Essay

Uit de tijd gekomen

Door Sonja Schulte
16 november 2014

 

Mijn broer is dood. Al drie jaar, maar ik heb er nog last van. Zo langzamerhand wil ik wel eens een oplossing voor alle nieuwe problemen die zijn dood heeft opgeleverd, dus ik ben ze op gaan schrijven. Binnenkort – mark my words – heb ik ze uitgezocht. Daarna doe ik mijn jas aan, trek ik de voordeur open en leef ik eindelijk weer verder.
De afgelopen jaren was rouw een heftige zintuiglijke situatie die ervoor zorgde dat dagelijkse impressies sneller en harder binnenkwamen en langer bleven hangen. Fel lamplicht en piepende remmen waren overal. En altijd wel iemand die een lepeltje laat vallen in een café. Maar ook: extreem goed kunnen proeven, heel handig sferen aanvoelen tussen collega’s, een fantastisch extra zintuig voor muziek krijgen. Helemaal niet gek, wat je overgevoelige lijf je soms schenkt. Maar de dingen waar je geest mee blijft zitten zijn aardig irritant.
Vaststaande, schijnbaar onveranderlijke dingen zijn namelijk toch veranderd. Zo slingert de dood niet alleen een geliefde van de wereld af, maar zet hij de nabestaanden ook buitenspel, dwalend door de twilight zone. Het is de bedoeling dat het leven gewoon doorgaat. Maar dat gaat zomaar niet. Zo is daar het probleem van de tijd.

Een rare snor
Hij is zevenentwintig en ik ben eenendertig. Dat klopt niet. Ik ben dertien maanden eerder geboren dan hij, maar inmiddels ben ik al vier jaar ouder. Dat gaat niet goed.
Ik zou me kunnen voorstellen dat ik hem achterlaat in de tijd, zoals Kate Winslet Leonardo di Caprio huilend onder het ijs laat zakken in Titanic. Ik weet dat het nobel is om dat te doen, maar ik vind het zo onnodig. Sterker nog: ik vind het onverdraaglijk.
‘Nou’, zei een vriendin. ‘Dan neem je hem toch mee? Als jij straks zestig bent is hij dan gewoon negenenvijftig. Stel je voor hoe hij er dan uitziet. Laat hem met je meegroeien. Je hoeft hem niet achter te laten als je dat niet wilt.’
Dat was interessant. ‘Hoe weet ik dan hoe hij eruitziet?’ vroeg ik.
‘Kom op zeg, het is je eigen broer. Met een beetje fantasie lukt dat toch wel?’
Ik zag hem voor me, met een kaal hoofd misschien. Of een rare snor. Een snor zou hem echt niet staan, wist ik, maar goed, niet meteen weer inzoomen op de details.

Een nieuwe zienswijze
De tijd staat óns nog tot onze beschikking, maar voor een dode staat hij tegelijk met het hart voor eeuwig stil. Dat onverteerbare gegeven is een belangrijk thema in Kurt Vonneguts roman Slaughterhouse Five. Vonnegut wilde daar een oplossing voor vinden. Hij dacht er langer over na dan ik – een aantal decennia.
De kwestie was hoe verheerlijking te voorkomen. Hij wilde geen heroïsch verhaal waarin de dood, of het doden van iemand, een vals nut gekregen had. Vonnegut had als soldaat het bombardement van Dresden meegemaakt en gezien hoe in drie dagen ruim honderdduizend mensen werden weggevaagd. Hij voelde zich verplicht daar verslag van te doen, maar alleen als hij de lezer en zichzelf naast het gruwelijke getuigen van de waarheid ook een oplossing kon bieden, een nieuwe zienswijze, een troost.
Natuurlijk kwam hij uit in de science fiction. Hij creëerde een wereld waarin men veelvuldig van tijdreizen gebruikmaakte. In zijn boek is het leven dan ook veranderd in een puzzel waar continu in geschoven kan worden. Je kan weer teruggaan in de tijd. Je kunt terug naar die ene persoon en gewoon opnieuw met hem praten, met hem lachen, op zaterdagavond met hem naar de bioscoop. Wanneer iemand doodgaat, klinkt in het boek dan ook nuchter ‘so it goes’ – zo gaat dat. Je haalt je schouders op, want heel erg is het niet. Het is een van de meest populaire frases uit de literatuur geworden.

Zachte heelmeester
Stel dat over duizend jaar die wereld werkelijkheid geworden is, stel dat mijn broer en ik in die tijd zouden bestaan. Wat dan? Dan hoefde ik me niet voor te stellen dat hij zou meegroeien en kon ik gewoon terug naar zijn werkelijk levende lichaam, terug naar het origineel. We zouden weer ruziemaken, we zouden elkaar weer negeren als we in dezelfde kamer zitten – ik zou me opnieuw ergeren aan zijn stomme computerspel. Ik zou weer ruiken hoe hij stinkt als hij net met zijn vrienden heeft gevoetbald en te laat binnen komt lopen voor het eten.

Dit is heel verleidelijk. Natuurlijk wil ik opnieuw bij mijn levende broer in de buurt zijn en zomaar opnieuw kunnen kijken naar hoe hij liep, met zijn schouders iets gebogen. Minder machteloos zijn is inderdaad troostend, misschien. Maar het lost de eenzaamheid niet op. Als je in Vonneguts universum terugreist in de tijd, ben jij de enige die dat weet je daar als tijdreiziger bent, de dode weet van niets. En dus moet je voortdurend op je tong bijten, verzwijgen dat hij over vijf jaar… –
Misschien is Vonnegut een zachte heelmeester. Ik zou me nog steeds alleen voelen als ik bij hem was met die onzichtbare glazen muur van de waarheid tussen ons in.

Een stukje Dickens
In de film About Time gaat scenarist en regisseur Richard Curtis – die van feelgood-films als Love, Actually en Four Weddings and a Funeral – er ook mee aan de slag. De mannen van een bepaalde familie kunnen om onbekende redenen terug in de tijd, maar alleen naar de gebeurtenissen die ze zich kunnen herinneren.
De scène waar de hele familie op het punt staat naar de kerk te lopen voor de begrafenis van de vader – gespeeld door een fantastische Bill Nighy – is droevig en mooi. Maar hop, daar gaat de hoofdpersoon: die stapt doodleuk terug in de tijd. En dan komt het. Hij loopt door hetzelfde huis, doet de deur van dezelfde huiskamer open en daar ligt pa, met zijn lange stelten rustig languit op de leren bank. Hij leest een boek en gniffelt om een bepaalde passage. Hij kijkt op. Hun blikken kruisen.
‘Ah’, zegt Bill Nighy dan, zacht en begripvol. ‘How’s uncle Desmond’s suit?’
De zoon zakt op de bank. De vader zegt troostend: ‘Zal ik je even een stukje voorlezen?’ Hij knikt, en pa leest een stukje Dickens voor. Het verschil met Vonneguts scenario is dat de vader óók weet wat er aan de hand is en daarom dus echt troost kan bieden. Je hoeft niets te verzwijgen. Je deelt je verdriet met de persoon die je mist. Dat is de holy grail voor elke nabestaande.

Helaas zou ik mijn broer in dat scenario nooit rustig op een bank vinden lezen, en Curtis vertelt niet hoe het is als iemand zélf heeft besloten niet meer te willen bestaan. Als iemand een moeilijk leven in zijn hoofd heeft geleid. Dat kan zelfs mister feelgood niet verzachten.

Controle
Terug naar de fantasie dus: had die vriendin gelijk? Toch ook niet, want er is geen verschil in resultaat tussen het verleden niet kunnen veranderen, zoals in Slaughterhouse Five, en het ontkennen van de realiteit. Me voorstellen dat hij met me meegroeit helpt ook niet tegen de eenzaamheid, maakt die misschien zelfs groter en levert uiteindelijk een stinkende wond op.

Misschien heeft het zoeken naar de oplossing voor de tijd die stilstaat uiteindelijk nauwelijks met tijdreizen te maken. Niet in Vonneguts boek en niet in Curtis’ film. Het gaat allemaal om controle. We willen niet aan iets overgeleverd zijn, we willen de macht van controle.

Maar ook weer niet te veel.

Want is het niet vreemd dat in dit soort fictie die behoefte aan controle eerst wordt vervuld en daarna juist geruststellend weggenomen? In Curtis’ film blijkt het tijdreizen toch beperkt: als je eerste kind eenmaal is geboren, kan je niet meer terug naar gebeurtenissen vóór de geboorte zonder bij terugkomst een ander kind aan te treffen. Bij Vonnegut is die beperking er niet, maar in zijn boek kan je weer niet met mensen uit het verleden praten over wat er in de toekomst zal gebeuren. Alles staat vast, het gaat gebeuren, je kunt er niets aan doen.

Ik ga niet terug en hij kan niet terug. En ik neem hem niet met me mee, want hij kon niet met me mee. Het enige wat er overblijft is hem achterlaten, zoals hij zelf al heeft gedaan.

Het is niet altijd makkelijk me zijn stem te herinneren. Ik weet niet meer zo goed hoe dat klonk. Ik weet niet meer zo goed hoe hij rook. Ik weet al helemaal niet hoe hij er echt uit zou hebben gezien en wat hij zou hebben gedaan in zijn leven.

Misschien gaat het niet om tijd, maar om ruimte. ‘Uit de tijd gekomen’ is Twents voor overleden. Vroeger vond ik de term nergens op slaan, maar nu ik weet hoe het werkt met die pijn blijkt het een verbluffend toepasbare woordencombinatie, troostrijk en respectvol. Het is bescheiden en magisch tegelijk, het is een uitdrukking die een stapje opzij zet en ruimte geeft aan wat we niet weten. Want, zo blijkt dan toch: er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?

Lees meer van

Rood pluche

Door Sonja Schulte

Ter ere van het vijfjarig bestaan van De Optimist schreef Sonja Schulte een essay over jarig zijn, waarbij ze zichzelf de vraag stelde: wat is een verjaardag? Als u dit leest ben ik net jarig geweest, terwijl ik dit schrijf moet die dag nog komen. Ik ben eenendertig geworden en met vrienden en familie samengekomen […]

Lees meer uit de categorie Essay

Een originele gedachte

Door Vincent Terlouw

Is vernieuwing nog mogelijk in de kunst? Kunnen we nog origineel zijn? Vincent Terlouw zocht het antwoord bij Beethoven, Kellendonk en Dillemans. Ellis van der Does verzorgde de illustratie. We worden gevraagd onze telefoon uit te zetten en hoesten en kuchen tot het minimum te beperken. Het zaallicht dimt. De trein begint te rollen, heel […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper