Poëzie

Vers in de Etalage

Door Jonathan Griffioen
19 juni 2014

 

In Wijk bij Duurstede

Lagen we als leeggelopen ballen tegen muren
met de neus vlakgedrukt tegen de stenen,

de loodrechte huizenvelden en
kinderen die van getroffen fietsen vallen.
Balkons waarvan bloembakachtige moeders
etenstijd schreeuwen.

En wij rookten paracetamol of kerfden
bloemetjes in strakgetrokken huiden,
gooiden stenen naar reigers omdat ze
clichématig langs de waterkant stonden.
We lieten maaivelden opbranden in deodorantlucht.

Het ouijabord ging mee naar de sluizen,
maar de geesten die er dwaalden
hadden nooit iets boeiends te vertellen.

In Wijk bij Duurstede, maakten we van meisjes
knellende ritsen met tongen van ijzer en borsten
vol sokken, was het eigenlijk tijd om op te groeien,
bleven wij toch slap in de portieken hangen.

 

DIY-Panzerfaust

1998 zit niet verstopt zoals ’97 naast ’96.
’98 is booming.
’98 is handicapable.
’98 komt de deur uit zonder het journaal te kijken.

Het WK kalkt de flats tegenover oranje
en iedereen komt naar de opening
van de nieuwe supermarkt.

Mensen zonder karretjes
omarmen hun boodschappen.

Ik raap een aansteker op,
kijk of die het nog doet.

Een vrouw met een badjas over haar kleren
schuifelt over de parkeerplaats met twee
tassen langs haar benen

Ze hoopt dat niemand de flessen hoort.
Ze valt buiten beeld uit de toon.

(2)

We keken een oorlogsdocumentaire op mute.
Zij in haar stoel met een fles waar een kurk in dobberde,

ik in de kleermakerszit op de plavuizen.
Het laatste restje Antabus bruiste nog op de bodem.
Het lege potje bij mijn knieën, zag ze niet.

We hoorden geen ontploffingen.
Terwijl er kinderen op tanks afrenden,
klonk er bij iedere slok een vis die zich op tijd bedacht

alsof het wist dat aan het einde van dit haakje,
een uitgebrande tank in een smal straatje wachtte.

(3)

Ik hoor Wijk achter mij,
‘Het is stil (aan de overkant)’

En aan de overkant valt
een wijnfles vol Antabus kapot.
Een badjas vol ansichtkaarten
buigt over het balkon als een bloembak.

En iedereen ziet dat dat mijn moeder is.

(4)

Naar buiten gestuurd.
Ik druk mijn rug tegen de flat
en glij langs het oranje.

De bal neem ik zo tussen mijn knieën
dat er lucht uit komt.

De buitenste stoflaag rafelt.
Ik trek het zwarte rubber eronder lek

en duw het lege potje (etiket
boven) halverwege de opening.

De rand van mijn duim wordt
warm van de aansteker.
Het plastic stinkt.

Ik maak het gat in de bodem
met mijn vinger groter,
genoeg voor de pomp.

Ik zoek haar auto op,
verzamel lucht
en richt.

De bal raakt in een pisboog de zijkant.
Ik denk niet dat iemand het hoorde.

 

Interview met de dorpsfotograaf

’s Ochtends gaan er twee theelepels speed in zijn koffie.
Voor de vorm heeft hij het in een suikerpot gedaan.

‘Je proeft het niet meer na een tijdje,’ zegt hij,
en likt een weggewreven druppel van zijn duim.

Het was net zoals zijn foto’s, een manier om de hang
naar Rock ’n Roll met burgerschap te combineren.

Er landt een vlok as op zijn arm, zijn camera
staat naast de koffie op het tuintafeltje,
de lenskap hangt al los en je ziet hem twijfelen.

Soms blijft hij nachten op om digitale fotocollages
te maken. ‘De muziek eronder,’ zegt hij, ‘is ook van mij.’

De minder scherpe foto’s vallen samen met diepe bassen.
Er staan veel afvalbakken in zijn natuurfoto’s,

veel bomen met tot de bodem uitlopende vlekken.
Een uitstrekkende hand naar de put in een verzakte stoep.

Hij vindt geen van de collages ‘af’.

(2)

Een paar theelepels, mag geen naam hebben.
De vlekken voor mijn ogen worden groter,
naarmate de high ouder wordt.

Op Google Maps zoek ik het aantal doodlopende
straten in een straal van 500 meter rond mijn huis.

Als ze groot genoeg zijn om aan de hand te nemen,
sleep ik ze kruispunten op als barricaden.

Een doolhof om in na te jagen.

 

_

Voor mijn achttiende verjaardag
huurden mijn ouders een kleine zaal af.
Iets worden doe je buitenshuis.

Er hingen draden aan de buizen
net onder het plafond en aan het einde
vastgeknoopt, halfdode paarden,

twee meter van de grond, zodat lange mensen
van een afstand zouden twijfelen,
niemand wilde iets doods in zijn nek.

We liepen de polonaise onder luid gevloek,
‘godverdomme’ .

Buiten zag ik meisjes paarden dragen
op canvasborden,
verzameld op een straathoek
omringd door goedkope bloemen.

Het rook de hele tijd naar leverworst,
terwijl er nergens leverworst was.
Ik weet niet of dat iets betekent.

Lees meer uit de categorie Poëzie

Vers in de Etalage – Ezra Hakze

Door Ezra Hakze

Wat ons te wachten staat    We ontmoeten onszelf op feestjes in kelders,             en blijven thuis.     We schrijven de dag op krantenpapier: daar staat ons ego te wachten in de regel.   De film die we leven wordt nergens vermeld, de soundtrack klinkt en blijft in ons hoofd.    We schrijven een boek […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper