Essay

Weelde

Door Julien Staartjes
10 mei 2014

Julien Staartjes schreef voor De Kapitalist een essay over Nescio’s De Uitvreter en het belang van leven, genieten en onbevreesd zijn.

 

Helemaal niks. Hij is “Goddank heelemaal niks.” Als we Gods hand, die hier ongetwijfeld niets mee van doen heeft, buiten beschouwing laten, kunnen we vaststellen dat Japi, het hoofdpersonage uit Nescio’s De Uitvreter (1911), bijzonder weinig materiële of sociale ambitie koestert. Zijn enige doel in het leven is te versterven – iets waar hij overigens redelijk succesvol in is.

Als ik om mij heen kijk, zie ik maar weinig mensen die aan het versterven zijn. De twintiger van nu is ondernemend en heeft ambities. Wat die ambities zijn, is vaak van ondergeschikt belang; was je ooit al speciaal als je één ding heel goed kon, tegenwoordig lijkt de homo universalis de norm te zijn. Werd weelde ooit bepaald door geld en bezit, tegenwoordig is voor velen het meest begeerde kapitaal sociaal aanzien. Wat er kortom bovenal toe lijkt te doen is dat onze ster rijzende is, onderweg naar al die andere sterren die in grote, haast verblindende getale onbereikbaar hoog aan de hemel staan. Het is jammer dat wij door het staren en reiken naar dit felle licht niet meer om ons heen kijken en leven in het hier en nu.
Omdat alles altijd maar een doel moet hebben, wordt de wezenlijke ervaring vanzelf vaak bijzaak. In de sociale media zie je daar legio voorbeelden van. Neem bijvoorbeeld het filmen van een concert om het filmpje vervolgens op YouTube te posten, of een verkleedpartij die eigenlijk als enige doel heeft dat je een nieuwe profielfoto in kan stellen op Facebook, of het inchecken op FourSquare in een duur hotel tijdens je vakantie, of vrijwel alles wat je doet op Twitter. Wie viral gaat is spekkoper. Misschien heeft Japi het voordeel dat hij van deze moderne technologieën verstoken is, maar hem zal je niet snel betrappen op dwangmatig vooruitdenken. Japi leeft, hij geniet en daarom is het eens te meer van belang deze “wonderlijke kerel” op een voetstuk te zetten.

Illustratie: Floris Solleveld

De uitvreter

In het begin van de vorige eeuw publiceerde Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh) een aantal korte verhalen met een niet te missen maatschappijkritische toon. Tegenover deze niet te missen-toon zette hij hoofdpersonages met sterke idealen maar weinig zin om daar werk van te maken. Het lanterfanten werd zowel verheerlijkt als bekritiseerd. Nescio hanteerde een droge, sobere stijl en gebruikte woorden die direct uit de spreektaal kwamen – zo schreef hij onder andere ‘i’ in plaats van ‘hij’. Hoewel het publiek aanvankelijk niets van dit alles moest hebben, werden de verhalen De Uitvreter, Titaantjes (1915) en Dichtertje (1918) in 1918 toch gebundeld. Tegenwoordig is die bundel één van de kortste boeken op de leeslijst voor Nederlands op de middelbare school en geldt Nescio, ongetwijfeld mede daardoor, als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. Vreemd eigenlijk, want de personages die hij opvoert zijn stuk voor stuk typetjes. Het ‘conflict’ dat een werk normaal gesproken literaire waarde moet verschaffen, lijkt op het eerste gezicht bij geen enkele van zijn hoofdpersonen aanwezig. Nescio’s personages zijn naïef en oprecht. Diepe inzichten over het leven zul je ze niet horen uiten; daarvoor drukt het bewustzijn van het bestaan en van het verkeren in een wereld vol anderen simpelweg niet zwaar genoeg op hun schouders. Zeker niet op die van Japi.
Japis grootste vijanden zijn honger, slaap, kou en nat. Voor hem betekent versterven daar “onaandoenlijk” voor te worden. Dit doel is in feite een eindeloos proces, aangezien je de strijd tegen deze vijanden zo lang je leeft kunt winnen noch verliezen en dus elke dag opnieuw moet voeren. De belasting op je lichaam is continu, waardoor de bezigheid zelf het doel wordt.
Japi doet zich – zijn wens te versterven ten spijt – keer op keer te goed aan de sigaren, boterhammen en drank van zijn vrienden. We zouden kunnen zeggen dat dit Japi een hypocriet maakt en bovendien een slechte vriend, maar we kunnen evengoed stellen dat het weergeeft hoe weinig waarde hij hecht aan vooruitdenken, wat hem juist weer een goede vriend maakt: Japi dwingt mensen te leven in het hier en nu, zichzelf incluis. Al dan niet onbewust neemt hij de verantwoordelijkheid op zich zijn vrienden in het moment te doen verkeren; te doen leven en genieten. Japi wordt een uitvreter genoemd omdat hij misbruikt zou maken van zijn vriendschap met Bavink, Appi, Koekebakker en Hoyer: hij teert zogezegd op hun centen, maar geeft niets terug. Dit is een misvatting. Je kunt evengoed aanvoeren dat Japi een aanjager is. Japi is geen charlatan die loze beloftes maakt. Je weet precies wat je aan hem hebt.
Neem bijvoorbeeld de beroemde worstpassage. In deze passage speelt de boterhamworst die de verteller, Koekebakker, naast zijn brood en zijn geld op tafel heeft uitgestald een centrale rol. Waar eten in Reves De Avonden symbool staat voor de walgelijke kleinburgerlijkheid, lijkt het in De Uitvreter symbool te staan voor de krenterige kleinburgerlijkheid. De boterhamworst wordt namelijk niet smakelijk opgegeten, maar bewaard voor een later moment. Immers: wie wat bewaart, die heeft wat. Of zoals Koekebakker het zelf verwoordt: eten smaakt lekkerder ‘als je er een tijdje vanaf bent geweest’. Bovendien heeft hij er goed geld voor betaald. Dergelijke verstikkende waarheden lijken gelukkig geen plaats te hebben in de belevingswereld van Japi, die uiteraard ras ten tonele verschijnt.
Japi komt langs omdat hij het kacheltje van Bavink kapot heeft gestookt. (Het is hierbij misschien nodig op te merken dat het verhaal zich afspeelt in de winter, een tijd waarin het hebben van een kachel vanzelfsprekend van grote waarde is. Het lijkt overbodig te melden dat het kapot stoken van de kachel een behoorlijk onverantwoordelijke actie is van Japi, en heel begrijpelijk dat Bavink hem even niet hoeft te zien. Wat volgt – de genoemde worstpassage – plaatst het concept verantwoordelijkheid echter weer in een heel ander perspectief.) Na deze daad zoekt Japi zijn heil bij Koekebakker, die toevallig dus net zijn brood en zijn centen op tafel heeft uitgestald en zijn weinige bezittingen liefkozend toespreekt “omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt”. Vervolgens beschrijft Nescio uitvoerig hoe Koekebakker reikhalzend uitkijkt naar het moment waarop hij zijn boterhammen met boterhamworst op zal kunnen eten. De lezer, met de titel van het korte verhaal in zijn achterhoofd, heeft natuurlijk al lang in de gaten dat Koekebakker het feestmaal op zijn buik zal kunnen schrijven. Het duurt inderdaad niet lang voordat de boterhammen met boterhamworst soldaat worden gemaakt:

‘Kerel,’ zei i, ‘weet je dat je worst in huis hebt?’ Of ik t wist. Hij kwam er al mee aanzetten. ‘Boterhammenworst, een ordinair volksvoedsel.’ Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen, hij vergat mij niet. Hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi at.

Voor Koekebakker is weelde niet alleen de worst zelf, maar juist ook het verlangen ernaar. Koekebakker heeft een doel voor ogen – het verorberen van de worst – maar kiest er bewust voor om daar nog even mee te wachten Hij pijnigt zijn lichaam, kwelt zijn geest door zichzelf een belofte te maken en het genot naar een later tijdstip uit te stellen. Met andere woorden: het hier en nu staat voor Koekebakker in dienst van de toekomst. Stom! Koekebakker heeft iemand als Japi nodig. Japi trekt hem zijn lichaam in, dwingt hem tot het lichamelijke genot van het eten van de worst en biedt hem daarmee de mogelijkheid zich bewust te zijn van het moment waarin hij verkeert. Immers, als hij het uitstellen echt zo hoog had zitten, had hij maar nee moeten zeggen. Dat Koekebakker het nalaat tegen Japi in te gaan, laat zien hoe hard hij hem nodig heeft.

De levenshouding, als je het zo kan noemen, waar Japi voor staat, of waar ik hem voor span, is niet nieuw. Al eeuwenlang predikt men de leer van het genieten en van het “leven”. Japi is pionier noch aanstichter. Bovendien is het hopeloos naïef van hem om te denken dat het burgermansleven dat gedurende het verhaal een veel dringender aanspraak op hem maakt dan honger, slaap, kou en nat hem niet klein zou krijgen; daarom loopt het uiteindelijk ook slecht met hem af. Ingehaald door maatschappelijke verantwoordelijkheden en dan met name de liefde, stapt hij uiteindelijk van de Waalbrug. Toch moeten we niet vergeten dat Japi ons laat zien wat een groot goed naïviteit is, zeker in deze tijd van enorme zelfbewustheid. Het is belangrijk onbevreesd het moment in te stappen en actie te ondernemen zonder je bewust te zijn van de gevolgen voor je sociale aanzien. Een figuur als Japi moeten we koesteren, ook al is hij slechts een romanpersonage, of erger nog, een typetje. Hij is in ieder geval geen Uitvreter. Daarom pleit ik bij deze voor een voetstuk op het strand voor Japi, die “‘t prettig vond om zich te laten uitwaaien, zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo ‘verdomde lekker’ vond”.
Het weer is goed. Ik zie jullie daar.

Lees meer uit de categorie Essay

Zonder titel

Door Mahlee Plekker

De tentoonstelling die weer hoop gaf Voor sommige mensen zal de hele museumdiscussie in eerste instantie overbodig lijken. Er is helemaal niets mis met het klassieke museum dat op enige afstand van de kunstpraktijk een waardevolle collectie aanlegt en deze op functionele wijze tentoonstelt. Een museum moet niet de concurrentie aan willen gaan met de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper