Kort verhaal

De tragiek van een afwezige dood

Door Luckie S. Delacroix | beeld: Bas van Genugten
7 mei 2015

Augustijn van Dinteren miste zijn ochtenderectie. Hij probeerde zich te herinneren wanneer hij voor het laatst wakker was geworden met een stijve, en hoewel hij dacht dat hij zich veel, zo niet alles, nog helder voor de geest kon halen, lukte het hem niet. Eigenlijk was dit helemaal geen gedachte die paste bij zijn respectabele, zelfs wonderbaarlijke leeftijd van 114 jaar.

Hij rekte zich uit en voelde hoe zijn oude botten en versleten gewrichten protesteerden tegen weer een nieuwe dag. Augustijn knipperde een paar keer kort na elkaar met zijn ogen om ze aan het daglicht te laten wennen en keek weemoedig naar de lege plek naast hem. De plek die al zo lang onbeslapen was. In april zou het 62 jaar geleden zijn dat hij voor het laatst ging slapen naast Annelief, zijn ene ware liefde. De warmte van haar vrouwenlijf verwarmde enkel nog zijn hart en de zachte plekjes van haar lichaam waren voor altijd in het geheugen van zijn vingertoppen gegrift. Het prachtige ronde stukje waar haar billen en rug elkaar ontmoetten en de zachte plooi waar haar oksel overging in haar borst. Het waren voor Annelief de twee favoriete plekjes om door hem aangeraakt te worden. Hij wist het nog allemaal en hij wist ook dat hij het nooit meer zou vergeten.

TragiekOptimist

Augustijn werd iedere ochtend, al 62 jaar lang, overrompeld door een intens verlangen naar zijn vrouw. Hij hoopte dat zij op hem wachtte in zijn Walhalla. Dan zou hij zich eerst verontschuldigen voor zijn lange levenswandel, met haar kroelen en haar nooit meer loslaten. Annelief zou hem glimlachend vergeven en zeggen dat tijd in het Walhalla niet gelijk is aan die op Aarde. De 62 lange jaren van stilte waren enkel voor Augustijn. Het was voor haar in een oogwenk voorbij gegaan. Het dagelijkse besef van eenzaamheid was zijn zelfkastijding. Augustijn was onsterfelijk bij Annelief en zij was alleen maar een herinnering voor hem.

Nadat hij even later een zuster, wier naam begon met een N of M, had verteld dat oud zijn lang niet zo leuk is als oud worden, en zij in ruil voor deze cynische kwinkslag met een professionele glimlach ontbijt voor hem had gemaakt, zat hij op het balkon van de achtste etage en rolde op zijn gemak de eerste sigaret van de dag. Hij keek over de boomtoppen van het park naar de wereld die altijd haast had. Augustijn kon het razende tempo van de maatschappij niet meer volgen. Nu kon hij al zo’n kleine zestig jaar niet meer mee hollen in de vaart der volkeren maar sinds de gedwongen verhuizing van zijn geliefde Strijp naar de stad wist Augustijn dat hij te oud was voor deze wereld. Met deze wetenschap was de aanvaarding van zijn vergankelijkheid gekomen, en in de loop der jaren was deze weer gegaan.

Hij likte het vloeitje dicht en stak zijn sigaret aan met zijn oude benzineaansteker die altijd nog één vlammetje voor hem had. Hij inhaleerde diep en hield de rook even vast in zijn longen. Hij genoot intens van het roken. Geen dokter kon hem nog overtuigen om te stoppen. Zijn verslaving was eigenlijk zijn enige vrije keuze. Augustijn grinnikte om deze tegenstelling even maar treurde twee trekjes later alweer bij het besef dat hij zoveel autonomie had ingeleverd dat roken, hoe paradoxaal ook, echt zijn laatste vrije keuze was. Welk argument kon men nu nog gebruiken? Wat wilde een dokter nog tegen hem zeggen?
“Meneer van Dinteren, als u zo doorrookt zult u nooit heel oud worden.” Hij hoorde in zijn hoofd de dorpsdokter met zijn goedbedoelde waarschuwing. Hoe heette die dokter ook alweer? Augustijn zag hem zitten. Het donkere haar met brillantine in een scheiding over zijn hoofd geplakt en een dikke bril met een hoornen montuur die hij af zette om gewichtig te zijn. Deze dokter was nu al ruim veertig jaar dood.

Zijn leeftijd was zo hoog dat het bijna bizar was. Hij drukte zijn sigaret uit in de asbak. Zou hij de oudste mens te wereld zijn?

Daar was de onverstoorbare grijns. Augustijn was 114, en hoe! Hij kon nog zelf lopen. Weliswaar met hulp van een wandelstok en niet meer zo snel als vroeger, maar hij liep nog zelf. Hij droeg geen bril, geen gehoorapparaat, geen kunstgebit; Augustijn had geen te hoog cholesterol, geen diabetes of andere ouderdomskwalen, en was niet vatbaar voor Parkinson, ALS en kanker. Hij had zelfs nog nooit griep of een longontsteking gehad.

Alleen zijn baard had de tand des tijds niet weten te doorstaan. Vroeger, toen hij nog gevierd Valkenier was, had hij een imposante en karakteristieke baard gehad. Een paar weken na zijn eenentachtigste verjaardag merkte hij echter dat zijn baard dunner begon te worden en er al snel niet meer imposant maar potsierlijk uitzag. Het was alsof de dood, in een uiterste poging om Augustijn van Dinteren mee te nemen, alleen zijn baard had weten te grijpen, maar dat deerde de oude Augustijn niet. Hij had een klapmes en een scheerkwast gekocht en zich een paar keer per week geschoren met de rust, het geduld en de precisie die kenmerkend waren voor al zijn handelingen. Hij wreef even over zijn koude wangen. Hij moest zich eigenlijk weer scheren, maar dat kon ook wachten tot morgen, want tijd had hij helaas meer dan genoeg.

Augustijn rolde een nieuwe sigaret en dacht aan zijn vorig leven in het pittoreske buurtschap Strijp. De plek waar zijn wortels lagen was ongrijpbaar voor crises, of ze nu economisch, ecologisch of terroristisch van aard waren en daarom bleef de buitenwereld precies dat; de wereld buiten. Het maakte van Strijp een heerlijke plek waar niks gebeurde en waar nooit iets veranderde. Alleen het wisselen van de seizoenen verraadde dat de wereld draaide. Augustijn was er inmiddels al zo lang niet meer geweest dat hij niet met zekerheid kon zeggen dat het nog bestond.

Na de lunch zat Augustijn van Dinteren weer op zijn balkon en dacht rokend na over de afwezige dood. Zijn leeftijd was zo hoog dat het bijna bizar was. Hij drukte zijn sigaret uit in de asbak. Zou hij de oudste mens te wereld zijn? Als hij zou kunnen, zou hij over de leuning van zijn balkon klimmen en zich op die manier verlossen van dit belachelijk lange leven. Hij keek naar de rand van zijn balkon. De balustrade was bij de laatste renovatie in een liefelijke, lichtblauwe kleur geschilderd, de kleur die je associeert met de geboorte van een zoon. Hij had een paar keer aan bezoekende achterkleinkinderen gevraagd of ze hem een zetje wilde geven richting de vijver met karpers, acht verdiepingen lager, maar zij schrokken van zijn morbide cynisme en de meesten kwamen niet meer op bezoek. Ze lieten hem heel langzaam oud worden.

Hij had weer medelijden met zichzelf. Dat was misschien wel de enige ouderdomskwaal waar hij mee worstelde. Augustijn rolde nog maar een sigaret. De waarschuwingen, die hij las als reclames, beloofden dat het roken van zware shag hem ernstige schade toe zou brengen en zelfs dat het dodelijk was. Hij merkte daar anders nog maar verdomd weinig van, maar dichter bij zelfmoord, dan het halve uurtje dat een sigaret aan het einde van je bestaan afpakt, kwam Augustijn niet meer.
Het leven was meedogenloos en de dood kwam niet op zijn verzoek, zo wijs was hij inmiddels wel geworden.

Het avondeten was de derde inspiratieloze maaltijd van die dag. Hij had de lauwe gehaktbal en het prakje met andijvie of boerenkool weggespoeld met een glas bier voordat hij weer op zijn stoel op het balkon was gekropen. Augustijn had een deken over zijn oude benen geslagen in de hoop dat de warmte zijn spieren enigszins soepel zou houden maar zijn hoop bleek, vier zelfgedraaide sigaretten later, tevergeefs. De zuster, die na de laatste zonnestralen het licht in zijn slaapkamer kwam doven, hoorde zijn oude gewrichten onder luid, krakend protest mee naar bed gaan. Ze merkte gevat op dat krakende wagens het langste bleven rijden waarop Augustijn beleefd glimlachte.

Donker werd het niet in de kamer. Donker werd het nooit. De volle maan, die met haar zilveren stralen de duisternis verjoeg, gaf de ruimte een sinistere gloed. Midden in de kamer was het licht maar de schaduwen in de hoeken van de kamer waren dieper en donkerder geworden. Zijn oude dressoir werd aan het zicht onttrokken en ook de zwart-witfoto’s aan de muren werden opgeslokt door de duisternis.

De stad gunde hem zijn slaap nog niet. Telkens als hij de slaap bijna had weten te vatten, schrok hij weer wakker van een geluid dat hij niet direct thuis kon brengen. Een autoalarm, een laag overvliegende helikopter en drie politiewagens met loeiende sirenes hielden hem nog een poos wakker. Hij wilde slapen en nooit meer ontwaken. Augustijn hoopte vurig dat de eeuwige slaap hem eindelijk weer met zijn Annelief zou herenigen.

Het was hem niet gegund, want de volgende ochtend werd Augustijn gewoon weer wakker en miste zijn ochtenderectie.

Over de auteur

Luckie Samson Delacroix (1981) is filosoof en schrijver. Voor deze subversieve nihilist op teenslippers staat op dit moment de mens en de liefde centraal maar dat kan morgen zomaar weer anders zijn. Hij staat regelmatig op het podium en overnacht nooit meer in een klooster. www.luckiedelacroix.nl

Over de illustrator

Bas van Genugten komt oorspronkelijk uit Eindhoven maar woont tegenwoordig in Sydney, Australië. Hij studeerde aan het Grafisch Lyceum in Eindhoven en aan de Academie voor Beeldende Kunsten St. Joost inBreda. Bas koestert een diepe liefde voor de lijntekening en de kunst van het zeefdrukken. Zijn werk verscheen o.a. in Gonzo, Hard // Hoofd en natuurlijk bij De Optimist. Meer over Bas en zijn werk vind je hier: basvangenugten.nl

Lees meer van

Van Houdt en het mysterie van het laatste vogelbekdier

Door Luckie S. Delacroix

Buiten de gebaande paden: een licht erotische satire op plotschrijven

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Acht

Door Sytske van Koeveringe

‘Ik kom mijn fiets halen,’ zegt de man. Zijn stem is zacht, bijna onverstaanbaar. Hij draagt een versleten spijkerjas en een rode sjaal. Grote armen, lange benen, brede schouders. ‘Ja, dat zei u net ook al, maar ik dacht: u zal het wel koud hebben,’ zeg ik.

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper