Essay

Stay in your lanes

Door Jeroen Pen
18 september 2013

Een jaar of veertien moet ik geweest zijn toen ik het las. In een muziekblad – de titel zal ik verdrongen hebben – lichtte Noel Gallagher van Oasis toe waar ‘Wonderwall’ over ging. Namelijk: nergens over. Ja goed, over een meisje, misschien, zou kunnen, maar dat was ook maar een kwestie van interpretatie. En teksten interpreteren, aldus Noel, was een krankzinnige bezigheid. Tekst en thematiek deed hij af als irrelevant, liedjes draaiden om klank.
Ik was in shock. Hoe kón iemand zoiets hufterigs beweren? Juist de samensmelting van klank en prozaïsch taalgebruik maakt popmuziek toch uniek? Als je niets te melden hebt, kan je toch ook gewoon een instrumentale plaat uitbrengen? Het doel van een popliedje, zo had ik altijd begrepen, was het duiden van de tijdsgeest. Een goede compositie, begeleid door coupletten die de woede of murwheid van een generatie onder woorden brengen: zo zou muziek moeten zijn. Betekenisloze onzin doet het dan misschien goed bij de massa, maar helpt haar niet verder. Niemand heeft iets aan pulp.

Een kleine twaalf jaar later scande ik de recensie-secties in popbladen nog steeds op complimenteuze alinea’s over poëtische hoogstandjes van de nieuwe voice of a generation. Veelal zonder succes. Even begon ik te geloven dat enige geëngageerdheid Generatie Y écht vreemd was. Tot ik per ongeluk struikelde over een band die wél in staat bleek mijn analysezucht te bekoren, die wél in een maatschappelijke context te bestuderen was en die wél signaleerde dat we als mensen te ver verwijderd zijn geraakt van onze natuur.

Met The Maccabees, vijf ietwat onhandig ogende jongens uit Brighton, maakte ik ooit kennis na het verschijnen van hun tweede album, Wall of Arms (2009). Beslist geen hoogstandje, maar een aardig geslaagde Arcade Fire-imitatie van ruim 37 minuten. Wat me vooral aansprak was het feit dat zanger Orlando Weeks klonk alsof alles wat om hem heen gebeurde hem vreselijk verbaasde. Welke invalshoek hij ook koos om de liefde te benaderen – enthousiast, teleurgesteld, overrompeld – hij leek permanent verschrikkelijk in de war. Het derde album van The Maccabees, Given to the Wild uit 2012, klonk broeieriger en minder als een persiflage op andere bands. Ze ontvingen zelfs een nominatie voor de prestigieuze Britse Mercury Prize. Maar echt veelzeggend was het allemaal niet. Toegegeven, de gitaargolven waren imponerend, maar het schurkte toch een beetje tegen kitsch aan allemaal. De hoge verkoopcijfers waren de beste knullen beslist gegund, maar op een échte creatieve ingeving kon ik het vijftal helaas niet betrappen.
Godzijdank bracht het internet, het grootste geschenk voor de muziekindustrie sinds het ontstaan van fatsoenlijke opnameapparatuur, soelaas. We kennen het allemaal wel: uit verveling download je iets, om er na het beluisteren van de eerste twintig seconden van de eerste paar liedjes nooit meer naar om te kijken. Maar de echt verveelde of gehaaste ziel weet dat je met behulp van de i-Tunes optie ‘random’ jaren later zomaar oog in oog kan komen te staan met nooit afgeluisterde pareltjes.

Dit overkwam mij op een regenachtige zaterdagmorgen, toen ik me afvroeg of ik – met het oog op het broodje döner van de nacht ervoor – naar de sportschool of naar het zwembad moest. I-Tunes’ random trakteerde mij op ‘Too Hot‘, een parel van rapper Coolio die, zo las ik ooit ergens, over HIV gaat. Het is mij nooit gelukt het waarheidsgehalte van deze theorie te achterhalen, aangezien het beginstuk klinkt als een kruising tussen een huilende kreeft en de soundtrack van een pornofilm uit de jaren negentig. De ochtend in kwestie drukte ik dan ook snel op ‘skip’.
En toen, toen gebeurde het. Vier seconden lang zwembadgeluiden, daarna deden gitaar en drum hun intrede, op de voet gevolgd door een mondharmonica. Wat volgde was een tekst die niet alleen mijn probleem (zwembad of sportschool) oploste, maar alle overige ellende ook tot miniatuurformaat reduceerde. Voor het eerst in mijn leven hoorde ik ‘Latchmere’, een lofzang van The Maccabees op het Londense golfslagbad van dezelfde naam. Een niet te bagatelliseren moment dat in het rijtje ‘waar-was-jij-toen‘ voor mij ergens tussen de val van de Twin Towers, de moord op Fortuyn en de eerste keer dat ik Foucault las plaatsneemt.

De tekst van ‘Latchmere’ lijkt in eerste instantie nietszeggend, maar blijkt bij nadere bestudering een getergde uitspatting over opgroeien en de liefde. En een hoogtepunt uit de geschiedenis van de Britse poëzie. Lord Byron, William Blake, John Cooper Clarke: maak plaats, Orlando Weeks komt eraan. Een korte analyse:

‘Swimming, swimming, swimming, swimming,
just stay in your lanes

No bombing and no heavy petting
so just stay in your lanes.‘

De enthousiaste, bijna extatische intonatie waarmee Weeks ‘swimming‘ zingt, is puur en alleen bedoeld om de luisteraar op het verkeerde been te zetten. Het vrolijke beeld van golfslagbad – een plek waar plezier hoogtij viert – is slechts een opstapje naar een dwingende boodschap, gebracht in de gebiedende wijs: stay in your lanes. En geen bommetjes of stiekeme zoenpartijen, Latchmere is een plek waar orde en regelmaat de sleutelwoorden zijn. Een speelpaleis als metafoor voor de doorwerkende kracht van Thatcheriaanse discipline van de jaren tachtig – hier is een grootmeester aan het werk.
Vervolgens kermt een inmiddels in staat van paniek verkerende Weeks: ‘Madames and monsieurs, please return to your cubicles.‘ En juist als de angst voor opsluiting ook de luisteraar treft, deelt de zanger een linkse uit met het refrein. Eén zin, gevolgd door een handjevol woo-woo’s: ‘Latchmere’s got a wavemachine!

Die tegenstelling – verplicht in je zwembaan blijven, als de sodemieter terug naar je verkleedhok enerzijds en het genot van de golfslag anderzijds – geeft Latchmere haar kracht. Het spanningsveld tussen moeten en willen, spelen en werken, bevlieging en opoffering: alles zit erin. Dit, waarde luisteraar, is onmiskenbaar een ode aan de groeipijn die zo kenmerkend is voor adolescentie. Te groot voor het servet, te klein voor het tafellaken. Te oud om te klieren, te jong om te begrijpen.

‘Came out of the changing room and absolutely fuck all had changed
So I stayed in your lane‘

Hier gebruikt Weeks het najagen van een verliefdheid als metafoor voor volwassenheid. Het besef dat de wereld niet veranderd als je je even verstopt (in dit geval in een kleedkamer), maar dat dromen er zijn om zelf na te jagen en waar te maken (in dit geval als een wildebras een verliefdheid nazwemmen). De bescherming van je ouders die langzamerhand verdwijnt en plaats maakt voor – nu ja, voor niets eigenlijk. Dat gat moet je zelf opvullen.

‘Speedo’s speed by, speedo’s speed by‘

Nog zo’n gewraakt adolescenten dilemma: de rest gaat sneller dan ik, hoe hou ik ze in godsnaam toch bij?

Elders op Colour It In, de debuutplaat van The Maccabees waarvan het nummer afkomstig is, is ook genoeg te beleven. Zo klinkt ‘First Love‘ op het eerste gehoor als een onschuldige ode aan kalverliefde, maar blijkt het een kritische reflectie op de vergankelijkheid en inwisselbaarheid van (kalver)liefde. ‘Precious Time‘ is een essay op muziek over de botsing tussen romantiek en postmodernisme. En ‘Lego‘ staat bol van de open ruimtes die maar op één manier ingevuld kunnen worden: volgens Weeks heeft het neoliberalisme ons de onschuld en het spelplezier ontnomen. Deze liedjes maken van Colour It In met afstand de beste Britse plaat van de noughties. Het is een kwestie van tijd voor historici, cultuurwetenschappers en andere beroepsduiders hem bij het rijtje Revolver, Never Mind The Bollocks, London Calling, The Queen is Dead en OK Computer zullen plaatsen. Tip: haal hem ergens van internet af, zodat je in ieder geval tegen je vrienden kan zeggen dat je het eerder wist dan zij.

Wonderwall‘ is overigens een liefdevolle smeekbede van de Britse working class aan Tony Blair. Echt. Luister maar.

Latchmere
Latchmere Leisure Centre – ‘slide in main pool’ 

Ben jij inmiddels ook Latchmeriaan geworden? Wordt dan nu lid van de Latchmere Appreciation Society, ontmoet gelijkgestemden en ontvang 10% korting op de vlucht naar het bedevaartoord dit najaar.

Lees meer van

De kick van iets moois

Door Jeroen Pen

Een interview met scheidend hoofdredactrice en opper-Optimist Miriam van Ommeren. ‘Zet er anders boven: ‘een indringend profiel van iemand die een of ander websiteje heeft opgericht’,’ zegt ze grijnzend. Ze zit op de bank in haar appartement in Amsterdam Oud-West. Het is het type woning dat ruimtelijk hoort te zijn, ware het niet dat er […]

Lees meer uit de categorie Essay

Onze piraten, wijzelf

Door Stephen Snelders

De wijze waarop piraten verbeeld worden op het witte doek zegt iets over de kijkers, over ons zelf. Want onze piraten zijn wij zelf.     De verrassende en vernieuwende manier waarop Johnny Depp in Pirates of the Caribbean: The Curse of the Black Pearl (2003) het karakter van zeeroverskapitein Jack Sparrow vertolkte sloeg aan […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper