Essay

De GelegenheidsOptimist

Door Frank Heinen
30 juli 2013

Met ‘De GelegenheidsOptimist’ willen wij een podium bieden aan schrijvers, columnisten en bloggers die wij goed vinden; schrijvers met een originele, optimistische invalshoek. Deze week bestrijdt schrijver en columnist Frank Heinen zijn pessimisme met de liefde voor het schrijven.

Illustratie: Ellis van der Does

Nog niet zo heel lang geleden kocht ik een bank.
(Nee, het zit anders).
Nog niet zo heel lang geleden ging mijn vriendin met haar moeder naar de Ikea om voor mij een bank te kopen. Ik haat de Ikea, zij gunden het mij om er niet heen te hoeven en gingen zelf. Het enige wat ik moest doen was het gesms’te bedrag per ommegaande op de rekening van mijn vriendin te storten.
Mijn ervaringen met banken van Ikea waren tot dat moment niet onverdeeld positief geweest.
(Nee, het zit anders).
Mijn ervaringen met Ikea-banken waren tot dat moment beperkt gebleven tot een armzalig tweezittertje dat ondanks al mijn antireclame nog altijd in groten getale wordt verkocht. Onthoud goed: Klippan, voor wie nog eens een totale miskoop wil doen. Toen ik de Klippan destijds na uren van almaar oplopende onredelijkheid in elkaar had gezet, had ik twee flexibele blauwe buizen over die – als ik twintig jaar jonger was geweest – prima als blaaspijpjes voor rozenbottels hadden kunnen fungeren. Ook zat er een opvallend brede geul tussen de rugleuning en ‘het zitgedeelte’, een gleuf van zeker tien centimeter breed die een enorme aantrekkingskracht uitoefende op afstandsbedieningen. De buizen legde ik uit het zicht onder mijn bank-in-aanbouw, de geul maskeerde ik door er een deel van de rode Klippan-overtrekhoes in te proppen – waardoor het onderste deel van de bank vanzelfsprekend onovergetrokken bleef.
De paar keer dat ik daarna nog op mijn Klippan zou zitten, zouden vooral een bron van ergernis over mezelf en over het goedkope meubelmonopolie van Ikea blijken.

Kortom: ik had maar een klein beetje vertrouwen in de Ikea-bank die mijn vriendin en haar moeder voor mij hadden aangeschaft. Het geld dat ik mijn vriendin per ommegaande overmaakte, beschouwde ik maar als de voorrijkosten van een loodgieter die je WC sloopt, je bad lek prikt, je afvoer verstopt en daarna voor twee maanden op vakantie vertrekt.
Al mijn defaitisme ten spijt, is mijn nieuwe Ikea-bank met afstand de meest comfortabele bank in het bankenuniversum. De momenten dat ik er niet op zit, probeer ik mezelf voor te stellen hoe het is om erop te zitten. Als ik ooit iets op mijn billen laat tatoeëren – zeg nooit nooit – dan zal het deze bank zijn. In 3D.

Ik ben geen optimist. Theo Maassen (Filosoof. Zijtaart, 1872-1941) zei ooit: optimisten zijn slecht geïnformeerde pessimisten. Jammer dat Theo er zelf niet meer in schijnt te geloven – het gerucht gaat dat hij een optimist geworden is. Ik niet, ik laat me graag goed informeren.
Pessimisten – nu ja: ik – gaan over het algemeen van het ergste uit. Niet omdat het verleden ze heeft geleerd dat in de meeste gevallen het ergste ook daadwerkelijk plaatsvindt, maar omdat het een ontspannen positie is om je verwachtingen zo laag mogelijk te houden – beter nog is om iedere vorm van verwachting ten allen tijde uit te schakelen, maar dat is een hogere vorm van levenskunst waaraan ik me voorlopig nog niet waag.
Het pessimisme is als mijn nieuwe bank: eigenlijk te comfortabel om ooit nog van af te komen. Valt iets tegen, heb je gelijk. Valt iets mee, heb je ongelijk, maar kan jou het schelen: dat andere viel toch al mee.
Een belangrijk argument voor een pessimistische grondhouding dat vaak over het hoofd gezien wordt – vermoedelijk omdat het zich te dichtbij bevindt, zoals een zonnebril die uren kwijt kan zijn en die je later op je neus terugvindt – is het argument van de dood. Niets optimistisch aan, aan de dood, en tegelijk de enige zekerheid die het leven biedt. Met zoiets uitgesproken terneerslaands als de dood als de onvermijdelijke slotconclusie van een verder nog in te vullen pleidooi, lijkt pessimisme de enige grondhouding met succesgarantie. Het kan lang duren, het kan kort duren, maar vroeg of laat schaart het gelijk zich uw kant, in de vorm van een lang ziekbed of een van rechts komende BMW.DeGelegenheidsOptimist
Er zijn twee belangrijke uitzonderingen die zich aan mijn pessimisme onttrekken, die me tot voorzichtig optimisme en soms zelfs een uitslaand enthousiasme verleiden.
Een van die uitzonderingen vormt het verleden.
Ik vind het verleden iets ontzettend prettigs. Het verleden doet in veel opzichten denken aan de toekomst, maar met dat verschil dat het verleden al veilig achter de rug is. Over het verleden ben ik dan ook voornamelijk erg optimistisch. Het heeft iets geruststellends, die totale zekerheid die het verleden biedt. En in mijn geval is het verleden toch ook vooral een aaneenschakeling van meevallers, tenminste in het licht van de grondgedachte van de pessimist, namelijk dat het allemaal nog veel erger had kunnen zijn. Tegelijk zijn het diezelfde meevallers die me met angst en beven laten kijken naar alles wat nog komen moet. Immers, die mazzel moet toch eens ophouden, de tegenspoed wacht slechts een geschikt moment af om mij met zijn knuppel in mijn nek te raken. Dat een opwekkend verleden zou kunnen leiden tot een meer optimistische kijk op de toekomst, gaat er bij een pessimist als ik maar moeilijk in. Het leven is in de basis toch niet veel meer dan een vrij risicovolle belegging waarvoor geldt dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie vormen voor een zorgeloze toekomst. En zoals meestal bij risicovolle beleggingen: integendeel.

De tweede uitzondering die zich zonder problemen aan mijn somberheid onttrekt, de laatste uitzondering op de regel van de veilige treurnis, is schrijven.
Wie schrijft en er tegelijk een zekere mate van onzekerheid of zelfs onzekerheid over het eindresultaat op nahoudt, kan het bij voorbaat al shaken. Wanneer ik schrijf, gebeurt precies het omgekeerde: terwijl ik woorden, zinnen en alinea’s op papier zet, geloof ik op datzelfde moment in de perfecte afloop, dat al die woorden en zinnen en alinea’s op een gegeven moment een geheel vormen dat nog vele malen grandiozer was dan ik het me tijdens het schrijven kon voorstellen.
Wanneer ik schrijf, is er geen lezer. Het is de meest verrukkelijke vorm van eenzaamheid. Er vormt zich een wereld onder je handen.
Het plezier dat schrijven mij op z’n beroerdste momenten nog weet te bezorgen, is een volstrekt ander plezier dan alle andere plezieren die ik ken. Zelfs wanneer een zin zich weigert aan mijn ideaalbeeld te conformeren en liever een clichématige kutzin blijft (zoals ‘Er vormt zich een wereld onder je handen’), gebeurt er iets ongelooflijks, iets wat met iedere keer dat het wordt naverteld onbegrijpelijker wordt, omdat het niet na te vertellen is. Zeker is dat het iets uitermate fijns is.
Wat dat fijne is? Het heeft met gedachten te maken. Niet zozeer de materialisatie van die gedachten – dat kan immers op talloze, minder omslachtige manieren – als wel het feit dat dat materialiseren op papier gebeurt. In tegenstelling tot mij is papier uiterst geduldig. Iedere zin die ik schrijf wordt op die manier een geheugensteuntje voor ik-weet-niet-wanneer.
Veel psychologen zijn ervan overtuigd dat schrijven een gedoemd gevecht tegen de bierkaai van de sterfelijkheid is. Geloof ik onmiddellijk, maar voor mij is het meer.
Iedere zin – zelfs ‘Er vormt zich een wereld onder je handen’ – herinnert je aan zinnen die je ooit hebt gedacht, aan de persoon die je kennelijk geweest moet zijn en aan de tijd die voorbij is maar waarin je met ieder opgeslagen woord weer even kan terugkeren – soms kan een reis naar vijf minuten eerder al walgelijk nostalgisch lijken.
Iedere zin een foto, iedere column en ieder artikel een bladzijde in het fotoalbum van je geest.

Bovendien – nergens een bruggetje in de buurt, dus zwem ik terug naar mijn hoofdthema – vereist schrijven de meest uiterste vorm van optimisme: perfectionisme. Voor minder dan ‘briljant’ doet de schrijver het niet. Tenminste, zolang hij de tekst nog onder handen heeft en niet heeft uitgeleverd aan anderen. Het schrijven is op zichzelf natuurlijk al een uiterst optimistische daad, de wens om het geschrevene ook daadwerkelijk te publiceren neigt naar roekeloosheid.
Dat begrijp je pas als de tekst van je weg is – als je kind dat voor het eerst een weekend alleen naar Terschelling gaat. Het maken van een kind was een daad van groot optimisme, maar met het op eigen houtje laten kamperen in het Sodom en Gomorra van Camping De Appelhof treedt het pessimisme in: de lijst van dingen die het kind kunnen overkomen kent geen grenzen. Datzelfde geldt voor de lijst van meningen die onwetenden – of nog erger: wetenden – zich over jouw tekst kunnen vormen. Met iedere publicatie van een eigen tekst treedt een pessimisme in werking dat in dezelfde flat woont als het fatalisme. Je weet nog niet precies wat er met die woorden, zinnen en alinea’s van je gaat gebeuren, maar alleen dat het iets Heel Ergs zal zijn.
Je ziet jezelf als de bard uit Asterix, op het schavot van een speciaal internetforum voor mensen met vernietigende meningen en uiteindelijk in de goot, omdat het enige talent dat je dacht te bezitten, is ontmaskerd als een zielig excuus voor een zinloos en andere mensen ergerend tijdverdrijf.
Met andere woorden: zolang je schrijft ben je vrolijk, euforisch en tikt je optimisme de grenzen van je verbeelding aan, maar zodra je publiceert, ben je het haasje. Je kunt één tekst publiceren, of tien of 17.762; bij iedere zin die aan de openbaarheid wordt blootgesteld, word je bevangen door de geruststellende zekerheid dat je nu toch echt door de mand zal vallen als een charlatan van het woord. Je ziet het nu zelf ook: dit is bagger van de bovenste plank, de buitencategorie en absolute topklasse, baggergewijs. Het is niks en het is alleen nog wachten tot iemand dat tegen je zegt. Hoe heb je ooit zo naïef kunnen zijn, hoe heb je deze tekst ooit tot een einde (geen goed einde, maar toch) gebracht zonder dat je dacht: waar ben ik in godsnaam mee bezig?
Je zult het nooit weten. Als schrijven voelt als de kracht die je nog voelt na honderdvijftig baantjes in een Olympisch zwembad, dan voelt publiceren als het je peuter van twee in het diepe gedeelte van een zwembad gooien en hem er pas na een week weer uit mogen halen: je kunt natuurlijk optimistisch blijven, maar de kans dat het goed afloopt is nihil.
En dan komen de reacties: sommige hard, sommige vriendelijk-kritisch en, als je geluk hebt, zitten er zelfs een paar opbeurende en zelfs enthousiaste tussen. Dat valt dan al weer mee en vol goede moed begin je aan iets nieuws, terwijl je in je achterhoofd natuurlijk best weet dat het waarschijnlijk niks gaat worden.

Lees meer van

Afspraakje

Door Frank Heinen

Jean trekt een gezicht naar de spiegel. Op zijn uiterlijk valt niet echt iets aan te merken. Niet dat hij zichzelf als wild aantrekkelijk zou omschrijven, dat niet, maar hoe noemen ze dat? Hij mag er zijn. Grote onvolkomenheden ontdekt hij niet in zijn spiegelbeeld. Nu ja, misschien zijn ogen. Die zijn aan de doffe […]

Lees meer uit de categorie Essay

Sinterklaas, Zwarte Piet en het geestverruimende bier

Door Stephen Snelders

Er is veel te doen om Zwarte Piet, want waarom is hij eigenlijk zwart? Veel mensen vinden dit aanstootgevend: een blanke Sinterklaas met zwarte hulpjes – dat is racistisch, een overblijfsel uit het tijdperk van de slavernij. Die slavernij werd in de gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden pas in 1863 afgeschaft, terwijl de eerste […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper