Essay

Anders Kijken

Door Maria Foerier
21 december 2011

Dit essay van Maria Foerier, over omgaan met autisme, werd in 2011 genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs Klein.

‘Dat zit er bij ons niet in’ was de gevleugelde uitspraak van mijn moeder. Of het nu ging om balgevoel, een wiskundeknobbel, grote borsten of krullen maakte niet uit. Het zat er bij ons niet in. Tot vervelens toe bleef moeder haar mantra herhalen en zo schiep zij onze meest intieme band; wij tegenover de buitenwereld waar mensen lachten, sportten en op vakantie gingen, waar kinderen konden zwemmen en tennissen en een gezonde bruine kleur hadden en hagelwitte tanden. Wij waren anders, buitenstaanders.

De eerste dagen van mijn leven schijn ik mijn ogen niet te hebben geopend. Geen grote blauwe kijkers die de wereld om zich heen verkenden, niks geen spiegels van de ziel. Ik hield beide ogen strak samengeknepen.
‘Je was net een pasgeboren hondje,’ zegt mijn vader. Het klinkt als een verwijt.
‘Het verpestte de sfeer,’ legt moeder desgevraagd uit. ‘De vroedvrouw werd chagrijnig, de kraamhulp raakte in paniek en papa begon te huilen.’ Iedereen maakte zich zorgen behalve zij. Horen pasgeboren baby’s hun ogen meteen te openen? Dat wist zij helemaal niet. ‘En als ik dat al niet wist, hoe kon zo’n klein kindje dat dan weten?’ Moeder lacht zonder haar tanden te ontbloten. Het zal wel in de familie zitten, had ze onbekommerd gedacht. Zelf was ze helemaal in de wolken. ‘Wat kon er nu mis zijn met zo’n mooi meisje met zo’n fijnbesnaard gezichtje en dan die lieve kleine handjes waarmee je zo voorzichtig de lucht probeerde te grijpen.’
Na drie dagen was het feest voor iedereen. Heel voorzichtig opende ik mijn ogen. Ik deed het rustig aan, stukje bij beetje en om vier uur in de middag toonde ik twee smalle spleetjes.
‘Kijk, een Chineesje,’ riep mijn neefje die niet van de wieg was weg te slaan. Hij had net over China op school geleerd en was razend enthousiast. Wie wil er nou niet een Chineesje in de familie? Zijn teleurstelling was dan ook  groot toen hij de volgende dag opnieuw een kijkje kwam nemen. Het Chineesje was verdwenen, in plaats van de smalle spleetjes die hij zo bewonderd had, staarde twee grijsblauwe ogen hem onbewogen aan. Iedereen was opgelucht, mijn vader, de vroedvrouw, de kraamhulp, een tante die op bezoek was, onze buurvrouw. Alleen oom Johannes, die naar eigen zeggen een echt ‘mensenmens’ is, schudde meewarig zijn hoofd.
‘Toch is er iets mis met dat meisje,’ zei hij nadat hij me genadeloos had bestudeerd, ‘ze kijkt zo gereserveerd, dat kindje laat zichzelf niet kennen.’
Opnieuw maakte moeder zich geen zorgen. ‘Zelf had ik ook de nodige reserves tegenover mijn zwager.’ Ze zegt het met een knipoog, maar ineens bevriest haar gezicht. ‘Mensen met onze genen zouden eigenlijk geen kinderen moeten krijgen.’

alsof ik in het diepe val terwijl ik niet kan zwemmen
boven zie ik licht ik krijg geen lucht ik schrok de
longen uit mijn lijf ik trap met benen water sluit zich
boven me en traag als een kadaver zink ik zo verstikkend
langzaam dat ik opgelucht ben zodra de bodem in zicht is
ik kan niet dieper zinken dus spoedig is alles voorbij

een misrekening, meer niet,
onontkoombare kennis
die zich niet laat wegredeneren
– niet ongestraft niet

ook ik die niet kan zwemmen sterf niet als de bodem
bereikt is ook ik die niet kan zwemmen drijf als vanzelf
weer naar boven waar net genoeg tijd is om naar adem
te happen, om niet te verdrinken om nog eens te zinken
en al geef ik me over en laat ik alles lopen, ook dan

Het was niet druk op haar begrafenis. Vanwege haar onaangepaste gedrag en ongepaste eerlijkheid was moeder bij niemand geliefd. Zelfs haar eigen ouders mochten haar niet. Moeder was schrijver, maar heeft nooit iets gepubliceerd. Het jaar voordat ze stierf, maakte ze alleen nog gedichten, geschreven in een duister stamelsyntaxis waaraan geen touw was vast te knopen. Alleen haar laatste vers was helder als glas.

Op de begrafenis van moeder heb ik mijn vader voor het eerst in tijden weer gezien. Hij droeg een stropdas, wat hij anders nooit doet en hoefde niet te huilen, noch om de dood van moeder, noch om het weerzien met mij. Angstvallig hield hij zich groot. Ook opa en oma toonden geen enkele emotie. Ik liet mijn tranen de vrije loop. Niet omdat ik zo verdrietig was om de dood van moeder, maar omdat een begrafenis zo in en in triest is als er helemaal niemand huilt.

Hoewel moeder er altijd voor me was, was ik als kind veel alleen. Terwijl zij koekjes bakte, in haar dagboek schreef, en thee voor ons zette, sloop ik naar boven en pakte een boek. Vanachter mijn slaapkamerraam keek ik steels naar de kinderen uit onze straat. Als ze me zagen, zwaaide ik naar ze, maar nooit zwaaide er iemand terug.
‘De enige manier om vrienden te krijgen, is er één te zijn,’ vond mijn vader. Mooi gezegd, maar wel gelogen. Zo werkt het natuurlijk niet. Ik kan wel in mijn eentje van iemand houden zonder dat die persoon van mij houdt, ik kan zelfs in mijn eentje tot over mijn oren verliefd worden op iemand, maar ik kan niet in mijn eentje besluiten om vrienden met iemand te worden. Juist in de vriendschap moet de liefde van twee kanten komen.
Ook op school vond ik geen aansluiting. Integendeel.
Oom Johannes had gelijk. Er is wel degelijk iets mis met mij. Het duurde lang voordat ik het toe durfde geven, maar ik lijk sprekend op mijn moeder. Net als zij ben ik verschrikkelijk eenzelvig en ben ik berucht om mijn extreme eerlijkheid. Ik heb weinig interesse voor mensen die ik niet ken en mis de sociale vaardigheden om dit te verbloemen. Ik heb weinig gevoel voor schaamte en machtsverhoudingen, iets wat mij vaak in de problemen brengt.
Toen ik op mijn achttiende verjaardag een dikke roman kreeg van mijn oma, gaf ik het boek meteen weer terug.
‘Dat verhaal is verzonnen’ legde ik uit, ‘dat ga ik zeker niet lezen.’
‘Je bent precies je moeder,’ zei oma hoofdschuddend. Het was duidelijk geen compliment. Veel pijnlijker nog vond ze de begrafenis van onze buurvrouw. Daar condoleerde ik alleen haar echtgenoot, en niet haar volwassen kinderen. Toen oma me verontwaardigd vroeg wat me bezielde, begreep ik niet wat ze bedoelde. Ik kende die mensen toch helemaal niet.

Ik aard naar mijn moeder. Net als zij heb ik zo mijn reserves en pak ik alles extreem letterlijk op. Als iemand aan me vraagt ‘hoe gaat het?’ geef ik antwoord.
Soms duurt dit verslag meer dan een uur.
Vooral als klein kind belandde ik door mijn rechtlijnigheid regelmatig in vervelende situaties. Tijdens de jaarlijkse schoolreisjes ging het geheid mis. Zodra de klas rumoerig werd, raakte ik over de toeren. Toen juf Lieke van groep vijf eens wanhopig uitriep dat ze die dag niemand meer wilde horen, hield ik consequent de hele schooldag mijn mond. Pas toen ik weer thuis was, kwamen de tranen.
‘Het lijkt wel,’ zo vatte ik mijn gevoelens samen, ‘alsof ik vanaf mijn geboorte al alleen woon.’
‘Uiteindelijk wonen we allemaal een beetje alleen,’ zei mijn moeder zacht. Haar stem klonk eerder monotoon dan verdrietig.
‘Maar het is net,’ probeerde ik het nog eens, ‘alsof ik een eigen ervaringswereld heb met een andere taal en andere regels dan alle andere kinderen.’
‘Wat praat jij raar,’ zei mijn vader geërgerd, ‘wil je burgemeester worden of zo?’
‘Misschien wel,’ antwoordde ik zonder een spier te vertrekken.
Diezelfde zomer nog is hij vertrokken.

Problemen moet je in stukken hakken, leerde ik bij wiskunde, zodat je ze kunt overzien. Dat is tenminste een wijsheid waar je wat aan hebt. Meneer Peter heette de docent die dat vertelde en ik was meteen tot over mijn oren verliefd. Juffrouw Hermien was ook erg aardig en ook op haar werd ik verliefd. Ik heb altijd een zwak voor aardige mensen gehad. Juffrouw Hermien vertelde over de Derde wereld en dat daar kinderen waren met hele dikke buiken en dat dit van de honger kwam. Die kinderen waren pas zielig. Ik vatte weer moed. Op mijn twaalfde smeekte ik of ik naar de tandarts mocht net als iedereen en op korfbal en naar de kapper.
‘Nooit zal je worden als de rest,’ waarschuwde mijn moeder, maar ik kreeg mijn zin. Op korfbal mocht ik dan wel niet, maar wel naar de tandarts en op ballet, iets waar ik overigens niet goed in bleek te zijn en in de tweede les brak ik mijn arm.
‘Zie je wel,’ snoof mijn moeder, ‘dat soort dingen is niks voor ons.’
Ik heb meer dan een week geen woord met haar gesproken.

Praten deed ik sowieso niet erg veel, maar zingen des te meer. Na lang zeuren mocht ik eindelijk op een koor. Ik kreeg daar ook privéles, waar ik met meest van genoot, maar toen mijn zangdocente me vertelde dat ik meer gevoel in mijn stem moest leggen, begreep ik daar niets van. Mijn stem is toch niet iets waar ik iets anders in kan leggen? Na lang zoeken vond ik eindelijk de oplossing in een vuistdik boek over muziektheorie. Gevoel is een kwestie van timing, stond geschreven in dit zwaargewicht. Je dient nèt niet in de maat te zingen, want het publiek ervaart pas emotie in de muziek, wanneer je een fractie van een seconde afwijkt van de onveranderlijke puls van het metrum.
Ik deed wat geschreven stond en met succes.
Blijkbaar is er een storende factor tussen binnen- en buitenwereld, concludeerde ik. Wat ik voel, raakt de buitenwereld blijkbaar niet, en wellicht geldt dan voor het omgekeerde hetzelfde.

De diagnose ‘autist’ is voor het eerst door mijn klasgenootjes gesteld. De officiële diagnose volgde zeven jaar later, op een druilerige dinsdag in september. Verschillende testjes hadden reeds laten zien dat ik bijzonder hoog scoor in het autistisch spectrum, maar deze dinsdag toonde ook een MRI-scan aan dat de interactie tussen bepaalde neurale netwerken in mijn brein anders verloopt dan bij de meeste mensen. Dit verklaart waarom ik altijd alleen details zie en weinig zicht heb op onderlinge verbanden; omdat de prikkels in mijn hersenen niet samenkomen tot één geheel, zie ik eenvoudigweg geen samenhang. Althans niet meteen. Denken kan bij mij heel erg lang duren. Ook het herkennen van gevoelens en het verwerken van kleine gebeurtenissen duurt dagen en soms wel een week. Bij anderen wordt daardoor nog wel eens het misverstand gewekt dat ik ongevoelig zou zijn, maar niets is minder waar. De prikkels die ik binnenkrijg, zijn juist heftiger dan bij de meeste mensen, alleen de expressie komt veel later, stond in het rapport dat over mij is geschreven, en ook anders dan algemeen wordt verwacht.
Meestal als donderslag bij heldere hemel.

Ik ben er redelijk goed vanaf gekomen. Beter althans dan mijn moeder. Er leiden veel wegen naar Rome en met theoretisch inzicht kom je een heel eind. Bovendien ben ik geen extreem geval. Ik bonk niet met mijn hoofd tegen de muur en kan mezelf redden, maar het tikken van een klok, het druppelen van water uit een kapotte kraan, of het fladderen van een motvlinder kunnen mij tot razernij brengen. Te fel licht en harde kleuren zijn een marteling voor mij.
Voor de omgeving lijkt het dan net of ik altijd overdrijf en extreem kinderachtig ben, en dit word me steeds erg kwalijk genomen, maar tegen een blinde zeg je toch ook niet dat ie uit zijn doppen moet kijken als hij weer eens in het water dondert of voor de derde maal die dag iemand op zijn tenen trapt. De onrechtvaardigheid zit erin dat ik niet alleen wordt geacht mijn gedrag maar ook mijn gevoel aan te passen, maar als mensen dat zouden kunnen, was iedereen wellicht beter af.
Volgens de mensen die mij hebben onderzocht, is autisme aangeboren en erfelijk bepaald. Hun beklemmende verzoek heeft mijn moeder niet kunnen overhalen om zich ook te laten testen.
‘Wie als “ziek” wordt bestempeld wordt daar doorgaans niet veel beter op,’ zei ze bits. ‘Het is een waardeoordeel, meer niet.’
Nog geen half jaar later heeft zij zich van het leven beroofd.

Kinderen, je krijgt er zoveel voor terug, zeggen ze, maar dat is onzin. Je krijgt er weinig voor terug. Bijna niets. Mijn moeder heeft niet veel aan mij gehad. Net zo weinig als ik aan haar. Moeilijkheden genereren moeilijkheden, zeker bij mij; zodra het lastig wordt, gaat het niet om een optelsom maar om een vermenigvuldiging van problemen.
Het duurde drie dagen voordat ik durfde te kijken. Het duurde dertig jaar voordat ik eindelijk kon zien. Pas langzaam begon het tot me door te dringen. Autisme hoeft geen vloek te zijn, het kan ook worden gezien als een zegen.
‘De meest waardevolle rozenstruik is niet die met de minste doornen, maar die de mooiste rozen heeft,’ zei mijn moeder ooit. Ze had het van een dode dichter.
Natuurlijk, mensen zonder autistische trekken zijn veel prettiger in de omgang, maar ook aardige mensen kunnen stomvervelend zijn. Sommige mensen zijn zo aardig dat ze zich niet meer kunnen permitteren om ook nog eerlijk te zijn, sommige mensen zijn zo altruïstisch en zozeer in de buitenwereld geïnteresseerd dat zij elke innerlijke ervaring ontberen en hen niets anders resteert dan hopeloze oppervlakkigheid. In meer extreme gevallen zijn aardige mensen in staat zich zozeer aan de omgeving aan te passen dat ze zelf achter al hun maskerades verdwijnen. Als kameleons voegen zij zich naar hun omgeving tot ze zo flexibel zijn dat ze niet meer weten wat betrouwbaarheid inhoudt.

Juist door haar contextblindheid kon ik blindelings op mijn moeder vertrouwen. Een man een man, woord een woord, was haar op het lijf geschreven. Ze was zonder meer egocentrisch, maar egoïstisch was ze niet; ze richtte zich wel op zichzelf, maar stelde zichzelf daarmee nooit boven de ander. Dat zou volstrekt onlogisch zijn. Ook zorgvuldigheid staat hoog in elk vaandel. Roddel en achterklap is ons wezensvreemd, vals spel uitgesloten.

Na jarenlang mijn neus gestoten te hebben, heb ik eindelijk een modus gevonden om met mijn autistische trekken om te gaan; ik ben redelijk goed in staat om van de positieve kanten te profiteren en de negatieve kanten te verbloemen. Mijn gebrek aan elk strategisch vermogen heb ik getransformeerd tot een principe. Kwetsbaarheid is mijn kracht. Mijn onvermogen om sociaal wenselijk gedrag te vertonen, heb ik getransformeerd tot non-conformisme. Mijn gebrek aan intuïtie compenseer ik door een starre discursieve redeneertrant. Sommige mensen vatten dit op als intelligentie. Alleen ikzelf weet beter. Ik ben een overlevingsmachine.

Ooit hoop ik nog eens in de voetsporen te mogen treden van mijn moeder. Zij durfde haar nek uit te steken. Nee, ze durfde het eigenlijk niet, maar ze deed het. Nooit maakte zij zich druk om status, geld of fatsoen. Dankzij haar autistische ‘stoornis’ kon moeder zich volledig van de buitenwereld afsluiten om zich gepreoccupeerd bezig te houden met haar eigen interesse: de juiste woorden, de juiste toon, de juiste stijl. Als geen ander was ze in staat om zich te focussen. Eén ding weet ik zeker. Zonder een spoor van autisme zou er helemaal geen kunst, literatuur of wetenschap bestaan. Zonder autisme zou er niet worden geschreven.

Lees meer uit de categorie Essay

Gebbetje #63

Door admin

Maandag 25 maart werden we genoemd in een artikel in NRC.next over online journalistiek: “Twintigers van nu zijn moe van fastfoodnieuws, ze zoeken verdieping online. Platforms van creatievelingen bieden die reflectie, gratis. (…) De Optimist is een ‘podium voor creatieve authenticiteit’. Het combineert opinie, journalistiek en kunstkritiek, maar de focus ligt op beeld en literatuur (…).”  

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper