Kort verhaal

De brug van Villa

Door Michiel Stroink | beeld: Elise van Iterson
29 juni 2014

De evaluatie

In de buurt van Santa Fe de Antioquia, Colombia, 8 mei 1889, 09.00 uur.

‘Meneer Villa, hoe wilt u aangesproken worden? Bent u architect, of ingenieur?’
Villa kon de delegatie uit de stad nauwelijks zien. De zon stond nog laag en bovendien was het niet zijn gewoonte om mensen aan te kijken. ‘Ik ben een dronkenman en een bruggenbouwer. U mag zelf weten hoe u mij het liefst noemt.’
Om zijn woorden te onderstrepen schonk hij zijn glas vol, waarbij hij een flinke teug van de Aguardiente over het hardhouten tafelblad morste. Vanuit zijn klapstoel hield hij het glas met de anijsdrank in de richting van de kleinste van de delegatie, een bebrild blank mannetje dat zelfs op dit vroege uur al zichtbaar last had van het tropische klimaat. Als de mannen straks weg waren zou hij de likeur vervangen door de bourbon die de werklieden voor hem stookten.
‘Nee, bedankt meneer Villa. Wij komen hier eerlijk gezegd niet voor de gezelligheid. Dit is een evaluatie.’ Het was de inspecteur-generaal die het woord nam en nu zelfs zijn rug naar hem toe draaide. Villa was slecht in het onthouden van namen maar herkende de man aan zijn belachelijke bakkebaarden. Zelfs van achteren waren ze zichtbaar. Ze leken op twee handvatten en Villa kreeg zin om ze beet te pakken en eens flink door elkaar te rammelen, dus stond hij op uit zijn stoel.
‘U evalueert maar wat u niet laten kunt. Doe het snel en loop me niet voor de voeten. U ziet dat hier gewerkt wordt.’ De inspecteur-generaal draaide, als antwoord, zijn bakkebaarden een kwartslag richting de rivier.
‘En u moet ook weten dat ik geen tijd heb om een rondleiding te geven. En ik kan geen dragers voor u regelen. Uw formaliteiten bouwen geen brug, dat doen mijn mensen.’ Villa had genoeg gesproken. Hij schonk zijn glas bij, wilde gaan zitten, maar bedacht zich en zocht in zijn vestzak naar de sigaar die hij eigenlijk vanmiddag pas zou opsteken.
‘Wij redden ons wel meneer Villa. We zien elkaar vanmiddag bij de lunch zodat u ons bij kunt praten.’ De inspecteur-generaal dirigeerde zijn gevolg kalm – arm op de schouder van de bebrilde – naar de oostelijke oever, maar draaide direct zijn bakkebaarden richting de bruggenbouwer. ‘Stop met drinken. Slaap uw roes uit. Het is afgelopen Villa!’

De brug van Villa

 

The Brooklyn Bridge

Villa zette zijn lege glas op de tafel voor de ingang van zijn tent en nam de sigaar mee naar binnen. In de kist onder zijn bureau zocht hij naar de fles Amerikaanse whisky. Hij lag verstopt onder de foto van hem en John Roebling, die hem vanachter het glas nog steeds streng aankeek. Vandaag was het twintig jaar geleden dat hij zijn beste vriend verloor.
Roebling was een vooraanstaand ingenieur toen Villa hem voor het eerst leerde kennen. De Duitser arriveerde als immigrant in New York op het moment dat president Andrew Jackson besloot om honderd miljoen dollar te reserveren voor bouwkundige projecten. Een betere timing was niet denkbaar, en toen Roebling de eerste dag op de bouwplaats van zijn meesterwerk verscheen, was Villa de eerste die hem de hand schudde.
De Brooklyn Bridge was een ambitieus project dat symbool stond voor verbinding. De brug moest de veerboten, die het altijd zwaar hadden op de grillige East River, vervangen en de reistijd van Manhattan naar het vasteland met een uur verkorten. Eén van de veerboten was gebombardeerd tot het zenuwcentrum van de architecten en ingenieurs. Een overbezet kantoor, dobberend op de hoge golven van de rivier. Iedere werkdag begon met een donderspeech van Roebling.
‘De brug is een valse slang! De brug verleidt! De brug is het kwaad! De brug moet getemd worden!’ Het accent van Roebling maakte zijn woorden nog agressiever. De donkere wenkbrauwen van de Duitser onderstreepten telkens het laatste deel van de zin. ‘Villa! Het strijdplan van vandaag!’
Johann Roebling had zijn voornaam veranderd in John, maar Villa mocht hem alleen zo noemen tijdens de lange avonden die ze samen doorbrachten boven de tekentafel, als iedereen al weg was.
‘Vandaag werken we met alle manschappen aan de eerste pijler, meneer Roebling.’ De informatie was bedoeld voor de voormannen, maar Villa richtte zich uitsluitend tot zijn mentor. ‘We liggen twee dagen achter op het laatste schema. Het werk aan de pijler moet morgen voltooid zijn. De senator onthult dan de eerste gedenkplaat.’
‘Heren, u heeft uw orders.’ Het een-tweetje tussen de leraar en de leerling verliep iedere ochtend vlekkeloos. De werklui, veelal oorlogsveteranen – zowel uit het noorden als het zuiden – waren de hiërarchie gewend en dat was belangrijk, want een brug bouwen verschilde weinig van oorlogvoeren.
Toen Villa zeventien jaar was verliet hij Colombia om in New Jersey, aan de technische universiteit, alles over bouwen te leren. De Brooklyn Bridge was zijn eerste grote uitdaging en hij kon er leren van de grote Roebling die al meer dan acht van dit soort bouwwerken op zijn naam had staan.
Villa werkte zestien uur per dag. Hij werkte met de landmeters, de tekenaars, de wiskundigen en de voormannen en hij maakte uitgebreide schetsen en aantekeningen van zelfs de kleinste details. Roebling en Villa voelden elkaar feilloos aan, een blik was vaak genoeg. Ze deelden de toewijding en de passie voor het werk en hun vriendschap was onvermijdelijk.
De dagen van Roebling en Villa eindigden altijd op dezelfde manier. Laat, moe en met een glas Bourbon en een sigaar stonden ze dan gebogen over de tekeningen van Villa. Bij grote fouten werkten de mannen door tot ze opgelost waren. Kleine fouten overbrugden de kloof tussen de avond en de ochtend.
Villa schonk dan de glazen vol en zei iedere keer: ‘We zoeken wel een weg.’ Waarop Roebling hem automatisch verbeterde: ‘We vínden wel een weg!’
Het was op zo’n avond dat het noodlot toe zou slaan. De East River was grillig, werd opgehitst door slagregen, en de boot klotste onophoudelijk tegen de kade. De veerboot lag vast aan een geïmproviseerde steiger bij Brooklyn, maar de ruwe rivier tilde hem regelmatig tot boven de banden die als stootwillen dienden. Villa was al van boord en wachtte zijn vriend op terwijl die de laatste olielampen doofde. Villa stond op drie passen van de kade, net buiten het bereik van Roebling, en zag zijn mentor die ene cruciale inschattingsfout maken. Net op het moment dat de Duitser zijn voet over de rand van de boot zette, tilde een golf de pont op. Roebling verloor zijn evenwicht, zette zijn rechterbeen tussen de wal en het schip en de kracht van de rivier verbrijzelde de voet van de ingenieur alsof hij van glas was.
Een dag en een nacht bestudeerden de beste artsen van New York de voet van John Roebling, maar ze kwamen allemaal tot dezelfde conclusie: het been moest worden afgezet, het viel niet meer te repareren. Maar het idee om onaf door het leven te moeten gaan was voor de ingenieur niet te verkroppen en om die reden volgde hij het advies van een kwakzalver uit Brooklyn op. De watertherapie die de zelfbenoemde ‘alternatieve geneesheer’ voorstelde hield in dat Roebling, onafgebroken, water uit de East River over de etterende wond moest gieten. Ruim twee weken later stierf de grootste bruggenbouwer van de nieuwe wereld aan een tetanusinfectie.

 

Het ontslag

De Puente de Occidente, of brug van het Westen, moest Santa Fe de Antioquia verbinden met Olaya en zou de op zes na grootste hangbrug ter wereld worden. De Rio Cauca was, op dit punt, bijna driehonderd meter breed en er was op het hele continent geen grootser en ambitieuzer project te vinden. Het architectonische hoogstandje zou Colombia op de kaart zetten en voor de overheid was het dan ook erg belangrijk dat de ontwerper en ingenieur een Colombiaan zou zijn.
Ondanks de twijfelachtige reputatie van Villa die zich, na het voltooien van de Brooklyn Bridge, had teruggetrokken in zijn geboortedorp en bekend stond als introvert alcoholist, was er geen betere kandidaat denkbaar. José Maria Campo, de eerste president van de republiek van Colombia, gaf in het najaar van 1886 persoonlijk zijn instructies aan de ingenieur. Na dit overleg fluisterde hij zijn inspecteur-generaal toe dat het slagen van dit project van het allerhoogste belang was voor de toekomst van de republiek.

De oostelijke oever van de Rio Cauca, Colombia, 8 mei 1889, 12.15 uur.
De luchtvochtigheid maakte dat Otto Wänkel zijn beslagen bril ieder half uur moest schoonpoetsen. Hij was misselijk en wist niet of dat kwam door de hitte, of door de ongetwijfeld duizenden insectenbeten die hij vanavond over zijn hele lichaam terug zou vinden. Het groen van het oerwoud krioelde, boven zijn hoofd, als een kluwen van slangen in- en over elkaar heen.
Nog voordat de inspecteur-generaal hem zijn plek had gewezen, was de Duitser aan de geïmproviseerde lunchtafel gaan zitten. Misschien dat het witte damast en het zilverwerk hem wat konden afkoelen.
Boven de lunchtafel was, met palen en een wit doek, een overkapping gespannen die voor schaduw en verkoeling moest zorgen. Villa bekeek het tafereel van een afstand en besloot zichzelf nog een keer in te schenken voor hij de klapstoel zou verlaten. De inspecteur-generaal overlegde druk met zijn gevolg. De pennenlikkers leken het grondig eens te zijn en keken daarbij omstebeurt in de richting van Villa. De inspecteur-generaal besloot het overleg door een paar ferme stappen richting Villa te zetten. De delegatie kroop in de luwte van zijn bakkebaarden achter hem aan.
‘Bent u klaar? Wij hebben veel vragen en zouden graag de tekeningen en plannen met u doornemen.’
Villa wachtte even met zijn antwoord, alsof hij er lang over na moest denken. Hij trok aan zijn sigaar, antwoordde: ‘Nee, en nee’, en blies de rook langzaam naar de bakkebaarden.
De inspecteur-generaal bleef onbewogen staan. ‘Ik moet u verkeerd hebben verstaan. Of u moet mij verkeerd hebben begrepen. Misschien klonk mijn vraag als een verzoek?’
Villa sloeg het laatste restje van de Amerikaanse Bourbon in een keer achterover. De fles was leeg en het was de laatste tastbare herinnering die hij van zijn mentor had. ‘Nee, meneer de inspecteur-generaal’, Villa probeerde de titel met overdreven veel egards uit te spreken, ‘ik ben niet klaar. U hebt vast gemerkt dat mijn brug u nog niet naar de overkant brengt. Nog lang niet om precies te zijn. En…’, Villa pauzeerde, hield zijn vinger in de lucht, wees richting de bakkebaarden, nam een trek van de sigaar en blies langzaam uit, ‘tekeningen zijn er niet. Die heb ik nooit gemaakt en zal ik ook nooit meer maken.’
Voor het eerst leek de inspecteur-generaal van zijn stuk gebracht. Hij krabde onbeheerst door zijn linker bakkebaard en een berg roos sneeuwde over de schouder van zijn kostuum. Hij draaide zich om en liep terug naar de delegatie. Dat was voor Villa het teken om aan tafel te gaan.

Otto Wänkel roerde met veel moeite door het gekruide gehakt dat voor hem op zijn bord lag en nam nog maar een hap van het oude maïsbrood. Zijn Spaans was slecht en van wat hij tot nu toe van de felle discussie had kunnen begrijpen leek niks hem logisch. Er waren geen tekeningen van de brug. De Colombiaanse ingenieur bouwde de brug op basis van een idee dat in zijn hoofd zat. Er was geen plan van aanpak. Villa lichtte zijn arbeiders in door iedere ochtend, bij de oever van de rivier, met een stok in het zand te tekenen wat er moest gebeuren. Dat was niet mogelijk. Waar was hij terecht gekomen?
De inspecteur-generaal leek woedend, sloeg met zijn vuist op de tafel en stond op. ‘Dat is de druppel Villa! U bent ontslagen! Graai uw tent, uw alcohol en uw walgelijke methodes bij elkaar en verlaat de bouwplaats! Vandaag nog! Ingenieur Wänkel neemt uw plaats in!’
De zon scheen inmiddels, onder de beschutting door, vol in het gezicht van de Duitse ingenieur. Speeksel liep door zijn mond, vliegen zaten op zijn bord en een fel licht was het laatste dat hij zag voordat zijn hoofd voorover in het kleffe gehaktmengsel viel.
Toen hij bijkwam keek hij in het gezicht van de inspecteur-generaal. ‘Wänkel, je bent flauwgevallen. Knap jezelf op. De pont naar de overkant vertrekt bijna. Vanmiddag inspecteren we de westoever.’

 

De voorwaarde

Het groen van Olaya was mogelijk nog verstikkender dan het oerwoud van de overkant. Wänkel had zijn vest al uitgetrokken en besloot nu ook het bovenste knoopje van zijn overhemd los te maken.
‘Laat u uw spullen anders even achter’, de inspecteur-generaal leek weer wat bekoeld. ‘We gaan langs dezelfde weg terug en dan kunt u ze weer meenemen.’
Wänkel twijfelde even, en besloot zijn jas en vest op te hangen aan een boom zonder bladeren. Even ontspannen, blij met de rustpauze die hem gegund werd, hing Wänkel zijn jasje achteloos aan de kale boom die hem, te midden van het dampende groene woud, zozeer aansprak.
Toen hij achterom keek, was het pad dat ze gevolgd hadden alweer bijna opgeslokt door het bos. Zijn knieën knikten en hij zocht steun bij de kale boom. Met zijn linkerhand voelde hij niet de stevige tak die hij verwachtte. De tak leek omringd met snippers. Hij hoorde het gekraak en pas toen hij het hout voelde, merkte hij het krioelen over zijn hand. Wänkel schrok, maar in tegenstelling tot zijn gebruikelijke reflex bevroor hij. Stokstijf keek hij naar de duizenden spinnen die over de boom, over zijn hand, over zijn arm, richting zijn hoofd kropen. Hij kon nog net om hulp roepen voor hij opnieuw zijn bewustzijn verloor.

‘Er zijn geen tekeningen. Dat is u misschien ontgaan, maar dat zal vast geen probleem zijn. Het is gewoon een brug.’

‘Dat was een spinnenboom meneer Wänkel. Erg interessant. We hebben geen idee waarom de spinnen juist die boom kiezen, maar ze vreten hem helemaal kaal. Bent u een fan van de natuur meneer Wänkel?’
De inspecteur-generaal en de delegatie hadden de top van het uitkijkpunt bereikt. Ze keken naar de rivier en zagen het kampement van Villa aan de overkant in de open plek tussen de bomen. ‘Wat denkt u meneer Wänkel, kunt u het werk van Villa overnemen?’
De Duitser had de vraag verwacht, maar schrok toch nu hij zo concreet aan hem gesteld werd. Het terrein was een woestenij. De arbeiders leken volledig ongeschoold. Er was nauwelijks materiaal voor handen. Het oerwoud leverde het hout. Je moest wel gek zijn om aan zo’n klus te beginnen.
‘Ik heb de tekeningen van de heer Villa nog niet kunnen bekijken,’ antwoordde Wänkel.
‘Er zijn geen tekeningen. Dat is u misschien ontgaan, maar dat zal vast geen probleem zijn. Het is gewoon een brug. Twee oevers, een rivier en daaroverheen komt een brug.’
De achteloosheid van de ambtenaar bracht Wänkel weer op zijn qui-vive.
‘Meneer de inspecteur-generaal, u schat de situatie verkeerd in, vrees ik. Het bouwen van de brug is geen ambacht, het is een kunst. Een meesterproef, iedere keer weer. Als uw meneer Villa geen tekeningen heeft is dat ongehoord. Hij is een gek, of een genie en als ik de situatie goed inschat is hij het waarschijnlijk beide. Een ander soort bruggenbouwer zou hier nooit aan beginnen. Ik ben niet uitgerust voor deze opdracht. Dit landschap, deze mensen, deze tomeloze vochtige hitte…’
‘Meneer Wänkel,’ de inspecteur-generaal ging, met zijn vuisten in zijn zij, voor de Duitser staan, ‘als u niet mans genoeg bent, vragen wij een ander, en als het moet daarna weer een ander. De brug moet er komen, dat is van het hoogste belang voor de Republiek!’
Wänkel nam dit keer de tijd voor zijn reactie. Voor de eerste keer die dag leek hij een helder moment te hebben gevonden. ‘Als hier een brug komt, dan is dat de brug van meneer Villa. Hij heeft de brug in zijn hoofd, nee in zijn hart zitten. U doet er goed aan hem opnieuw aan te stellen. Dat is mijn advies en ik verzeker u dat er geen expert is die anders zal oordelen.’

Toen de delegatie terugkwam in het kamp van Villa was er weinig veranderd. De klapstoel van Villa stond nu echter niet bij zijn tent, maar aan de oever van de rivier. De bruggenbouwer keek onverstoord naar het werk aan de eerste pijler van zijn brug. Zijn voeten steunden op een rotsblok en in zijn rechterhand hield hij zijn glas. Hij zag de boot met de bakkebaarden en zijn delegatie aanmeren, maar koos ervoor hier geen aandacht aan te besteden. Met de spitse kant van een stok tekende hij wat laatste aanwijzingen voor zijn voorman in het zand.
‘Meneer Villa, wij moeten praten.’ De inspecteur-generaal stapte bijna met zijn laarzen op de schetsen in het zand. Villa liet zich niet van de kaart brengen. Hij wist wat er nu zou gaan komen.
‘Mijn conclusie is overhaast geweest. Ik heb uw werk klaarblijkelijk onderschat. Mijn excuses hiervoor.’ De ambtenaar reikte Villa de hand, maar deze leek hem niet te interesseren.
‘Ik dien de Republiek en daar ligt mijn eerste en enige belang.’ Villa keek naar zijn lege glas. Naast zijn stoel lag een lege fles Bourbon.
‘En voor de Republiek is het evident dat u uw brug voltooit.’ Villa zette zijn lege glas op de grond, naast zijn stoel. ‘Wat zijn uw voorwaarden, meneer Villa?’
Villa staarde, langs de inspecteur-generaal, naar de overkant van de Rio Cauca. Hij zag de rivier allang niet meer. Hij zag vooral zijn brug. De brug zat in zijn hoofd en kon er ook niet meer uit.
‘Allereerst, meneer de inspecteur-generaal, wil ik u en uw bakkebaarden hier nooit meer zien.’ Villa sloot zijn ogen even, stond op van zijn stoel en keek de inspecteur-generaal nu recht aan. ‘U zult verslag doen bij uw overheid en uw president is hier welkom als mijn werk voltooid is.’
‘Akkoord.’ De inspecteur-generaal stak zijn hand weer uit, maar Villa sprak onverstoord verder.
‘Daarnaast wil ik dat u deze Duitse ingenieur aanstelt.’ Villa wees op de bebrilde man die op de boot zijn schoenen aan deed. ‘U betaalt hem wat u hem heeft beloofd, maar hij zal zich geenszins bemoeien met mijn werk. Hij lijkt incapabel, maar ik zal hem toch een belangrijke verantwoordelijkheid geven. Hij zal ervoor zorgen dat, tot het moment dat ik mijn brug voltooi, mijn glas nooit meer leeg raakt. Hij wordt mijn persoonlijke schenker en ik wil dat hij opstaat voordat ik dat doe en gaat slapen als ik in bed lig. Dat zijn mijn voorwaarden meneer en u doet er goed aan deze in te willigen.’
De inspecteur-generaal zuchtte en krabde aan zijn bakkebaard. ‘Akkoord meneer Villa. Ik geef u waar u om vraagt, maar alleen als u mij uw woord geeft. Deze brug moet er komen goedschiks, of kwaadschiks. U vindt maar een weg!’
Villa schudde nu eindelijk de hand van de inspecteur-generaal. ‘Maakt u zich geen zorgen. We zoeken wel een weg.’

 

Epiloog

Dit verhaal is gebaseerd op historische feiten. De Puente de Occidente werd voltooid in 1895 en is nog steeds een belangrijke toeristische trekpleister voor Zuid-Amerika.
Bij de opening van de Brooklyn Bridge in 1883 waren veel New Yorkers bang om de overtocht te maken. Om de inwoners te overtuigen van de veiligheid maakten een groep circusdieren, inclusief 21 olifanten, de eerste overtocht.
Als eerbetoon aan zijn mentor liet Villa zijn brug op eenzelfde manier inhuldigen. Hij stak als eerste over, vergezeld door de grootste veestapel die hij kon verzamelen.
De Duitse ingenieur heeft drie maanden als schenker voor Villa gewerkt. Daarna is nooit meer iets van hem vernomen.

 

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Minister van de liefde

Door Nicole van Nierop

Hij was een aangenaam mens, vond hij zelf. Altijd vriendelijk, altijd beleefd. Nog nooit in zijn leven had hij iemand pijn gedaan. Althans, niet opzettelijk. En eigenlijk ook niet per ongeluk. Per ongeluk mensen pijn doen was hetzelfde als sorry zeggen terwijl je de volgende keer weer van plan bent dezelfde fout te maken. Nee, […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper