Interview Poëzie

Taal is maar een model

Door Ruben Hofma | beeld: Daniëlle van Ark
7 mei 2013

‘Snooker vind ik niet alleen een fascinerend spel, ik word er ook rustig van’, vertelt Anton Dautzenberg. De (groots)bejubelde en (doods)bedreigde schrijver heeft sinds 6 mei zijn eerste dichtbundel. Poëzie waarvan dichter-criticus Rob Schouten zei: Dit is geen poëzie. Dautzenberg vindt dat onzin. Hij publiceerde Na de punt (Asterion), een bundel gedichten bestaande uit snookerballen. ‘Volgens mij heeft de poëzie geen grenzen.’

‘Uren kan ik er naar kijken, liefst op de BBC met commentaar van John Virgo en Dennis Taylor, twee veteranen. Snooker spiegelt het karakter van de speler op een genadeloze manier, vooral ook door de vormelijkheid: is hij een aanvaller, een lafaard, een opportunist of een pragmaticus? Door de duur van het spel is hier geen ontkomen aan; een partij duurt regelmatig langer dan een dag. Het is mooi om te zien hoe tactiek en uithoudingsvermogen elkaar bevechten. Snooker speelt zich uiteindelijk in de geest van de spelers af; wat er op de tafel gebeurt, is een afschaduwing daarvan’, zegt de schrijver over het snookerspel. Zelf kan hij het niet goed, want ‘te grote tafel, te kleine gaten.’

Taal is maar een model
In het voorwoord van Na de punt (Asterion) citeert Dautzenberg Jorge Luis Borges, die in zijn verhaal ‘Het huis van Asterion’ de Griekse koning Asterion laat zeggen: “Net als de filosofen denk ik dat niets mededeelbaar is via de schrijfkunst.” ‘We leven in een tijd waarin het beeld bepalend is en in toenemende mate randvoorwaarden stelt aan het geschreven woord’, zegt Dautzenberg. ‘Vergelijk de kranten en tijdschriften van nu met die van pakweg twintig, dertig jaar geleden. Meer foto’s, minder tekst, schreeuwerige koppen en streamers. De opkomst van internet werkt daar natuurlijk aan mee: een bulk aan informatie, je moet in een oogopslag kunnen shiften. Met deze bundel probeer ik buiten de schrijfkunst om een literaire wereld te evoceren. Taal is uiteindelijk ook maar een model.’
Toen Dautzenberg het idee ventileerde van een bundel snookerbalconstructies, rekende hij meteen op weerzin. Dichter en criticus Rob Schouten wordt in het voorwoord geciteerd: “Een tijdje geleden vertelde ik Rob Schouten over deze bundel. ‘Dat is niks’, reageerde hij onverbiddelijk. ‘Poëzie zonder woorden is geen poëzie.’ Ik dacht meteen: het zit wel goed.” Dautzenberg zegt dat de snookerpoëzie uit zijn experiment-minnende karakter voortkomt. ‘Ik houd van experimenteren, van transgressie. Zo is het begonnen. Op een bepaald moment had ik een nieuw idioom te pakken. Wellicht dat ik die ‘nieuwe wereld’ in de toekomst verder wil uitbouwen, wie weet.’
‘De gedichten zijn heel verschillend tot stand gekomen. Ik begon met het gedicht ‘147’, het maximaal aantal punten dat in één beurt gespeeld kan worden. Ik kwam uit bij een piramide, een verwijzing naar de oudheid én naar de dood. In the perfect frame, 147 punten, worden er 36 ballen gepot; de eerste is rood, de laatste zwart. Een levensloop. Binnen dat maximale “leven”, de eindigheid, kan er van alles gebeuren. Neem maar eens een kijkje in een piramide: een labyrint, gevuld met symbolen en betekenissen. Na dat eerste gedicht had ik een kapstok gevonden. Daar bleef vervolgens het een en ander aan hangen; soms een beeld, soms een persoon, dan weer een gebeurtenis, een spelsituatie.’

dautz

“Minder begrensd dan ik dacht”
Voor de zeldzame persoon die de afgelopen jaren niet of nauwelijks iets van A.H.J. Dautzenberg heeft gemerkt; de schrijver is inderdaad experimenteel. Dat komt door zijn absurdistische bril. ‘Ik kijk de hele dag door die bril. Ik bekijk álles door die bril en kan hem niet meer afzetten. Misschien wil ik dat niet.’
Zijn bekendheid en zijn experimenteerdrift begonnen met enkele interviews (met Arnon Grunberg onder anderen) voor de VPRO-gids. Die interviews had hij (deels) verzonnen en dat feit zorgde voor grote ophef. Hij schreef bijvoorbeeld dit fragment in het interview met Grunberg: “Bingo! Ik buig me voorover en knijp in zijn wang (…) ik (kijk) naar de mee-eter. Het larfje is inderdaad naar buiten gekropen, maar niet helemaal.” Grunberg stuurde hem een briefje: “Sans rancune”. De verzonnen interviews verschenen behalve in de VPRO-gids ook in het boek Rock €n Roll: economie voor en door leken verklaard.
Controversieel is hij ook. Dautzenberg was in het verleden lid van pedovereniging Martijn – niet omdat hij pedoseksueel is, maar omdat hij pedofilie bovengronds wil houden. Alleen op die manier voorkom je volgens hem ongewilde problemen. Dautzenberg zegde zijn Martijn-lidmaatschap op in 2012, na vele (doods)bedreigingen van mensen die zijn boodschap niet hadden begrepen. Uit de bedreigingen stelde hij de bloemlezing Smerig gezwel wat je bent samen. Eind 2012 kreeg hij vervolgens opinieland over zich heen toen hij voor De Avond van de Polemiek een omstreden stuk over Tonio van A. F. Th. Van der Heijden schreef.

Producten van onze geest
En nu snookergedichten. Dautzenberg is benieuwd naar de reacties. ‘Vast en zeker zullen de snookergedichten afgebrand worden door een deel van het establishment, dat poëzie bijna als een wetenschap ziet. Ik denk dat Rob Schouten werkelijk ervan overtuigd is dat mijn snookergedichten geen poëzie zijn en dat is verontrustend: bij poëzie horen geen beperkende overtuigingen. Poëzie moet in mijn ogen divergeren, niet convergeren of verstarren. Schouten zoekt net als veel andere recensenten naar de bevestiging van zijn, zelfs dé ideeën over poëzie – een beperking van jewelste. Begin twintigste eeuw zorgden de a-syntactische gedichten van avant-gardisten als Paul van Ostaijen voor opschudding. De Vijftigers lukte dit tot op zekere hoogte ook. De Maximalen waren minder succesvol. Het wordt tijd voor een nieuwe hartenklop in de poëzie.’
‘Poëzie is in essentie abstracter dan de uiting die wij eraan geven. Wij proberen de poëzie te vangen in vormen en regels, in formele eigenschappen, we willen elk raadsel zo objectief mogelijk doorgronden, onttoveren. Zeker in deze tijd van mimesis en opschonend realisme is er nauwelijks waardering voor het raadsel. Een enjambement of een volta kunnen volop betekenis genereren, zeker, maar het zijn inmiddels wel instrumenten geworden, instrumenten die zo zichtbaar zijn dat ze betekenis in de weg kunnen staan. Poëzie is in mijn ogen geen gereedschapskist waarmee je de “werkelijkheid” te lijf gaat. Poëzie is een spel zonder regels.’ De snookergedichten kan hij overigens prima voordragen: Dautzenberg noemt gewoon de kleuren op.

Rood en zwart
Een van de twee motto’s van de bundel is afkomstig uit Zur Farbenlehre van Goethe en vertelt over de kleur rood. Kennis van Zur Farbenlehre is niet nodig, zegt Dautzenberg. ‘Goethe raakte zelf behoorlijk verstrikt in zijn eigen leer. Ik heb de betreffende quote van hem opgenomen, omdat de kleur rood in het snookerspel de meeste macht heeft. Rood is de drijvende kracht achter het spel, de kleur meandert als een ader door een scala van betekenissen heen en verbindt die, al dan niet, met elkaar. Ook in snooker kan rood zowel liefde als haat vertegenwoordigen.’
Kennis van het snookerspel is wel handig, want in de bundel zijn de regels van het spel leidend. ‘Elke kleur heeft een andere waarde. Bovendien speel ik met de connotaties die kleuren hebben. Doordat ik heb gekozen voor een bepaalde vorm breng ik nog een extra betekenislaag aan. Noem het esthetisch en inhoudelijk organicisme: alle onderdelen hebben met elkaar te maken en dragen bij aan de zeggingskracht.’
‘De zwarte bal heeft mijn voorkeur. Hij heeft de hoogste waarde in het spel, zeven punten, terwijl zwart meestal geassocieerd wordt met vernietiging. Het snookerspel eert in feite de dood. Om zwart te kunnen spelen, moet je wel eerst een rode bal potten. Een mooie metafoor. En zo evoceren verschillende kleurencombinaties de nodige betekenissen. Althans, als je daar gevoelig voor bent.’ Detail: de boeken van Dautzenberg zijn, op zijn laatste roman Extra tijd na, door omslagontwerper Herman van Bostelen consequent vormgegeven met de kleuren rood en zwart, op wit.
‘Poëzielezers zijn meestal wel gevoelig voor kleurencombinaties en hun betekenissen, dus ik verwacht dat mijn bundel wel begrepen zal worden. De lezers hebben een bovengemiddelde vorm van bewustzijn. Dit zeg ik zonder ironie. Ook de aanhangers van “travel light” – het oppervlakkig ondergaan van een kunstwerk, zonder kennis en context – kunnen met de bundel uit de voeten, maar het verstand moet wel meedoen.’

Leerleven
‘Het absurdisme komt het dichtst bij mijn levensopvatting. Het werk van Albert Camus raakt mij, maar ook Gummbah vind ik bij vlagen briljant. Ik heb moeite om het leven serieus te nemen. Anders gezegd: ik neem het leven niet serieus, maar doe wel mijn best om er iets van te maken, omdat ik een omgeving heb. Na de punt (Asterion) is tot op zekere hoogte absurdistisch: het snookerspel als metafoor voor het leven suggereert een eenheid die er niet is, of in elk geval goed verborgen blijft achter de chaos. Vandaar het laatste gedicht, ‘148’ – en ook om de reductie weg te nemen, de “werkelijkheid” is altijd méér.’
Vertrouwd is hij vooral met woordelijke poëzie, maar een voorkeur heeft hij niet. Hij prefereert poëzie van de dichters Jan Arends, Jan Hanlo, Menno Wigman, Delphine Lecompte, F. van Dixhoorn, Gerard Reve, J. Slauerhoff, Paul van Ostaijen ‘en in het bijzonder het gedicht ‘The Raven’ van Edgar Alan Poe – de nimmer meer verdwijnende melancholie in de vorm van een raaf. Ontroerend.’

‘Ik ben een intuïtieve schrijver en ik probeer open te staan voor nieuwe vormen. Soms kies ik voor woorden, soms voor beelden. Vernieuwen is geen doel op zich, traditionele vormen kunnen prima werken, zoals in Extra tijd. Ik wil niet forceren, ik laat het gebeuren. Bij de ene roman past een sobere stijl, bij de andere is er ruimte voor barok en beeldspraak. Zo werkt het bij mijn poëzie ook.’
‘Leerleven’ is in de bundel snookerpoëzie het gedicht waar de auteur het meest tevreden over is. Het gedicht werd eerder gepubliceerd op literair weblog De Contrabas. ‘Ik probeer daarin het lijden aan het bestaan weer te geven, of althans te benaderen. Misschien had Borges gelijk; dit gedicht zegt voor mij meer dan menig filosofisch geschrift.’

A.H.J. of Anton Dautzenberg (Heerlen, 1967) publiceerde bij uitgeverij Atlas Contact (voorheen uitgeverij Contact) onder andere de absurdistische verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten en Rafelranden van de moraal, een terugblik op de recente turbulente ontwikkelingen in zijn leven. Na de punt (Asterion) verscheen op 6 mei (de dag van de finale van het WK Snooker) bij uitgeverij De Contrabas. Dautzenberg werkt aan zijn tweede verhalenbundel, die in 2014 wordt uitgegeven, en laat desgevraagd weten dat hij daarnaast nog circa tweehonderd gedichten heeft liggen. ‘Laatst borrelde een zin op: voegen zullen vliegen zijn. Dat lijkt me een mooie versregel.’
www.ahjdautzenberg.nl

Lees meer van

Spiegel van Spinoza

Door Ruben Hofma

Lucas Hirsch, in de poëziewereld bekend als dichter en organisator, heeft vorig jaar een spiegel van het merk Spinoza gecreëerd met zijn derde dichtbundel, Dolhuis. De bundel toont de mentaliteit van ‘het volk’; de ongelijke behandeling van personen en groepen, de verbale en non-verbale ongegeneerdheid. De bundel is opvallend, want niet geromantiseerd, glashelder en daardoor […]

Lees meer uit de categorie Interview Poëzie

Wout gebruikt… fietscomputer

Door Wout Waanders

Wout Waanders stift tweemaandelijks een gebruikshandleiding tot een gedicht voor De Optimist. Dit keer gebruikte hij een fietscomputer.  

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper