Essay

De Optimist eet…

Door Miriam van Ommeren
21 februari 2014

De Optimist eet; eet je mee? In het kader van onze thema-maand over eten laten we schrijvers, dichters en redacteuren vertellen wat hun favoriete ‘eet-fragment’ is in woord, beeld of geluid.
Hieronder schrijver Willem Claassen over de boterham met spek van Wipneus en Pim, boekredacteur Rebecca Wilson over ‘The Fish’ van Lydia Davis, schrijver Roos van Rijswijk over de gebraden everzwijnen van Asterix en Obelix, schrijver Niña Weijers over de charcuterie van Michel Houellebecq, redacteur Lauralouise Hendrix over het glas melk van Alfred Hitchcock en hoofdredacteur Miriam van Ommeren over de Taiwanese film 
Eat Drink Man Woman.

 

Miriam van Ommeren over Eat Drink Man Woman (1994)

“Van alle ‘eetfilms’ is Eat Drink Man Woman (1994) favoriet, en dan heb ik het met name over de bijna vier minuten durende openingsscène. Hierin zien we de Taiwanese weduwnaar Mr. Chu (een chefkok) het traditionele zondagsdiner bereiden voor zijn drie ongetrouwde dochters.
Een vis wordt gedood met twee eetstokjes en vervolgens gevild, gepaneerd en gebakken; een kip wordt rucksichtlos de nek omgedraaid terwijl een handvol kikkers op een hakblok hun lot afwacht. Groenten worden met militaire precisie gesneden, gestoomd en weelderig gedrapeerd in blauw-wit porselein. Verse deeglapjes worden meticuleus uitgerold, gevuld en in een stoommandje geplaatst. Alle handelingen worden zo vakkundig en sierlijk uitgevoerd; het is alsof je naar een dansvoorstelling kijkt.

Mr. Chu’s dochters hebben amper oog te hebben voor de culinaire overdaad: voor hun is de eettafel het strijdtoneel van een gevecht tussen moderniteit en traditie, met hun ouderwetse vader als wanhopige verliezer.
Voor mij is het pure kook-porno; ik verlang naar een omvangrijke messencollectie, een dik hakblok en een uitgebreide collectie bamboe stoommandjes. En ik spoel nog een keer terug naar het begin.”

———–

Lauralouise Hendrix over het glas melk van Alfred Hitchcock

Hitchcock1

Hitchcock2

Each time they kissed….
There was the thrill of love…
The threat of murder!

“Ooit ga je dood, dat is vrijwel zeker, ervan uitgaande dat Google er niet in slaagt dat binnen onafzienbare tijd te voorkomen. Net zo zeker zul je dus ooit iets eten dat het laatste blijkt te zijn dat je ooit at.
In tegenstelling tot sommige ter dood veroordeelden onder ons, zal wat er dan op het menu staat voor de meeste een verrassing zijn. Meestal omdat je vantevoren zelden weet wanneer je laatste adem uitblaast. Soms is het echter een verrassing omdat juist datgene wat je tot je neemt, dodelijk zal blijken.
Je wordt, om wat voor reden dan ook, vergiftigd.

Master of suspense Sir Alfred Hitchcock, welbekend om zijn enorme vindingrijkheid wat de dood betreft, kon daar wel wat mee. In zijn film met de meest toepasselijke titel uit zijn gehele oeuvre, Suspicion (1941), brengt hij het imago van één van de meest onschuldige voedingsmiddelen grondig om zeep.
Het knappe is dat hij dat niet doet door middel van een daadwerkelijke vergiftiging, maar enkel door het creëren van het idee dat vergiftiging kan plaatsvinden. Volgens het principe dat WETEN dat iets KAN ontploffen vele malen spannender is dan een enkele keiharde onverwachte knal, vertelt hij een verhaal van een rijke vrouw die hopeloos verliefd wordt op een vreselijk aantrekkelijke maar op elke mogelijke manier schimmige en onbetrouwbare man. Gedurende de film maakt de initiële verliefdheid van de vrouw meer en meer plaats voor wantrouwen jegens de werkelijke intenties van de man. Ze is rijk, heeft een immense levensverzekering en de onverlaat waar ze haar hart aan verliest heeft torenhoge gokschulden en een vriend annex schuldeiser die ook nog eens onder zeer verdachte omstandigheden de pijp uit gaat.

Het wantrouwen van de vrouw, Oscar-winnend gespeeld door perpetual lady in distress Joan Fontaine, wordt gedurende de film gevoed en gevoed door een opeenstapeling van verdachte handelingen door de meedogenloos charmante Cary Grant. De tergend spannende apotheose duurt slechts 100 seconden, en vindt plaats wanneer Grant zijn, door spanning en angst inmiddels aan bed gekluisterde, lief een glas melk brengt.

Een glas melk. Op een klein dienblaadje.

Het glas melk dat je –verwarmd- als kind van je moeder kreeg als je niet slapen kon; dat glas melk.

Terwijl het intens witte glas melk, duidelijk zichtbaar tegen het zwarte silhouet van Grant, de trap op lijkt te zweven temidden van de scherpste schaduwen, normaliter weggelegd voor een lugubere film noir, ontstaat bij Fontaine een spontane, door paranoia ingegeven lactose-intolerantie waar een hedendaagse foodsnob zich voor zou schamen.

Slechts vergezeld van een enkele kus laat Grant het glas naast haar bed achter. Nadat we inzoomen op het door angst verteerde gezicht van Fontaine sluit de scène af met een shot van alleen dat glas melk, ondertussen getransformeerd tot iets wat slecht afkomstig lijkt te kunnen zijn uit de borst van Satans moeder.

Stop met lezen en bekijk de scène:

Gezien? Spannend, nietwaar?
Het meest angstaanjagende glas melk in de geschiedenis werd door Hitchcock van binnenuit verlicht door een lampje. Het ware genie van de regisseur uitte zich in het feit dat hij een heel simpel technisch trucje gebruikte om de immense lading spanning reeds opgebouwd, een extra zetje te geven en zo nog ondraaglijker te maken. De spanning is zo intens dat je begint te geloven dat het jouw fantasie is die de melk doet verlichten. Het komt als kijker niet in je op dat er zo’n ordinaire verklaring voor kan zijn. Je fantasie wordt sterker dan hetgeen je daadwerkelijk ziet.

Sinds Suspicion geeft elk glas melk voor mij licht.”

———–

Niña Weijers over de charcuterie van Michel Houellebecq

 

Omslag Houellebecq

“Mijn favoriete eetmoment staat in De kaart en het gebied van Michel Houellebecq, al is het geen eetmoment in de meest strikte zin van het woord. In het boek gaat het hoofdpersonage, de succesvolle kunstschilder Jed Martin, een aantal keer op bezoek bij de schrijver Michel Houellebecq. Deze heeft hem namelijk gevraagd zijn portret te schilderen.

‘Ik was vroeger dol op charcuterie,’ zegt Houellebecq bij Martins eerste bezoek, ‘maar ik heb besloten het zonder te doen. Snapt u, ik denk eigenlijk dat de mens geen varkens zou mogen doden.’

Als Martin voor de tweede keer bij hem langs gaat, treft hij de schrijver in een verwilderde staat: in zijn pyjama, met vieze haren, vaag stinkend. ‘Hij leek op een oude zieke schildpad.’

‘Ik ben teruggevallen,’ zegt Houellebecq dan ook mismoedig. ‘Ik ben qua charcuterie helemaal teruggevallen.’
Inderdaad ligt zijn tafel bezaaid met plakken chorizo, mortadella en boerenpathé. Martin ontmoet Houellebecq daarna nog één keer, wanneer hij het schilderij bij hem aflevert.

Een tijdje later wordt de schrijver gevonden in zijn huis, nadat hij niet is komen opdagen bij een afspraak in Parijs. Hij is op een gruwelijke manier aan zijn einde gekomen: in stukjes gescheurd, zijn botten op een bloedige hoop bij de open haard, zijn hoofd geheel intact, kaarsrecht afgesneden op een leunstoel. Afgeslacht als een varken.

Bon appétit.”

———–

Roos van Rijswijk over de everzwijnen van Asterix en Obelix

 

Everzwijnen
“Hou je niet van everzwijn, Ocatarinetabellatchitchix?’

“De everzwijnen hangen in hun geheel aan het spit en zijn goudbruin, of ze liggen in een plas saus –  wederom in hun geheel –  op het bord van Obelix. De Galliërs, in extase na een glorieuze overwinning en moe van het gooien met Romeinen, scheuren sappige kluiven af en schransen slordig. Zo’n zwijn hoeft niet per se aan tafel gegeten te worden; je kunt er, wanneer je toevallig onderweg bent naar een volgend dorp, ook gewoon eentje boven een vuur roosteren. Ik krijg altijd ontzettende trek in everzwijn als ik Asterix & Obelix lees.

Niet dat ik ooit een everzwijn gegeten heb. Of een varken dat nog als zodanig herkenbaar is. Eigenlijk houd ik helemaal niet zo van varkensvlees. Vlees an sich is al een beetje een ding; ik eet het nauwelijks, want ik ben overtuigd huicheltariër. Dat houdt in dat ik erg veel van dieren houd en bij ieder weiland waar nieuwsgierige koeien instaan even van mijn fiets stap om hun snuiten te aaien of om een foto van ze te maken, maar dat ik na een half glas bier in de kroeg onmiddellijk bitterballen bestel. Ook huichel ik hartstochtelijk tegen de bio-industrie, maar bezwijk ik eens in drie maanden voor een HEMA-hotdog en vreet ik dolgelukkig de beesten die mijn vrienden me voorzetten wanneer ik ze zonder mijn vriend (een échte vegetariër) bezoek. Dan heb ik het nog niet eens over vis gehad; mijn geweten heeft ‘vis’ voor het gemak onder de categorie ‘groenten’ geschaard, om van het gezeik af te zijn.
(Overigens is dit alles mijns inziens zoals ál mijn first world problems te herleiden naar mijn opvoeding: toen ik als peuter aankondigde dat ik geen koeien en kippen meer wilde eten, verzonnen mijn ouders ‘eetkoeien’ en ‘eetkippen’. Wat ik me daarbij voorstelde weet ik niet meer, maar ik vrat ze.)

asterix-zwijn

Maar die zwijnen dus – wat zien ze er heerlijk uit. En wat zal het lekker ruiken, zo’n knapperig eetbeest. Hout, rook, mosterd, zoiets. Hongerig googel ik de bereiding van een everzwijn. Wat blijkt: ik ben niet de enige die de strips met het water in de mond leest. Op het FOK!forum, waar ik geen account heb maar wat ik doorgaans beschouw als soort orakel met een kwade dronk, stelt iemand de vraag hoe je dat doet, een heel everzwijn bereiden ‘zoals in Asterix en Obelix’. De vraagsteller krijgt veel bijval.

‘Dat is toch master om zo een avondje met vrienden en flink wat bier in het bos te zitten _O_,’ schrijft iemand.

‘Kan ik me aanmelden voor deze fiësta?’ wil een ander weten.

‘Gewoon een zwijn met een stok erdoorheen boven een kampvuur,’ weet weer iemand anders.

Het topic eindigt met een afbeelding van een opengereten varken boven een vuur. Het varken heeft dezelfde kleur als de mannen die eromheen staan. Niemand heeft een blauwwitte streepjesbroek aan. Er is geen saus. Opeens zijn zelfs de stinkende vissen van Kosturnix – die goddomme door de brandende zon vanuit Lutetia helemaal naar dat kleine Gallische dorp vervoerd moeten worden –  aantrekkelijker dan het wildgebraad.

Gelukkig bestaat er ook een Asterix-album met een glansrol voor mijn allerlievelingseten: in Asterix en de Helvetiërs kaasfonduet men dat het een lieve lust is. Of nou ja, gelukkig… smakelijk ziet het er niet uit. Tussen de vale kaasdraden hangt zo nu en dan iemand in een rolstoel. Aan de zijlijn van het feestmaal – een tijdelijke rage onder de Romeinen – roepen hoeren en dikke legionairs sensatiebelust om de zweep (één keer je broodje in de kaas laten vallen) de stok (twee keer) of om de verdrinkingsdood (drie keer). Een stuk minder appetijtelijk, al met al, dan die malse zwijnen (kamelen, koeien, kippen) van Uderzo’s hand.

kaasfondue2

Maar vooruit. Voor mijn geweten en mijn lieve vriend; ik zal me inhouden. Het leven is geen stripverhaal. Al wil ik bij dezen wel aan u vragen of u me, wanneer ik een biertje op heb en de barman meldt dat het al te laat is voor de bittergarnituur, alsjeblieft uit te buurt van gebraden wild wilt houden.”

Meer over de gastronomie van Asterix en Obelix hier

———–

Rebecca Wilson over ‘The Fish’ van Lydia Davis

 

The Fish

She stands over a fish, thinking about certain irrevocable mistakes she has made today. Now the fish has been cooked, and she is alone with it. The fish is for her – there is no one else in the house. But she has had a troubling day. How can she eat this fish, cooling on a slab of marble? And yet the fish, too, motionless as it is, and dismantled from its bones, and fleeced of its silver skin, has never been so completely alone as it is now: violated in a final manner and regarded with a weary eye by this woman who has made the latest mistake of her day and done this to it.

“Of het nog daadwerkelijk tot een eetmoment komt, is de vraag, maar dit zeer korte verhaal over de confrontatie tussen een vrouw en haar reeds klaargemaakte vis is me altijd bijgebleven als een even absurd als tragisch hoogtepuntje uit het oeuvre van Lydia Davis.
Als mens en maaltijd elkaar lijken te vinden in een overweldigende eenzaamheid, hoe kan de een de ander dan nog opeten?”

———–

Willem Claassen over Wipneus en Pim

 

Wipneus en Pim

“In mijn herinnering aten Wipneus en Pim om de haverklap goed belegde boterhammen die ze in hun rugzak mee hadden genomen. Ik zag het helemaal voor me: de vriendjes onder een boom, moe van een of ander spannend avontuur, en dan die overheerlijke boterhammen. Het water liep me in de mond.
Als ik na jaren een willekeurig boekje uit de serie opensla, hoef ik niet lang te zoeken voor een boterham. Op pagina 8 van Wipneus, Pim en de wensput ligt het tweetal in het gras en hapt ‘dikke Pim’ gretig in een boterham met spek. Er volgt een dialoog waarin Wipneus zijn vriendje verwijt dat hij teveel eet, want ze hebben op pagina 4 nog ontbeten. Maar Pim is een slimme jongen. Hij weet dat hij nog lang op die boterham met spek zal moeten teren. Pas over de helft van het boek, pagina 46, krijgen ze soep van ene koningin Sabina en daarna moeten ze nog flink aan de bak voordat ze op pagina 72 een niet nader omschreven avondeten voorgeschoteld krijgen. Het is de boterham met spek waar dit boek op is gebouwd, en die domme Wipneus heeft er geen kruimel van op.”

 

Over de auteur

Miriam van Ommeren (1978) is mede-oprichter en hoofdredacteur van De Optimist. Ze schrijft, bij voorkeur over kunst en literatuur, redigeert, maakt programma's en houdt van interviewen. Ze werkt voor Incubate Festival als manager Beleid & Financiering.

Lees meer van

De Optimist is jarig!

Door Miriam van Ommeren

Lees meer uit de categorie Essay

Lumineus – Cassander Eeftinck Schattenkerk

Door Cassander Eeftinck Schattenkerk

Tekst en redactie: Nynke Vissia Je zou hem een ontdekkingsreiziger op huis- tuin- en keukenniveau kunnen noemen. Cassander Eeftinck Schattenkerk trekt niet de wijde wereld in om betoverende landschappen te fotograferen; hij kweekt ze zelf, in eigen habitat. Brine 4 Eeftinck Schattenkerk studeerde Woord en Beeld aan de Vrije Universiteit Amsterdam en vervolgens Fotografie aan […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper