Kort verhaal

Soulac-sur-Mer

Door Robin Kramer | beeld: Ellis van der Does
20 februari 2015

 
Het paradijs, dat is Schiphol rond drie uur ’s nachts. Ik had mijn schoenen uit gedaan en was door de hallen gaan lopen. Mijn broertje, zusje en vriendin – met wie ik de volgende ochtend naar Bordeaux zou vliegen, om daarna mijn ouders in Soulac-sur-Mer te bezoeken – lagen te slapen op de daarvoor bestemde stoelen. Ik kocht een blikje bier van zo’n vijf euro en was op de trap gaan zitten om naar de mensen te kijken, mijn vinger tussen twee van de eerste bladzijdes van Ayn Rand’s Atlas Shrugged, een pocketuitgave die ik had gekocht omdat ik het één van de mooiste boektitels vond die ik kende. Ik keek over de hoofden van de reizigers en zocht naar camera’s en door foambollen verpakte microfoons. In mijn hoofd bereidde ik een interview voor, maar kwam niet verder dan een handjevol clichés.

Het zou je maar gebeuren: dat je aansteker spontaan in je broekzak ontploft als je net op blote voeten een volle parfumerie op Schiphol bent ingelopen.

Ongeveer vijf uur daarvoor had ik aan de tuintafel gezeten bij de ouders van mijn vriendin. We praatten over de verbouwde serre, het weer en over de kippen (om de zoveel tijd zwol één van de kippen die mijn schoonouders hielden op tot twee keer de oorspronkelijke grootte. Een paar dagen daarna lagen ze meestal dood in het leghok, als een verwaarloosde voetbal waarbij de lucht door het leer was gesprongen). Ik vroeg mijn schoonvader hoe dat kwam, dat die kippen op springen stonden. Hij haalde zijn schouders op en zei dat hij het niet wist. Ben je dan niet bang? Vroeg ik. Nee, zei hij, waarvoor zou ik bang moeten zijn? Later las ik op Twitter dat er een vliegtuig was neergestort boven de Oekraïne en dat het vliegtuig waarschijnlijk uit de lucht geschoten was. Nog iets later (of eerder, ik weet het niet zo goed meer) werd bekend dat er een bommelding was bij het Witte Huis en er was geloof ik ook nog iets in het Midden-Oosten. Er was die avond in ieder geval genoeg gebeurd om van Twitter een bijna pre-apocalyptische verzameling aforismen te maken.
En wij moesten nog vliegen.

Ellis.voetbalkip

Ik kon geen camera’s of microfoons vinden en dus dwaalde ik een parfumerie binnen, waar ik het na een paar seconden voor gezien hield omdat mensen naar mijn blote voeten bleven kijken. Ik voelde mijn broekzakken af naar mijn aansteker en gooide die, toen ik zeker wist dat niemand keek, in de prullenbak. Het zou je maar gebeuren: dat je aansteker spontaan in je broekzak ontploft als je net op blote voeten een volle parfumerie op Schiphol bent ingelopen. Nadat ik nog een biertje had gekocht, voegde ik me bij mijn slapende reisgenoten en keek ik naar de vliegtuigen die zich als de wijzers van een klok bewogen; draaiend van kant naar kant zonder dat de staart zich hoefde te bewegen.
Die middag had ik mijn schoonvader nog geholpen met de blanke pruimen. Eerst hadden we een blauw zeil uitgehangen aan de spijlen van de poort en twee in de potgrond gestoken schoffels. Daarna had ik met een aan een bezemsteel bevestigde haak aan de takken staan schudden, totdat de pruimen in het zeil waren gevallen. Er waren drie soorten pruimen geweest: rijpe, ongebroken pruimen (voor de verkoop), iets minder rijpe maar toch nog eetbare pruimen (voor het gezin) en onrijpe pruimen (voor de kippen). Voor elke soort was er een emmer neergezet. Voor elke vallende pruim was er een plaats om te landen.
Mijn vriendin begon zich in haar stoel te bewegen en zei met gesloten ogen: ‘Ik ga even een sigaretje roken, Roob. Heb jij de aansteker?’

Ik sliep door de vlucht heen en werd wakker in de stomende Franse hitte. Daarna hadden we de tijd gedood – de trein vertrok pas om vijf uur – op een terras voor het treinstation van Bordeaux, tijd die ik voornamelijk besteedde met het zoeken naar verdachte types. Ik zag twee jongens met skateboards die om het terras bleven dwalen en af en toe onze kant op keken.
‘Berg je Nintendo maar even op, Aron,’ zei ik tegen mijn broertje. Tegen mijn vriendin en mijn zusje zei ik: ‘Niet naar hen kijken, dan denken ze dat jullie met ze willen praten en dan krijgen we ze hier niet meer weg. Daarbij is mijn Frans niet goed genoeg om de politie te bellen.’
Ik klemde mijn reistas tussen de poten van de stoel en wikkelde de draagband een paar keer door de armleuning. Mijn vriendin zei dat ik me niet zo aan moest stellen. Daarna kwam de ober. Hij zei: ‘Will you pay me now, please? My shift is almost ending.’ Ik gaf hem een flinke fooi, zo snel als ik mijn portemonnee kon pakken, deels omdat hij goed Engels sprak voor een Fransman en deels omdat ik bang was dat hij met een mindere fooi misschien met mij in discussie zou gaan.

Die nacht sliepen we in het vliesdunne Hotel Neptune, in het centrum van Soulac-sur-Mer, waar de eigenaar alleen het woord credit card kende en er vachten van stof onder de bedden lagen. We aten een melige pasta carbonara in een of ander steegtentje en dronken ’s avonds nog wat op het terras van het hotel. Ik zei tussen twee drankjes door dat ik even naar onze hotelkamer ging, waarop mijn vriendin vroeg waarom.
‘Even naar het toilet,’ zei ik.
‘Er is hier beneden ook een toilet.’
‘Ik wil even kijken of onze tassen er nog liggen.’
‘Doe normaal, man.’
‘Wat?’
‘Je hebt de deur toch op slot gedaan?’
‘Ja, nou, dat wilde ik dus ook even controleren.’
‘Ga zitten, jij. Onze drankjes komen zo.’

Die avond keek ik nog even naar het televisietoestelletje dat met een metalen arm aan het plafond was bevestigd. Er was geen beeld. Ik bedoel: de televisie stond uit. Maar toen ik me concentreerde dacht ik de omlijningen te zien van een rokend vliegtuig, met grijze lijnen op een zwarte achtergrond, alsof het beeld in het apparaat was geëtst doordat het te lang aan had gestaan.

Al deze mensen, al deze Nederlanders hadden allemaal banen en huizen gehad. Ze lieten ruimtes achter: op hoekbanken, achter bureaus en bijrijdersstoelen.

De volgende ochtend brachten we nog wat uurtjes door aan de kust, met koud bier en frisdrank van de strandtentjes, starend naar een oceaan die zichzelf bleef corrigeren. Aan de andere kant van het strand zag ik een paar mensen vliegeren. Ik moest denken aan de keren dat ik had gevliegerd, toen ik nog jong was of in ieder geval jonger dan nu, en hoe ik altijd bang was dat de handvatten door mijn vingers zouden glippen maar daarnaast ook zo benieuwd was naar wat er zou gebeuren als ik de vlieger los zou laten.
‘Weet je wat ik denk?’ zei ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Er moet iemand in dat vliegtuig hebben gezeten die bang was dat ze neer zouden storten. Niet waar? Op elke vlucht zitten altijd wel een paar mensen die daar bang voor zijn, dat kan niet anders. Het is zo vreemd om te bedenken dat die mensen nooit hebben geweten dat hun angst werkelijkheid is geworden.’
Ik kreeg wat geja en geknik terug. Een paar minuten later zei mijn vriendin dat ze ging zwemmen. We waren er nu toch en we moesten alles uit de vakantie halen. Ik keek achterom, naar de kleur van de vlag en zag dat het goed was. ‘Doe je voorzichtig’, zei ik. ‘Niet te diep gaan, hè?’

‘Woede mobiliseert,’ hoorden we Rutte zeggen op de enige beschikbare Nederlandse televisiezender binnen het appartementencomplex waar mijn ouders en de rest van mijn familie verbleven.
Er werd gesproken over een veld waarop de lichamen lagen, sommigen intact, anderen uit elkaar gespat door de impact. Binnen de kortste keren hadden de rebellen en de inwoners het veld geplunderd. Credit cards en telefoons ontbraken in de handbagage, – strepen leer, een cijferslot, de voering van een sporttas – alle eigendommen lagen als een omgekeerd bouwpakket verspreid over de ruimte. Kinderboeken, knuffelberen. De Telegraaf publiceerde een lijst van alle Nederlandse overledenen, compleet met foto’s en korte biografieën. Hoewel dat onmogelijk de bedoeling kon zijn geweest, voelde ik me getroost. Al deze mensen, al deze Nederlanders hadden allemaal banen en huizen gehad. Ze lieten ruimtes achter: op hoekbanken, achter bureaus en bijrijdersstoelen. Ruimtes die voor het grootste gedeelte weer gevuld zouden worden, door andere mensen, die vervolgens ook weer ruimtes achter zouden laten.

Op de plaatselijke markt proefde ik een paar dagen later alle wijnen uit de regio, totdat ik zwalkend mijn vriendin opzocht bij de viskramen. Ze wilde twee makrelen kopen, maar kon de aandacht van de verkoopster niet vangen en er werd steeds voorgedrongen. Ik bleef er even bij staan, lang genoeg om me te realiseren dat mijn vriendin wel degelijk werd opgemerkt, maar simpelweg genegeerd. Ze zei dat er al wel minstens zeven mensen voorrang hadden gekregen, terwijl zij er toch echt al een stuk langer stond.
‘Spraken ze Frans?’ vroeg ik.
Mijn vriendin knikte.
De wijn zoemde na in mijn hoofd en voordat ik er erg in had, had ik twee makrelen uit het ijs gegrist en op de weegschaal van de verkoopster gelegd.
‘Twee makrelen,’ zei ik in het Nederlands.
De verkoopster rekende met ons af en net toen we ons om hadden gedraaid hoorden we een schreeuw. De man die achter ons in de rij had gestaan was in elkaar gezakt en lag nu languit op de waterige vloer. Een groepje mensen begon zich rondom hem te verzamelen. Ik zag dat iemand al aan het bellen was en achter zijn Franse woorden kon ik een onmiskenbaar Nederlands accent herkennen. Mijn vriendin en ik liepen verder de markt over.
‘Zonder jou was die man eerder aan de beurt geweest,’ zei ze later, toen we voor een kraam met fruit stonden. Ik pakte een rijp exemplaar van een stapel pruimen en drukte hem lichtjes in met mijn vingers.

 

Over de auteur

Robin Kramer (1990) werkt als boekhandelaar en schreef essays, columns, interviews, recensies en literaire stukken voor onder andere Hard//Hoofd, The Daily Indie, De Ondergrond en Boekblad Magazine. Daarnaast treedt hij sporadisch op als singer/songwriter onder zijn eigen naam.

Over de illustrator

Ellis van der Does is een Nederlandse illustrator en ontwerper gevestigd in Londen. Haar stijl is helder en fris door het gebruik van verschillende technieken en sprekende kleuren. Haar beelden bestaan vaak uit een combinatie van bestaande vormen om zonieuwe verhalen te maken. In september 2015 behaalde zij haar MA in Graphic Design Communication aan Chelsea College of Art and Design. Ellis werkt autonoom en in opdracht voor onder meer Museum of Sound & Vision, Root+Bone Magazine, Overdose.am, Girls Club Zine, Bite Me, Chanced Arm, Sister Magazine, The Carton and Staatsbosbeheer. Meer over Ellis vind je op haar website: www.ellisvanderdoes.com

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Een perfecte dag voor het zeeaquarium

Door Toon Karakter

Jona Ik wist nooit dat je kaviaar tussen duim en wijsvinger aan de bovenkant van je hand moest eten. Dat heeft iets met de temperatuur te maken. De steur zwemt al sinds de prehistorie in de Amoer maar toen de hebberige klauwen van de vrije markt zelfs tot in Siberië bleken te reiken was het […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper