Essay

Een originele gedachte

Door Vincent Terlouw | beeld: Ellis van der Does
4 januari 2015

Is vernieuwing nog mogelijk in de kunst? Kunnen we nog origineel zijn? Vincent Terlouw zocht het antwoord bij Beethoven, Kellendonk en Dillemans. Ellis van der Does verzorgde de illustratie.

We worden gevraagd onze telefoon uit te zetten en hoesten en kuchen tot het minimum te beperken. Het zaallicht dimt.
De trein begint te rollen, heel in de verte. Is dit nu ruis of een toon? Het geluid wordt scherper, sterker. Het is een toon. Er voegt zich een tweede toon bij. Een derde dissonant. Dan een krassende solist. Een gedempte trompet. De slepende opbouw naar de dreun op de grote trom waarna pauken, strijkers en de hele mikmak als een op volle kracht rollende stoomlocomotief twintig minuten lang doordenderen.
Applaus.
De componist komt het podium op en moet drie keer terugkomen.
Koffie.
Ik ben alleen. In de hal zoek ik een bankje. Tegenover me komt een vrouw in een strakke witte broek zitten. Een stukje verderop drinkt een man zijn koffie. Staand en ook alleen. Zijn wilde kapsel valt hier een beetje uit de toon. Beethoven. Bij ieder wild kapsel denk ik aan Beethoven. Wat zou hij hiervan gevonden hebben? Van wat we zojuist gehoord hebben. Vaak verbeeld ik me het antwoord te kunnen raden, maar vergis je niet, Beethoven was een vernieuwer. Een soortement verre voorloper van John Lennon, aangezien Yoko Ono eens gezegd heeft dat hij (Lennon), wanneer nu nog in leven, waarschijnlijk zou rappen.
Men ziet: soms grijpt God heus wel in.
De gong klinkt, de chique uitvoering van de fabrieksbel; terug naar je plaats!

Ellis.EenOrigineleGedachte

Radicaal nieuw
De Tweede Symfonie van Johannes Brahms. Een man die bij ieder werk dat hij schreef de grote Ludwig over zijn schouder voelde meekijken. Hoe kon iemand het toch in zijn hoofd halen na Beethoven óók een symfonie te scheppen. Meer dan een slap aftreksel kon het niet worden – en werd het meestal ook niet. De jonge Brahms deed een poging, schreef een symfonie maar durfde die niet als zodanig te publiceren. Serenade nr.1 noemde hij zijn creatie, om maar gevrijwaard te blijven van de pretentie ook een symfonie te hebben geschreven.
‘Wie na Beethoven nog symfonieën schrijft, moet zorgen dat ze er anders uitzien,’ zei hij.
Dat was zo’n vijftig jaar na Beethovens dood dus al een helse opgave; denk eens in wat voor een kwelling het voor hedendaagse toonkunstenaars moet zijn om met iets vernieuwends te komen. Om dit te bewerkstelligen, niet terug te vallen tot de bepruikte riedeltjes van weleer, is men vanaf begin vorige eeuw, toen alle redelijk voor de hand liggende (waarmee ik absoluut niets af wil doen aan de prestaties van deze hervormers), wellicht zelfs noodzakelijke renovaties waren doorgevoerd, zijn heil gaan zoeken in ingewikkelde muzikale formules. Bekendste is Schönbergs twaalftoonstechniek of Dodecafonie waarin de twaalf tonen die er bestaan (de witte en zwarte toetsen van de piano bij elkaar opgeteld) worden gerangschikt in een door hem bepaalde volgorde, een reeks genoemd. Vervolgens mag in iedere reeks elke toon slechts eenmaal voorkomen. Een preventie welke moet voorkomen dat één noot of akkoord de bovenhand krijgt, zoals in vroeger tijden het geval was. Muzikaal socialisme dus. Om het nog ingewikkelder te maken, konden deze reeksen ook weer worden omgekeerd, in kreeftengang gezet (van achteren naar voren) en in de omkering van de kreeftengang. Frappant: door de muziek in dit strakke keurslijf te hijsen ontstaat de paradox dat de componist door deze strenge regels niet per se meer vrijheden verwerft, maar zijn muziek dit wel doet vermoeden; het stuitert alle kanten op. Een radicaal nieuwe vorm van musiceren. Dit alles om maar anders te zijn, niet voor versleten door te gaan. Toch is ook deze verandering geleidelijk tot stand gekomen, zoals in de muziek- en kunstgeschiedenis gebruikelijk is. Via het Impressionisme van Debussy volgt de logische stap naar het Expressionisme van Schönberg en het Neoclassicisme, dat weer een verbinding met de romantiek zoekt, van Messiaen.
Maar wat nu?

Uitgeput
Om een enigszins bevredigend antwoord daarop te kunnen geven zoek ik heil bij een van de schrijvers voor wie ik op de knieën val: Frans Kellendonk. Het complete werk draag ik als een bijbel onder mijn arm mee, hopend dat het iets van waarheid bevat. Gezien zijn vroege overlijden op negenendertig jarige leeftijd en zijn dikke oeuvre beschouw ik hem als de Mozart van de Nederlandse Letteren. In zijn essay ‘Langs de muur’ uit de bundel Dagwerk formuleert hij een postmodern antwoord op mijn vraag:

“Onze kunst is hoogstens kritiek. En even vermoeid als de kunst zijn de politiek, de economie, de mode, noem maar op. De dappere pretentie dat we nog iets origineels kunnen doen, die laat ik vandaag kalmpjes varen. Als ik geen Adam kan zijn, dan ben ik maar een Jeremias. Lompenboeren zijn we, strandjutters, recyclers, neten in de pels van de geschiedenis. Alles streeft met een heimelijk verlangen naar het leesteken waarop het eeuwige wit zal volgen. Ons doel is de allerlaatste punt die de geschiedenis zal veranderen in een kunstwerk – af, uit, een ding. Alleen dat kunstje mogen we nog volbrengen. Onze gebaren, de politieke gebaren vooral, hebben iets onheilspellend artistieks, er popelt iets in van de finishing touch.”

Kellendonk vindt de kunst uitgeput. Dat het grootste gedeelte van onze creatieve geschiedenis achter ons ligt ben ik volledig met hem eens. Dat straks, wanneer de zon er schoon genoeg van heeft, de honderdduizenden jaren die wij hier hebben rondgelopen zich samenpersen tot een brok marmer; geschiedenis als kunst. Het is een even simpele als logische gedachte dat na duizenden jaren van creëren een punt van verzadiging onontkoombaar is. En als dat punt niet is bereikt zal het ons niet lang meer laten wachten. Maar tot die tijd? Ons neerleggen bij het onnozele feit, wellicht nog wel de energie, maar domweg niet het vermogen te hebben een onvervalst en origineel werk te maken? En mocht dat zo zijn, is dat een ramp?
Kellendonk schetst de tegenwoordige kunstenaar als strandjutter, recycler, een slechts tot herscheppende in staat zijnde sukkelaar, goochelend met het verleden, ondersteboven kerend al wat lang geleden door genieën is uitgebroed. Maar is dit niet de manier waarop de kunst zich steeds ontwikkeld heeft? Zeventiende-eeuwse schilders gingen bij de meesters van hun tijd in de leer, kopieerde en analyseerde zijn techniek en thematiek en vonden zo niet zelden een eigen stijl. Joseph Haydn nam Beethoven als leerling en liet hem composities van hemzelf en Mozart overschrijven. Bach deed hetzelfde met Buxtehude. Door te imiteren wisten ze te creëren. En wie naar de late strijkkwartetten van Beethoven luistert herkent daarin geen Haydn meer en kan zich bovendien niet voorstellen dat meesterwerken zo’n tweehonderd jaar geleden geschreven zijn.

Meesterwerk
Dat ik elke ochtend op een bokszak sta te hengsten is te danken aan Sam Dillemans. De bezeten Belgische schilder, wie ik een tijd terug bij toeval zag acteren in een documentaire over zijn kluizenaarsleven, getiteld: De waanzin van het detail. Al boksend spuwt hij pakkende, geestige en soms onbarmhartige monologen. Over zijn werk, de wereld om hem heen, zijn collega kunstenaars, over zijn inspiratie om elke dag aan de lust op te brengen te gaan schilderen. Dat een kunstenaar bij een meester in de leer gaat zal niet vaak meer voorkomen. Hij is geschoold aan een academie waar hij met alle mogelijkheden kennismaakt of is autodidact. Maar geschoold of niet geschoold, iedere artiest heeft voorbeelden, idolen die gewild of ongewild in het begin van hun carrière geïmiteerd worden. Dat dit inspireren zowel een aanmoediging als een ontmoediging kan betekenen verwoord Sam Dillemans als volgt (en denk ook even terug aan die beklagenswaardige Brahms):

“Ik heb me altijd gesitueerd in verhouding met de grote kunstenaars. Ik heb dat altijd in mij gehad, dus ik leef met een zeer gezonde frustratie dat ik er nooit zal geraken en dat maakt dat ik altijd zal blijven werken, dag in dag uit. Als ik mij naast hedendaagse kunstenaars moet zetten…ja, men is rap over een winnaar als die maar wat dan ook heeft, dat is niet moeilijk. Nee, u moet u meten met uw grootheden. Daarom werk ik ook altijd als een bezetene. Laat mij eens Rembrandt zien en ik zeg, pff… ik raak in paniek want er moet hier nog zo veel gebeuren! En dan zeg jij, maar Rembrandt was vroeger. Nee, nee, Rembrandt is morgen. Dat is het grote verschil. Rembrandt was niet vroeger, Rembrandt is morgen.”

Dillemans heeft de grote oude meesters op zijn gebruikelijke obsessieve wijze bestudeerd. Uit die studie is volledig nieuw werk ontstaan. Werk dat liefhebbers en kenners zullen beoordelen, voor wat dat waard is, als typisch Dillemans. Afkomstig vanuit hem. Werk, om er nog een snufje sentimentaliteit overheen te strooien, afkomstig vanuit zijn ziel. En alleen dat maakt het al uniek.
Laat ons ter afsluiting de traditionele kunsten verlaten en naar de kunst gaan waar we allemaal aan deelnemen: het leven. Te pas en te onpas klinkt de roep om vooral jezelf te zijn. Maar eerlijk, hoeveel van ons levenskunstenaars weet werkelijk wie zij zijn? En hoe komen we daar in Schepper-van-hemel-en-aarde-snaam achter? Ik doe zo maar een suggestie: waarom niet door ook te imiteren? Te imiteren wie wij graag zouden willen zijn. Beeld het je eens in. Begin er vandaag nog mee. Uiteindelijk zal, en kijk naar de kunstgeschiedenis, overblijven wie we werkelijk zijn. Zal alle bullshit overboord vallen. Maar voor het zo ver is zullen we moeten imiteren. Zo goed mogelijk, zo kwaad mogelijk. Tot, totdat we voelen dat we gefaald hebben. En alles wat dan overblijft, na dat falen, dat ben jij.
En dan aan de slag. Er moet een meesterwerk gemaakt worden.

 

Over de auteur

Vincent Terlouw (1986) is schrijver, journalist en recensent. In zijn werk spelen thema’s als bevrijding, het maken van keuzes en de vraag hoe ver je mag gaan om wraak te nemen, een belangrijke rol. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman.

Over de illustrator

Ellis van der Does is een Nederlandse illustrator en ontwerper gevestigd in Londen. Haar stijl is helder en fris door het gebruik van verschillende technieken en sprekende kleuren. Haar beelden bestaan vaak uit een combinatie van bestaande vormen om zonieuwe verhalen te maken. In september 2015 behaalde zij haar MA in Graphic Design Communication aan Chelsea College of Art and Design. Ellis werkt autonoom en in opdracht voor onder meer Museum of Sound & Vision, Root+Bone Magazine, Overdose.am, Girls Club Zine, Bite Me, Chanced Arm, Sister Magazine, The Carton and Staatsbosbeheer. Meer over Ellis vind je op haar website: www.ellisvanderdoes.com

Lees meer van

Eeuwige liefde

Door Vincent Terlouw

Chère imagination, ce que j’aime surtout en toi, c’est que tu ne pardonnes pas. André Breton – Manifeste du surréalisme (1924)   ‘Een schrijver kan zo toch niet schrijven,’ verzuchtte Gregorius Rodenstein toen zijn vrouw voor de derde maal die ochtend zijn werkkamer betrad, waarin hij zich sinds donderdag had opgesloten. De kalender met Hollandse […]

Lees meer uit de categorie Essay

Thee onder vuur

Door Rutger Kaput

Beeld: © Fiep Westendorp Een langzame maar gevaarlijke aardverschuiving bedreigt een belangrijk onderdeel van ons cultureel erfgoed, namelijk het theedrinken. Hoewel thee al vaker object van spot is geweest, is het nu slachtoffer geworden van een nodeloos grievende aanval met als enige doel politiek gewin. Dit terwijl het drinken van thee bij uitstek een rustgevende, […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper