Kort verhaal

De klep van de UFO

Door Hanneke Hendrix | beeld: Martien Bos
16 februari 2015

In films zijn momenten van vertrek en afscheid altijd gevat in van die dagen dat het regent, droeve dagen, maar de dag dat ik in het dorp met mijn moeder stond te wachten op de bus, was precies zoals elke andere dag aan het einde van een zomer. Ik had verwacht dat er trompetgeschal zou klinken. Dat er een fanfare langs zou komen lopen. Dat mijn vader en mijn broers op het laatste moment aan zouden komen rennen. Huilend. Voor het eerst ooit huilend, want de jongste zoon ging met de bus naar de stad. Voorgoed. Maar alles was normaal. In het dorp liep iedereen gewoon rond, de vrachtwagens ronkten door de straat, mensen in zomerse kleren fietsten naar het winkelcentrum, het rook er naar ijs en naar zonnebrand en mijn vader zat in zijn ouwe stoel te snurken, zoals altijd ’s middags en hij was die middag alleen maar even wakker geworden toen mijn moeder zei dat ik ging.
“Henry gaat,” zei ze.
Hij stak zijn hand op en sloot daarna weer zijn ogen.

In een ouwe Popfoto had ik gelezen dat dat kleine meisje Drew Barrymore was en dat ze op haar negende aan de drank was en op haar dertiende al coke snoof.

Sommige mensen zouden het aanzien voor botheid, maar ik weet dat hij gewoon niet precies kon bevatten wat er gebeurde. In zijn leven vertrok er nooit iemand. Waarom zou je dat doen? Hoogstens verhuisde je naar een dorp verderop, als je ging trouwen, zoals één van mijn broers. Maar ik verhuisde naar de stad en het was een zonnige dag en mijn moeder droeg mijn tas en ik rolde de Samsonite achter me aan die al mijn hele leven op de zolder stond te verstoffen. Bij de bushalte aan de rand van het dorp gaf ze me mijn tas aan en pakte mijn bovenarm vast. Ik voelde haar dunne lange vingers in mijn vlees duwen.
“Als er iets is, moet je bellen, hè?” zei ze.
Ik knikte.
“Ik meen het, Henry, je moet meteen bellen. Dan lenen we de auto van ome Wiel en dan komen we.”
Ome Wiel was de overbuurman. Als hij binnenkwam tijdens een verjaardag, dan begon de hele kamer al te lachen nog voor hij iets had gezegd. Dan sloeg mijn vader zich op de knie.
“Hij heeft de lach aan zijn kont,” zeiden ze.
Een van mijn tantes zag meestal de overbuurman zijn deur uitlopen, en riep dan “En daar komt Wiel!” Er ging dan een soort van opluchting door de kamer heen, want vanaf nu zouden alle gesprekken gemakkelijk gaan, vanaf nu zou er gelachen worden.
“Ik bel.”
“En ook gewóón af en toe eens bellen, oké? Als er niets is.”
“Ik bel, ik bel.”
Tijdens een kerst, jaren eerder, keken mijn broers en ik ‘s middags naar ET. Ik moet elf zijn geweest. In een ouwe Popfoto had ik gelezen dat dat kleine meisje Drew Barrymore was en dat ze op haar negende aan de drank was en op haar dertiende al coke snoof. Ik stelde me voor dat ik ook aan de drank was. Dat ik whisky zou drinken en dan met een klap het glas op tafel zou zetten en een verbeten gezicht zou trekken. Ik vond dat altijd vreemd, die verbeten gezichten op de televisie na een glas whisky. Whisky zag eruit als karamel. Het klonk ook als snoep. Whisky.
“Dat is gewoon appelsap,” zei mijn moeder altijd, als er iemand op de televisie sterke drank dronk. Of: “Het is maar ketchup,” als er iemand aan flarden werd geschoten.
De film tinkelde door de kamer.
Niemand zei wat.
Niemand vergeleek wat er gebeurde met een voedingsmiddel.
Hoe Gertie gilde, hoe ET gilde.
Hoe ET woordjes leerde.
Hoe ET naar huis moest bellen.
Hoe Elliott en ET door de lucht fietsten, langs de maan.
Hoe Elliott en ET ziek werden.
Een zeldzame saamhorigheid overspoelde ons gezin, vader, moeder, de drie jonge jongens die ademloos naar het beeldscherm keken. De gordijnen waren dicht en de kerstboom verlichtte het meubilair en wij die erop zaten. Het schijnt dat Spielberg de hele film chronologisch heeft opgenomen, zodat de kinderen die in de film speelden het gevoel kregen alsof het allemaal echt was. Elliott en ET raakten elkaars vinger aan, daar in die ziekenhuisbedden met plastic gordijnen. Mijn moeder veegde een traan weg.
Met moeite at ik het schaaltje kerstkransjes leeg. Het was tijd voor het afscheid. De ufo stond al klaar. Ik maakte me op voor wat naar verwachting de indrukwekkendste filmervaring van mijn leven zou gaan worden. Het was kerst, het was sereen, alles was goed.
“Staat hier een deur open?” zei mijn vader ineens. Aan de zin ging een snurk vooraf. “Godverdomme, wat is het hier koud! Wat zijn jullie aan het kijken?”
ET! Jezus!” riep één van mijn broers.
Mijn vader stond op om de thermostaat van de verwarming omhoog te draaien.
Op het scherm was de klep van de ufo al dicht gegaan.
“Dat krijg je,” zei mijn moeder, “als je wakker wordt lijkt het altijd koud. Dat komt omdat je lichaamstemperatuur daalt als je slaapt.”
“Als iedereen nu eens zijn bek dichthield,” zei mijn broer.
“Inderdaad,” zei mijn andere broer.
“Het was net zo gezellig!” riep mijn moeder. “Zal ik dan maar koffie zetten? Hebben jullie daar zin in? In koffie?”
Maar de film was al afgelopen.
ET vloog weg.
Mijn moeder stond op.
In de keuken hoorde ik haar zingen.

Illustratie: Martien Bos

Illustratie Martien Bos

Mijn broer zapte ondertussen naar het sportjournaal, terwijl mijn andere broer met zijn filmcamera de hond achterna zat. Ik keek naar het lege chocoladeschaaltje. En naar mijn vader die met veel moeite bezig was een bladzijde van de krant om te slaan. In plaats van op een filmset was ik in Grubbenvorst geboren en had ik een duf konijn in een hok in plaats van een buitenaards wezen in mijn klerenkast.
Mijn moeder hield mijn arm nog vast, alsof ik een oud mannetje was dat pas door de deur naar buiten mocht als het invalidenbusje was voorgereden. Ik keek naar het weiland tegenover de bushalte. De lucht zoemde warm en de witte koeien stonden te kijken naar hoe er twee mensen met een grote grijze bak op twee plastic wieltjes bij dat gele bord stonden. Het waren gespierde koeien, die eruit zagen alsof ze uit een klassiek schilderij waren gelopen. Franse koeien, zei mijn vader altijd. In de verte klonk geronk.
“Dat kan ook best een vrachtwagen zijn,” zei mijn moeder. “Het klinkt precies als een vrachtwagen.”
Mijn moeder dacht altijd dat de bus niet kwam. Vroeger, als we wel eens de bus namen de andere kant op, naar het dorp verderop, naar ooms en tantes, als het regende of sneeuwde en we al een half uur stonden te wachten, dan zei ze dat ook altijd: “Het is een vrachtwagen. Het klinkt als een vrachtwagen.” Het was een gek soort teleurstelling, als het dan een vrachtwagen was, en die werd niet voorkomen door de voorspelling die mijn moeder deed, al was dat wel haar bedoeling.
Het geronk was geen vrachtwagen, het was de bus die de hoek om kwam gereden. Er was geen vrachtwagen langs geweest. De koeien begonnen te rennen.
“Daar is ‘ie,” zei ze.
Ik keek naar de rennende koeien, tot de bus voor mijn neus tot stilstand kwam. Ik pakte mijn moeder stevig vast, ik drukte mijn neus in haar haar. Mijn kleine moedertje. Ze was gekrompen. Haar haar rook naar alles wat voelde als thuis.
“Nou dames, vandaag?” riep de buschauffeur boven het razen van de motor uit.
Mijn moeder liet los.
“Sorry!” riep ze naar de buschauffeur. “Mijn zoon gaat naar de grote stad.”
De buschauffeur reageerde niet. Mijn moeder trok haar arm los en gaf me een duw de bus in.
“Gauw,” zei ze. “Gauw.”

“In dit dorp stappen er altijd alleen maar mensen in, lieve jongen,” siste een oud vrouwtje halverwege de bus, toen ik me boven haar aan het bagagerek moest vastgrijpen. “Niemand wil er hier uit. Niemand.”

Ze kauwde nog eerder haar eigen poot uit een strik dan dat er ook maar iemand op haar moest wachten. Ik sleurde met veel kabaal de koffer het trapje op en kocht een kaartje. Toen ik me omdraaide begon de bus al te rijden, de deuren sloten zich sissend. Mijn moeder zwaaide en ik voelde haar vingers nog om mijn bovenarm, haar zwaaiende vingers en als ik mijn ogen zou sluiten, zou het lijken of ze nog naast me stond. Maar ik sloot mijn ogen niet, ik duwde mijn koffer door het gangpad, terwijl de bus het bos naast het dorp in slingerde.
“In dit dorp stappen er altijd alleen maar mensen in, lieve jongen,” siste een oud vrouwtje halverwege de bus, toen ik me boven haar aan het bagagerek moest vastgrijpen. “Niemand wil er hier uit. Niemand.”
Ik stommelde verder het gangpad door en schoof op de achterbank dicht tegen het raam aan. Ik klopte even op de Samsonite. Ik was blij dat ik die ouwe bak had meegenomen. Alsof ik op zee zat. Alsof ik op de Titanic was, onderwijl op de achterbank van The Graduate. De bus ronkte en de Samsonite wilde steeds het gangpad in en ineens was ik alleen. In een film heeft een jongen de tijd om afscheid te nemen van zijn grootste liefde tot dan toe, van zijn leven tot dan toe, terwijl zijn ouders en broer en zus om hem heen staan en toekijken. Toekijken en een hand op hun hart leggen, vertederd knielen en de jongen zijn moment laten ervaren. In het echte leven zou de halve familie er doorheen geluld hebben, hem vragen of hij zich wel goed voelde, ET een handje hebben geschud en zou de moeder bemoedigend zeggen dat ze wel pannenkoeken voor hem zou gaan bakken. Dat het gezellig was, toch? Het was heus heel gezellig.
Maar er was geen fanfare geweest.
De klep van ufo was dichtgegaan.
Thuis schrok mijn vader wakker, en vroeg hij waarschijnlijk of er ergens een deur openstond.

 

 

Over de auteur

Hanneke Hendrix (1980) is schrijfster en hoorspelmaker. Ze studeerde Writing for Performance aan de HKU en Wijsbegeerte aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hendrix schreef voor onder meer Literair Productiehuis de Wintertuin, Passionate Magazine, componistenduo Strijbos & Van Rijswijk en festivals als Into the Great Wide Open, Lowlands en De Parade. Haar debuutroman 'De verjaardagen' kwam september 2012 uit bij Uitgeverij de Geus en kwam op de shortlist voor de Academica Literatuurprijs en de Dioraphte Literatuurprijs. In 2014 verscheen haar tweede, bejubelde roman 'De dyslectische-hartenclub'.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Man tot Man

Door Jerry Hormone

  ‘Het lijkt me goed als je je laat testen,’ zegt zijn vriendin. ‘Ik heb nergens last van,’ zegt Jeroen. ‘Nou, ik heb dus een beetje kriebel.’ ‘Oh?’ ‘Ja, precies dezelfde kriebel als toen ik chlamydia had.’ ‘Jij had chlamydia?’ Ze knikt. ‘Vlak voor jou heb ik een keer met’ – ze noemt de naam […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper