Kort verhaal

Eeuwige liefde

Door Vincent Terlouw | beeld: Ellis van der Does
19 april 2015

Chère imagination, ce que j’aime surtout en toi, c’est que tu ne pardonnes pas.
André Breton – Manifeste du surréalisme (1924)

 

‘Een schrijver kan zo toch niet schrijven,’ verzuchtte Gregorius Rodenstein toen zijn vrouw voor de derde maal die ochtend zijn werkkamer betrad, waarin hij zich sinds donderdag had opgesloten. De kalender met Hollandse vergezichten was geplukt tot op de dag waarop Onze Lieve Heer rustte en Zijn schepping overzag. Gregorius, ook ooit geschapen, staarde naar het papier voor hem op tafel; zo wit en onbedorven als een bruidje.
‘Ik heb koffie voor je meegebracht,’ zei zijn vrouw, Maria Rodenstein–Mann, en plaatste het dienblad op het bureau. Gregorius griste zijn hoopjes verwachting uit de buurt van het bittere gevaar en ordende ze zoals een nieuwslezer dat doet. Hij bromde iets onverstaanbaars.
‘Wil het lukken vandaag?’
Ironie? Gregorius herhaalde haar zojuist gesproken zin, de intonatie van ieder woord tot op de hertz nauwkeurig.
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Ik ben gewoon benieuwd,’ zei ze dromerig en staarde de volledig in bloei staande tuin in. Samen aangelegd. De vijver, de olijfbomen, het houten schuurtje, de drie katten die ze onder lindeboom begraven hebben. Kat Vincent was de laatste geweest. Maria wilde graag een nieuwe.
‘Vandaag ga ik bessen plukken.’ Gregorius slurpte voorzichtig aan zijn koffie. ‘Jij zou er ook eens uit moeten, weg uit dit hol.’ Ze boog zich over zijn bureau en opende het raam waarachter hij werkte. Waarachter hij zijn hersenen plakje na plakje schaafde, op zoek naar dat onderwerp, die titel, een eerste zin.
‘Een schrijver kan maar beter alleen zijn,’ sprak de schrijver.
‘Wil je soms dat ik ga?’
‘De grootste schrijvers sterven eenzaam.’
‘Sterven, dat doen we allemaal. Eenzaam of niet. Leven, dat is een grotere zorg.’
‘Fellini zei dat hij enkel leefde wanneer hij schreef.’
Haar meelijwekkende blik liep leeg op zijn bleke velletjes op de hoek van de tafel. Het viel Gregorius niet op. Er ontging hem, sinds hij zich op het schrijven had gestort, een hele hoop. Toen ze de kamer weer verliet, slaakte hij iets wat op een zucht leek, positioneerde zijn onbeschreven velletjes precies op de daarvoor bestemde plek en nummerde ze rechts onderin. Nu moest het komen. Een eerste zin, dan komt de rest vanzelf. Maar de ontmoeting met zijn vrouw had hem toch weer van de wijs gebracht.
‘Er komt altijd wel iets,’ hoorde hij een ambtgenoot laatst vertellen op tv. Nu, het was de vierde dag en zou het gras niet moeten groeien? Het kind van de tiet zijn? De martelaar verlicht? Niets, nul komma nul, zero; maar doorgaan, doorgaan, doorgaan, moet doorgaan.

Op een dag, misschien nog maar een week geleden, had zijn vrouw – achtentwintig jaren samen, een waarheid waar men de handen blauw om slaat – gezegd: ‘Ga naar Parijs.’

Een laatste slokje koffie. Koud. Gregorius’ gezicht vertrok. De kerkklok hamerde elf uur. Stipt om elf uur dacht hij altijd aan zijn mannen. Zijn mannen van de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek. Zij die geen verlossing zochten in het schrijven, maar verlossing vonden in een balkende bel welke hen om de twee uur bevrijdde van zielloze gedachten die nu eenmaal opkomen wanneer iedere seconde eentonigheid tikt. Hij zag ze slenteren naar de kantine, hoorde ze de schil van hun blauw geworden eitjes kraken, voelde het propje aluminiumfolie op zijn achterhoofd belanden – het gejuich.
Hij was hun chef geweest en was geliefd onder zijn schapen. Aan het slot van iedere dag bezag hij hun afmatting, liet ze een half uur voor het eindsignaal plaatsnemen in een kringetje en verhief ze door te doceren over vaagheden als een brandenburgs concert, een of andere toverberg of ene Danaë met reusachtige dijen. Hij onderrichtte zonder mededogen. In de loop van de tweeëntwintig jaar dat Gregorius (in die dagen doodgewoon Gerard) een werkzaam leven had gekend was het een aantal keren voorgekomen dat zijn colleges aanspraken, sommigen iets uit zijn betoog destilleerden en besloten het een verdieping hogerop te zoeken; daar waar tussen teerloze muren de telefoon nooit stil stond, waar prijzen koppeltje duikelden tot misselijkmakend toe, waar op matadorische wijze een concurrent de genadestoot kreeg toegediend, maar waar je eveneens geacht werd drie talen en drie zinnen achtereen te kunnen spreken, teneinde die dappere binken het trappetje nu in tegenovergestelde richting namen, terug naar waar je ruim voldoende had aan drie woorden en de waarheid.
Zo ging het lang tamelijk goed, ‘zijn gangetje’ of ‘rustig’ zoals iedereen antwoordde op de vraag waar geen terloops antwoord op bestaat. Tot er een vaagheid de boekhouding binnensloop waarop slechts één antwoord mogelijk was: bezuinigen. Het kan met recht gezegd worden dat Gregorius een van de eerste slachtoffers van de crisis was. Al zou hij zichzelf nimmer als slachtoffer tatoeëren en beweerde hij op de schamele verjaardag die hij bezocht dat het het beste was dat hem ooit is overkomen. Hij was herboren. Vrij. Vrij om zijn geest te laten waaien over de velden van de taal. Vrij om te doen wat hij altijd al had willen doen.

 ellis.eeuwige-liefde

Op een dag, misschien nog maar een week geleden, had zijn vrouw – achtentwintig jaren samen, een waarheid waar men de handen blauw om slaat – gezegd: ‘Ga naar Parijs.’
(Zag hij haar nu lopen in de tuin? Hij joeg naar woorden die verhelderden wat hij zag, haar witte zomerjurkje, de volmaakt rode krullen, het ontroerende plastic bakje voor de oogst.)
‘Parijs?’
‘Ja, Parijs. Ieder zichzelf respecterend auteur bezoekt Parijs. Parijs is de stad waar de meeste kinderen worden verwekt.’
‘Mijn Parijs zit hier,’ had hij gezegd, tikkend tegen zijn rechter slaap.
Hij gevoelde nu dicht bij een titel te zijn. In zijn mooiste handschrift, dik onderstreept bovenaan de pagina. Met een liniaal trok hij vast een keurig lijntje. O ja, ze had hem ook gevraagd of hij wel eens droomde. Wat verbeeldde ze zich wel niet. Natuurlijk droomde hij. Iedereen droomt. Van de keizer tot de melkboer. Precies ook wat hij riep: ‘Iedereen droomt! Van de keizer tot de melkboer!’ Toen vroeg ze of hij zijn dromen ook onthield. Want dat doen echte kunstenaars. Hoe kwam ze daar toch bij? Hij had het haar moeten vragen.
Ze vond het overigens mooi wat hij zei over de keizer en die melkboer. ‘Zulke dingen moet je opschrijven.’

Na zijn ontslag was zij het die hem aanspoorde te gaan schrijven. Hij had gehoor gegeven aan het duivelse idee en zij kocht een boekje waarin grote, belangwekkende auteurs hun schrijfgeheimen prijsgaven.

Hijzelf vond het weinig voorstellen en bovendien was hij niet in staat de waarde van een druppelende kraan in een verschrompelde dorheid te herkennen. Niet dat Gregorius dom was. Bij alle mogelijke oorzaken voor zijn dichterlijke impotentie had hij aangeklopt om uiteindelijk de conclusie te trekken: het moet mijn jeugd zijn geweest. Ah! De jeugd die voor iedere sadist, pyromaan of priester een welkome rechtvaardiging van daden biedt. Niet dat er in Gregorius ook maar een korreltje DNA met de drie hierboven genoemden overeenkwam en dat… juist, nu dat was het hele eiereneten. Geen memorabele gevechten, een duizelingwekkende val van de hoogste trede, de aanstormende trein op het nippertje ontweken, een barbaarse ziekte de middelvinger opgestoken, geen messen geslepen, geen verboden boek gelezen, geen scène bekwijld, geen lifter mee op avontuur genomen, geen nagels van een verloren geliefde voor eeuwig in zijn rug gekerfd.
Maar wat dan? Moest hij nu de stad in om iets van het volle leven te inhaleren waar schrijvers en filmmakers zo vaak over lullen? Die vond hij, welbeschouwd, een stelletje slapjanussen. Schrijvers wie eerst moeten leven eer ze aan het end van hun leven een tienregelig versje weten neer te pennen. In een reisgids las hij het reisverslag van een schrijver die, naar later bleek, de hele trip verzonnen had. Reizen op een retourtje imaginatie. Dat vond hij pas een prestatie. Zoiets inspireerde hem.
Gregorius ging rechtop zitten, wreef in zijn handen en schraapte zijn keel. Hij dacht Maria over het grindpad te horen lopen. Na zijn ontslag was zij het die hem aanspoorde te gaan schrijven. Hij had gehoor gegeven aan het duivelse idee en zij kocht een boekje waarin grote, belangwekkende auteurs hun schrijfgeheimen prijsgaven. Hard moest hij lachen om de wanhopige pogingen van sommigen om wat inspiratie los te weken. ‘De een nog gekker dan de ander’ had hij uitgeroepen. Neurotische zielen. Een kon enkel schrijven met uitzicht op een koe. Een ander sprong om de haverklap onder de douche om de moed erin te houden. Weer een ander schreef poedelnaakt. Maar allen, allen waren ze afhankelijk van de vrouw. En ook Maria stond Gregorius op alle mogelijke manieren bij. Kinderen hadden ze niet. Om de schuldvraag zijn ze altijd met een grote boog heengelopen. Maar straks, dacht hij, straks liggen er tien romans (vertalingen niet meegerekend) op mijn bureau en maak ik de interviewer wijs van alle tien evenveel te houden. Ik zal hard werken en iedere ochtend, kater of geen kater, achter mijn schrijftafel plaatsnemen. Ik zal die ellendige stilte in huis beschrijven. Die blik, het knikje; het is goed. Haar vuurrode gezicht, zijn handen rood van het niet eetbare spul dat hij haar voerde, die eerste spasmen, het visachtig happen naar lucht, haar ogen die langzaam van de wereld draaiden. ‘Eeuwige liefde,’ zei hij zachtjes voor zich uit en voelde een warme gloed zijn lichaam veroveren.
Zou dat kunnen?
‘Eeuwige liefde,’ zei hij nogmaals, nu wat harder. Zijn hand trilde. De opwinding. Drie slapeloze nachten. De bevrijding in zicht. Hij begon te lachen en dacht nooit meer te bedaren. ‘Eeuwig!’ riep hij. ‘Liefde!’ Had Gregorius zijn schrijversroeping niet al te serieus genomen, hij had een dansje gemaakt.
Maar hij bleef zitten en… liet zijn pen krassen.
Een krankzinnig mooi geluid.
Toen gebeurde het: zijn eerste woorden stonden nog maar net op papier, de inkt nog warm, toen er een gezicht voor zijn raam verscheen. Maria! Natuurlijk. Maria. Daar was Maria. Ze zag er jonger uit dan hij zich herinneren kon. Haar haar zat opgestoken. Ze droeg de ring die ze ooit tijdens het graven van de vijver verloren was. Ze waren nog maar net getrouwd. Ze stak haar hand door het openstaande raam. Kijk! Hij lachte naar haar, zij lachte naar hem.
Kijk! Gregorius kijk! Kijk dan hoe ze lacht!
Als naar een baby die zijn eerste woordjes brabbelt.

————————————————————–

Voor S.

Over de auteur

Vincent Terlouw (1986) is schrijver, journalist en recensent. In zijn werk spelen thema’s als bevrijding, het maken van keuzes en de vraag hoe ver je mag gaan om wraak te nemen, een belangrijke rol. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman.

Over de illustrator

Ellis van der Does is een Nederlandse illustrator en ontwerper gevestigd in Londen. Haar stijl is helder en fris door het gebruik van verschillende technieken en sprekende kleuren. Haar beelden bestaan vaak uit een combinatie van bestaande vormen om zonieuwe verhalen te maken. In september 2015 behaalde zij haar MA in Graphic Design Communication aan Chelsea College of Art and Design. Ellis werkt autonoom en in opdracht voor onder meer Museum of Sound & Vision, Root+Bone Magazine, Overdose.am, Girls Club Zine, Bite Me, Chanced Arm, Sister Magazine, The Carton and Staatsbosbeheer. Meer over Ellis vind je op haar website: www.ellisvanderdoes.com

Lees meer van

Een bepaald soort deernis

Door Vincent Terlouw

Het pessimisme aan de hand van Hermans Oh doorschijnende droefenis, oh treiterende treurnis, oh kakelende kwelling, oh lusteloos leed, oh perfide pijn, oh smartelijke smart, oh klevend kruis, – en nu verlaat ik mijn alliteratiedrift – oh lieve moeder, het begin van een nieuw jaar; zere botten, zere kop, wederom neergekletterd op vakje 1 van […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

De Wentelverhalen 1: Gavon – De winnaar

Door Sytze Schalk

Lida-stad, een steeg. 22 november, jaar 1856 van de Pins-Monarchie, 06:30 uur. ‘Als je dood bent, moet je het zeggen.’ Een krakende stem. Meer niet. ‘Maar je ligt erbij alsof je een hartslag hebt. Kijk me ’s aan!’ Ogen openen. Moet lukken. Eerst tot spleetjes, wennen aan het licht. Het miezert, en het beetje adem […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper