling die weer hoop gaf Voor sommige mensen zal de hele museumdiscussie in eerste instantie overbodig lijken. Er is helemaal niets mis met het klassieke museum dat op enige afstand van de kunstpraktijk een waardevolle collectie aanlegt en deze op functionele wijze tentoonstelt. Een museum moet niet de concurrentie aan willen gaan met de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper