Poëzie

Vers in de Etalage

Door Charlotte van den Broeck
6 juni 2013

Voor Watteau.

Van alles, bewaar ik
ananas op halfzware siroop
in mijn conservenblikkenhoofd,
een museum met te dure toegangskaartjes,
aan de muren hangt duizend keer Gilles.
Het zwarte sap lekt,
de olie druipt van zijn doek
melancholisch turen
en ik, die plamuur
aan een vrijmetselaarsgezicht.

Van alles, bewaar ik
kinderfeesten en een ketchupmond,
mijn eerste liefje op sterk water
(hij had mij een springtouw gekocht)
en later, al die bucolische taferelen,
dat belachelijke sensueel strelen.
Het zwarte sap lekt:
dit is de gal van vergeten
en ik, die probeer
te denken aan ochtendrituelen.

Van alles, bewaar ik
haarscherp, vlijmen, lemmeten,
scheldwoorden, potje-breken-valsspelen.
Wij, niet meer dan een schakering
in wat donkerblauw.
en ik, die wou dat
ik kon konfijten,
wij, met suiker bij,
dat moet toch heerlijk zijn.

 

Olifant (IV)

Met scherpe ademstoten

kras je mijn wangen open

plooi je mijn handen tot

origami-olifanten.

 

Elke vinger op je vel

zijn oorlogstrombones

elke vinger op je vel

zijn trommelslagen

 

Olifantenpoten kennen

geen genade,

zij walsen vastberaden

over de verbrande aarde.

 

Bijna in fanfare,

onze olifantensnuiten

bijna meewarig

ons onderhuids fluisteren.

 

Dat wij de koning

van de jungle zijn,

log en traag

met voetstappen,

net zware koffers.

 

Hier klaart de dag,

hier kraait geen haan naar,

hier leg ik mijn

ivoren pantser neer.

 

Vissen

Verzuim me niet, ik word daar bedlegerig van
een hoopje nalatigheid onder nieuwe lakens
en toch lijken de lakens beslapen terwijl ik
hier al nachten niet kan aarden
voorbij de kastanjes rusten onze benen
dit zwemmen leek wel eeuwig.

Twee vissen zonder taal, in een water
met enkel zuurstofbellen als proviand
in kieuwen opgeslagen
van toen we nog menselijk waren.
Spierwit,
onze benen voorbij de kastanjes,
waar ze als opblaasbootjes aflaten
dit zwemmen leek wel eeuwig.

Verroer je niet, de nachtreiger
zweeft boven dit water, zijn snavel
priemt als de zon door dit water
wij, wij voelen nauwelijks warmte,
wij, wij kennen geen bloed door geen aders,
de nachtreiger zweeft boven dit water
hoe lang nog, hoe ver nog
dit zwemmen leek wel eeuwig.

 

Lammetje

Wij zijn een lammetje
met vanillesmaak,
dat vergeefs staat te smelten op communiefeesten
de rode stroop loopt van achter onze oren door
naar beneden,
hak ons hoofd, hak ons
helemaal
wij zijn om op te eten.

Van al mijn tijdverdrijf
was jij het meeste
meest gegeten, meest gegeerde, meest vertederd
stukje vlees
waarom smelten wij
waarom worden wij
geen slaaplied.

Je zei me dat
de vloer niet huilt
op wollen voeten
dus wij zijn vast
geen wolven
vannacht.

 

Eksjö

Met takken in je ogen kwam je aangelopen
en je bouwde ons dat nest
en dat nest in een hoge lijsterbes
waar geen wind ons omver kon stoten
en geen postbode ons tegen de wand
van een brievenbus klutste.

Wij zijn een lekker omelet
van dagoude scharrels
en  oerkreten
in dit nest ben jij mijn schelm,
een wederhelft en wederzijds bedwelmd
stelen wij hier de cijfers van de klokken
en de klokken van de muren tot
het gewoon cirkels zijn,
die ons van niets
beroven.

 

Lees meer uit de categorie Poëzie

Vers in de etalage

Door Jelmer van Lenteren

Proloog In de condens van haar adem schrijft zij op de ruit haar naam en daarnaast ook de mijne. Dan tekent ze zes lijnen en ze zegt: ‘Kijk es lief, ik heb ons twee gevangen. In een simpel huisje, hoor.’ Ik kus haar en op dat moment rijdt de trein een klein station door. ‘Hee,’ […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper