Kort verhaal

Afspraakje

Door Frank Heinen | beeld: Elise van Iterson
6 november 2013

Jean trekt een gezicht naar de spiegel.
Op zijn uiterlijk valt niet echt iets aan te merken. Niet dat hij zichzelf als wild aantrekkelijk zou omschrijven, dat niet, maar hoe noemen ze dat? Hij mag er zijn. Grote onvolkomenheden ontdekt hij niet in zijn spiegelbeeld. Nu ja, misschien zijn ogen. Die zijn aan de doffe kant. Het is een onvolkomenheid waar hij zich lang geleden bij heeft neergelegd. Aan doffe ogen kan een mens niets doen.
Ja, een bril, maar zijn ogen mogen dan dof zijn, ze doen hun werk nog altijd uitstekend. En een bril dragen terwijl het niet noodzakelijk is, als modeaccessoire, dat ligt niet in zijn aard. Jean is verzorgd, niet ijdel.
Voor de rest bevalt wat hij ziet hem uitstekend. Zijn haar is vol en nauwelijks grijs, het krult in zijn nek een beetje op, wat hem iets studentikoos geeft, vindt hij. Zijn hals is strak, zonder de plooien die je bij sommige mannen van zijn leeftijd wel eens ziet, plooien die als de vouwen van een ouderwets gordijn vanuit hun kin over hun hals glijden.
Nee, aan zijn hals zal het vanavond niet liggen. Evenmin aan zijn rechte neus, zijn tanden (wit genoeg) en zijn gezonde teint, die hij grondig onderhoudt door iedere veertien dagen een dubbele sessie te boeken bij Bobs Sunsaloon.
Als hij al ijdel is, dan toch met mate.
Wanneer hij terugkeert van het toilet, staat de ober bij zijn tafeltje te dralen, als een kat rond z’n voederbak.
‘Meneer Van Oort?’
‘Ja?’
‘Mevrouw is wat later. Ik moest u haar nederige excuses overbrengen.’
‘Haar nederige excuses.’
‘Haar woorden, meneer.’
Dus ze heeft naar het restaurant gebeld om te zeggen dat ze wat later is. Dat kan natuurlijk, dat is zelfs erg netjes. De vraag waarom ze niet naar hem heeft gebeld, maakt een verkenningsvlucht door zijn gedachten. Ze hebben elkaars nummer tenslotte, hij heeft nota bene speciaal voor haar leren sms-en.
Verlegenheid, denkt hij. Het is voor haar ook de eerste keer.
Hij bedankt de ober en bestelt nog een biertje. De jongen verdwijnt.
Jean houdt niet van bier. Liever iets sterks of anders helemaal niet. Maar hij weet niet wat dat voor indruk maakt: een man met doffe ogen die alleen in een restaurant zit, met een glas sterke drank voor zich. Een droevige indruk, zelfverzekerd, wanhopig? Hij heeft het altijd een onoplosbaar vraagstuk gevonden, de vraag hoe anderen hem zien. Daarom zit hij hier nu achter zijn tweede biertje, hopend dat de drank van hem een ontspannen op zijn gezelschap wachtende man maakt.
Om zich heen ziet hij overal stelletjes. Echtparen, prille verkeringen, uit elkaar groeiende midlife-relaties, eerste afspraakjes; alles door elkaar maar allemaal samen. Hij is de enige gast alleen en het gevoel dat dat hem geeft, houdt het verwarrende midden tussen trots en onbehagen.
De vingers van zijn linkerhand tokkelen onwillekeurig mee met de haast onhoorbare muziek die net hard genoeg staat om de spijsvertering van de gasten te bevorderen. Ritmisch roffelen de toppen over het witte tafelkleed. Met zijn andere hand schuift hij zijn bierglas heen en weer, heen en weer, heen en weer.
Hij overweegt een slok te nemen, tilt het glas op, laat het bier walsen, knoeit en zet het glas weer neer.
‘Alles naar wens, meneer?’
‘Ja. Ja.’
‘Kan ik u anders alvast iets kleins te eten brengen, een bakje olijven, een mandje brood?’
‘Nee,’ zegt Jean. ‘Ik wacht nog even. Brengt u in de tussentijd nog maar een biertje.’
De jonge ober kijkt naar het volle glas, dan naar hem en dan weer naar het volle glas.
‘Zeker, meneer.’

'Afspraakje' - Elise van Iterson

Jean kijkt hem na. Achttien, hooguit. Jean heeft wel eens een artikel gelezen over horeca opleidingen op het laagste niveau, opleidingen waar je kunt worden opgeleid tot kelner of hulpkok en waar je eindeloos stage moet lopen, zonder dat je er iets mee verdient. Fooi geven, denkt hij, niet vergeten straks.
Hij neemt een slok van zijn bier. En nog een, en nog een.
Voor hij er erg in heeft, heeft hij het hele glas in een teug achterover geklokt.
Hij voelt hoe het koude bier door zijn slokdarm stroomt en in zijn maag klotst, als een rioolpijp die uitkomt in een vergeten riviertje dichtbij zee. Over zijn kin loopt een druppel bier. Jean pakt zijn servet met twee handen vast en dept zijn kin en zijn lippen droog.
Er is niets op hem aan te merken. Op zijn uiterlijk niet, en op zijn tafelmanieren al evenmin. Hij drinkt misschien wat gulzig, soms.
Een bittere boer komt omhoog. Jean houdt het servet voor zijn mond om het geluid in het linnen te smoren. Wanneer hij boert, voelt hij hoe er iets zurigs mee komt.
Een beetje kots, denkt hij. Dat heeft iedereen wel eens, een beetje kots.
Voorzichtig drapeert hij het servet over het lege glas, alsof het een slapend kind is dat dringend toegedekt moet worden. Trots kijkt hij ernaar. Misschien is het kunst, denkt hij. Conceptuele kunst. Misschien ben ik een kunstenaar, altijd geweest, een kunstenaar in het lichaam van een man op wiens uiterlijk en tafelmanieren niets aan te merken valt.
Een mevrouw aan de tafel voor hem knikt hem over de schouder van haar man toe. Het is een knappe vrouw, vindt Jean. Een knappe, getrouwde vrouw.
De jonge ober zet een nieuw glas bier voor hem neer.
‘Zal ik het andere meenemen of heeft u het nog nodig?’
‘Neemt u maar mee, hoor’ mompelt Jean, op de toon van iemand die als hij wil zo weer iets nieuws verzint.
‘U wilt nog steeds niets eten?’ vraagt de jongen.
‘Nee, maar ik wil wel even de wijnkaart zien,’ antwoordt Jean.
‘Tuurlijk, meneer. Zeker, meneer.’
Als de ober is vertrokken, schuift Jean zijn stoel naar achter, knikt de knappe vrouw toe en gaat voor de tweede keer vanavond naar het toilet.
Terwijl hij aandachtig toekijkt hoe de urine uit zijn piemel stroomt (zijn prostaat heeft hem ondanks de leeftijd nog niet in de steek gelaten), werpt hij een blik op zijn horloge.
Ze is nu exact een halfuur te laat.
Een halfuur valt nog mee, een halfuur kan later – als ze samen in bad zitten of in Toscane en terugkijken op hun eerste afspraakje – zomaar vergeten worden. Misschien zal zij er iets van zeggen – ‘Ik weet nog wel dat ik een half uur in mijn auto op de parkeerplaats heb gezeten, omdat ik niet durfde’ – en waarschijnlijk zal hij het vergeten zijn.
Een halfuur is niks als het om de liefde gaat, denkt Jean, terwijl hij aan zijn piemel schudt om hem van de laatste druppels te ontdoen.

Op zijn tafeltje ligt de wijnkaart, in leer gebonden. Erbovenop zit een geel plakkertje, van het soort dat mensen die op kantoor werken op elkaars rug plakken, voorzien van een grappige tekst die dan veel later weer, op de bank bij een dure psycholoog, als stigmatiserend zal worden ontleed.
Mevrouw nog iets later. Word opgehouden. Nederige exkuses. Mvg
Jean kijkt naar het briefje, draaide het om, alsof er iemand ooit iets op de plakkende kant schrijft. De achterkant is leeg, geel en plakkerig.
Hij plakt het briefje op een lege plek op het tafellaken en verdiept zich in de wijnkaart. Zijn rechterhand beweegt weer automatisch in de richting van het bierglas, dat hij gedachteloos heen en weer begint te schuiven terwijl hij de wijnen op de kaart bestudeerde.
‘Heeft meneer een keus gemaakt?’
‘Doet u mij die Merlot maar,’ zei Jean. Aan Merlot kan niemand zich een buil vallen.
‘Uitstekend. Een glas Merlot.’
‘Een fles Merlot.’
‘Een fles?’
‘Met twee glazen.’
‘Zeker, meneer. Heeft u het briefje ontvangen?’
Jean gebaart naar de post-it op het tafellaken.
‘Heel goed, meneer. Dank u, meneer. Mag ik u complimenteren met uw keus, meneer.’
Jean drinkt van zijn bier. Hij denkt aan de advertentie, aan de e-mails, aan de sms-jes.
Uit de binnenzak van zijn colbert vist hij zijn telefoon en leest een paar van haar oude berichten. Een zin in die korte berichtjes herleest hij steeds opnieuw, alsof hij voortdurend wil controleren of het er echt staat.
Er valt echt niks op je aan te merken.
De zin valt nauwelijks op in een eindeloze opsomming van complimenten van een vrouw die hij nog nooit ontmoet heeft, complimenten voor zijn foto, zijn digitale profiel en zijn stilistisch uitmuntende e-mails.
Ze geeft Nederlands, ze is gevoelig voor stilistische uitmuntendheid.
De fles en de glazen worden voor hem neergezet.
‘Zal ik…?’ vraagt de ober.
‘Straks.’
‘Uitstekend, meneer.’
Wanneer er een bestelling passeert, kijkt Jean op de borden. Hij ziet een stuk vis met puree voorbijkomen, en iets wat op quiche lijkt, een Wienerschnitzel en verschillende bakjes met vers fruit.
Vers fruit in november, denkt Jean.
Zij stelde dit restaurant voor. Hij wilde eerst alleen wat drinken, zij wilde meteen dineren. Toen ze dat schreef, wilde hij ook dineren.
Hij had iets eenvoudigs bedacht, een eetcafé met saté en friet, vlakbij het station. Niet echt de meest voor de hand liggende plek voor een man van zijn leeftijd. Het eetcafé zit altijd vol studenten, die er voor half geld de dagschotel kunnen eten. Maar Jean voelt zich prettig, in de drukte en de harde muziek. Veel jongeren knikken hem daar toe, misschien omdat hij ze aan hun ouders doet denken, misschien ook omdat hij er zo vaak komt.
Als hij dan thuiskomt van het café, ruikt zijn colbert naar frituurvet.
Een keer heeft hij een meisje meegenomen, een meisje dat aan zijn tafel kwam zitten met een onsmakelijk uitziend bord lasagne. Het meisje had een neuspiercing gehad, en de bleekste huid die hij ooit had gezien. Haar date was niet op komen dagen, zei ze.
Ze hadden de hele avond gepraat over van alles. Jean had het gezellig gevonden, hoewel het meisje ook iets vreemds over zich had gehad. Het meisje vond het ook gezellig, ze had het alleen de hele tijd koud. Daarom had buiten zijn colbert als een deken om haar heen geslagen.
’s Avonds hadden ze seks gehad bij hem thuis, met de verwarming aan. Het colbert rook de volgende dag naar frituur en naar jong meisje.

Toen Jean dit verhaal had verteld, zei zijn match dat ze niet van saté hield, en dat piercings onhygiënisch waren. Een dag later mailde ze weer.
Het was een FW-mail. Een FW van een reservering voor dit restaurant. Voor twee, om 19:30.
Hij speelt met zijn telefoon en drinkt van zijn bier. Ze maakte in haar mails helemaal geen verlegen indruk, denkt hij. Niet als iemand die niet durft te bellen.
Schijn, denkt hij, pose. Vrouwen. Leer hem vrouwen kennen.
Als hij wenkt om de wijn te laten ontkurken, komt er een andere ober dan eerst. Deze is ouder, grijzer, hij ruikt naar de stoffen bekleding van sommige auto’s.
‘Waar is die jongen van net?’ vraagt Jean.
‘Weg.’
‘Weg?’
‘Weg.’
‘Komt hij nog terug?’
‘Terug?’
‘Hier terug?’
‘Nee.’
‘O.’
‘Ik ben uw ober de rest van de avond meneer.’
‘Niet de jongen.’
‘Niet de jongen. Zal ik u anders alvast een mandje brood brengen, meneer?’
‘Nee,’ antwoordt Jean, ‘dank u. Ik wacht nog even. Ik wacht op iemand.’
‘De jongen komt niet meer, m’neer. Hij is weg.’
‘Ik wacht op iemand anders. Op een vrouw.’
‘De vrouw die heeft gereserveerd?’
‘Ja. Die mevrouw is mijn date.’
De ober aarzelt. ‘Meneer, die mevrouw komt niet.’
‘Ze is wat later,’ zegt Jean hard.
‘Meneer, ik verzeker u: ze komt niet.’
‘U weet van niets, meneer. Ze komt. Doet u toch maar zo’n mandje brood. En wat olijven.’
Hij neemt een slok van zijn wijn, trommelt op tafel en richt zijn blik op de deur.
Zoals hij hier nu zit, valt er niks op hem aan te merken.

Lees meer van

De pessimist

Door Frank Heinen

Frank Heinen, schrijver en columnist, bestrijdt zijn pessimisme met de liefde voor het schrijven. Illustratie: Ellis van der Does Nog niet zo heel lang geleden kocht ik een bank. (Nee, het zit anders). Nog niet zo heel lang geleden ging mijn vriendin met haar moeder naar de Ikea om voor mij een bank te kopen. […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Octopussen en groupies

Door Katrin Baumer

Voor themamaand De Germanist gingen we op zoek naar de Duitse tegenhanger van De Optimist. Die vonden we in online pdf-tijdschrift Das Prinzip der sparsamsten Erklärung – een eigenzinnig online magazine dat essays en korte verhalen van (nog) onbekend Duits talent publiceert. Essays en verhalen die zo mooi zijn dat we onze lezers er ook van wilden laten […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper