Reportage

Tinten grijs – Foute kunst en vormgeving, 1940-1945

Door Miriam van Ommeren
22 mei 2015

“De Tweede Wereldoorlog staat nog steeds in het teken van goed of fout, al hebben we tegenwoordig iets meer besef van het schemergebied daartussen.” Met deze zin begint de tentoonstelling ‘Goed Fout, Grafische vormgeving in Nederland 1940-1945’. Ah, nuance! Maar de zaaltekst eindigt met een toelichting op de grijsgetinte wanden: “Donkergrijze wanden geven aan dat u te maken heeft met foute vormgeving, lichtgrijze dat u zich in de goede hoek bevindt.” Tot zover het schemergebied.

Twee tentoonstellingen, in Arnhem en Amsterdam, besteden momenteel aandacht aan datgene wat de Duitse bezetter kon bekoren: realistische, ietwat saaie schilderkunst tegenover helder vormgegeven propaganda affiches.

November 1941. Ruim een jaar na de bezetting werd de Nederlandsche Kultuurkamer in het leven geroepen door Arthur Seyss-Inquart, Rijkscommissaris van Nederland, gemodelleerd naar de Duitse Reichskulturkammer. Het Nederlandse instituut bestond uit zes gilden, waaronder een voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht.

Elke schrijver, kunstenaar, architect, journalist of muzikant werd geacht lid te worden van de Kultuurkamer, wat uiteraard alleen mogelijk was met een zogenaamde ‘ariërverklaring’. Wie zich niet aanmeldde maar toch bleef werken was strafbaar en riskeerde op z’n minst een hoge geldboete.

Neutraal blijven (als kunstenaar) was vrijwel onmogelijk na de instelling van de Kultuurkamer. Om veilig en in het openbaar te kunnen blijven exposeren en verkopen, zagen kunstenaars zich gedwongen om lid te worden en velen deden dat dan ook, al dan niet met grote tegenzin. Voor wie wel degelijk sympathiseerde met de nazi’s -of heel goed deed alsof- was de oprichting van de Kultuurkamer geen straf, want er werd tijdens de bezetting flink geïnvesteerd in de kunst, mits deze maar ‘geaard’ was. Alle ontaarde, ongezonde en onnatuurlijke creativiteit diende de kop te worden ingedrukt: een geaarde kunstenaar was nationalistisch ingesteld en diens werk was ‘verbonden met land en volk’, gaf blijk van ‘historisch besef’ en ‘een positief-Germaanse houding’. Maar wat voor soort kunst leverde dat dan op?

Beperkte iconografie

Alle totalitaire regimes in de twintigste eeuw brachten dezelfde soort kunst voort, zo stelde schrijver (en filmmaker) Peter Adam in zijn boek Art of the Third Reich (1992). Totalitaire kunst, of deze nu in communistisch Rusland of in Maoïstisch China werd gemaakt, diende als uithangbord van de idealen van het regime. Behalve de leider(s) zelf werden ook diens onderdanen (altijd gezond, gelukkig en hard aan het werk) en hun (immer harmonieuze) leefomgeving in beeld gebracht.

De iconografie voor beeldende kunst was onder de nazi’s zeer beperkt; een handvol thema’s werd eindeloos herhaald om de boodschap over te brengen aan het publiek. Ook hier stond kunst niet op zichzelf, maar diende het enkel nog als propagandavehikel. Museum Arnhem laat uitgebreid zien wat de bezetters graag ingelijst zagen. ‘Geaarde Kunst, door de Staat gekocht ’40-’45′ toont ruim zeventig schilderijen uit een collectie van bijna 700 kunstwerken, al dan niet in opdracht gemaakt, die tijdens de oorlog door de Nederlandse overheid werden aangekocht. De volledige collectie is sinds de bevrijding ondergebracht in een depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en werd tot nu toe nimmer getoond, op een paar in bruikleen gegeven topstukken na.

De beperkte iconografie van geaarde kunst kan, afgaande op de tentoonstelling in Museum Arnhem, grofweg onderverdeeld worden in een handvol categorieën: landschappen, natuurtaferelen en portretten. Deze boden een weergave van het nationaal-socialitische ideaal: verheerlijking van de ideale mens -naar het gezonde, gespierde ideaal van de oude Grieken- en van een gedroomde maatschappij waarin orde en gezag heerste en iedereen in het gareel liep. Landschapsschilderijen namen een belangrijke plek in binnen deze iconografie, omdat deze het Blut und Boden-ideaal en het intense verlangen naar Lebensraum uitstekend verbeeldden.

Gerard Röling, ‘De Oogst’ (1936)

'De Oogst'

Ook de Nederlandse collectie van geaarde kunst loopt óver van de landschappen; in Arnhem hangen de geselecteerde landschappen bij elkaar in één grote zaal. Een van de meest in het oog springende werken is De oogst (1936) van Gerard Röling, dat een groep boeren en vrouwen toont, zittend in de schaduw van een boom na een dag noeste arbeid. De mannen doen een dutje; een baby krijgt de borst. Op de achtergrond verrassend heuvelachtige akkers en vreemde gebergten die oprijzen uit zee. Het toont een landschap dat niet alleen ontzettend on-Nederlands aandoet, maar ook zó idyllisch oogt dat het potsierlijk wordt; een clichématige wereld waarin werkelijk niets aan de hand is en de mens één lijkt te zijn met de ietwat vreemde natuur om zich heen.

Naast de overige landschappen ook de nodige rivier- en zeegezichten, dorpsgezichten en stillevens. Toch niet helemaal wat je in eerste instantie verwacht van ‘nazikunst’; propaganda kun je het amper noemen, daarvoor zijn de meeste doeken te braaf of simpelweg niet binnen een politiek thema te vatten. Vensters op een wereld waarin oorlog volstrekt afwezig is…totdat het zaallicht dimt en de dagelijkse realiteit van de oorlog in filmbeelden op de muur wordt geprojecteerd, als kille reminder aan wat er werkelijk gaande was terwijl de zoveelste omzoomde sloot op het canvas werd vereeuwigd.

Interessanter zijn de werken die bestempeld worden als ‘topstukken’, en die ook gezamenlijk in een aparte zaal getoond worden. Hier hangt ook het controversiële schilderij De Engel der Gerechtigheid (1942) (ook wel bekend als De Engel der Wrake) van de Amsterdamse schilder Henri van der Velde, eigenlijk het enige werk waarin de oorlog duidelijk aanwezig is. Van der Velde schilderde een engel met half gesloten ogen en een weegschaal in de hand. Op de achtergrond een brandende stad, waarin we Londen herkennen.

Op de weegschaal een strook met daarop de tekst: ‘O ijdel en verwaten Londen, gewogen en te licht bevonden’. Een duidelijke waarschuwing richting het verzet van de Engelsen, vormgegeven door een kunstenaar die zijn politieke kleur niet verhulde. Twee jaar eerder was een eveneens berucht werk van Van der Velde, De Nieuwe Mensch, cadeau gedaan aan NSB-leider Anton Mussert, die het in zijn werkkamer liet ophangen. De Nieuwe Mensch hing in 2007 korte tijd in het Rijksmuseum, maar inmiddels is zelfs de foto van de website gehaald.

Van der Velde werd na de oorlog (als een van de weinige kunstenaars) korte tijd geïnterneerd, maar werd in 1946 vrij gelaten. Hij bleef tot zijn dood in 1969 schilderen, maar raakte snel in de vergetelheid. Lange tijd werd gedacht dat De Engel der Gerechtigheid vernietigd was, maar het bleek diep weggestopt te zijn in het depot van de Rijksdienst en werd niet vermeld in aankoopcatalogi. In maart 2014 werd het gedurende één weekend aan het publiek getoond in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae, en nu hangt het als topstuk in Museum Arnhem.

De tentoonstelling ‘Geaarde Kunst’ is interessant, maar bevat amper de ideologische beeldtaal die je als kijker toch verwacht aan te treffen. En hoeveel landschappen kan een mens in één middag verdragen? Desalniettemin is het lovenswaardig dat een museum eindelijk een goede dwarsdoorsnede van de kunst uit deze zwarte periode laat zien. Verbazingwekkend eigenlijk dat dat niet eerder is gebeurd.

Henri van der Velde, ‘De Engel Der Gerechtigheid’ (1942); A.C.E. Ganzert, ‘Ik stem Mussert’ (1935)

GoedFout

 

De kleur van de revolutie

Wie toch benieuwd is naar wapperende vlaggen, soldaten met strakke kaken en opruiende teksten kan terecht bij de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. ‘Goed Fout, grafische vormgeving in Nederland 1940-1945’ laat zien dat de oorlog ook op papier werd uitgevochten, met name op de affiches die het straatbeeld sierden.

In Duitsland heerste tot 1918 een verbod op politieke affiches, maar tijdens de Weimarrepubliek bloeide de affiche-cultuur sterk op, en dat was onder het nationaal-socialistische bewind niet anders. Een los pamflet kun je negeren of weggooien maar grote, kleurrijke affiches met een heldere boodschap, waarmee je herhaaldelijk wordt geconfronteerd, blijven onherroepelijk hangen. Dat wist Joseph Goebbels, minister van propaganda van Nazi-Duitsland, als geen ander. Affiches waren de belangrijkste vorm van propaganda voor de nazi’s; er werden dan ook zeer strikte richtlijnen voor affiches opgesteld waarin rood de voorkeur kreeg als ‘de kleur van de revolutie’.

In Nederland werd er aanvankelijk subtieler omgesprongen met propaganda-affiches, zo valt in de tentoonstellingscatalogus van ‘Goed Fout’ te lezen. Uitgesproken pro-Duitse affiches ontbraken tijdens het eerste jaar van de Duitse bezetting, omdat Rijkscommissaris Seys-Inquart het Nederlandse volk “zelf de zegeningen van het nationaal-socialisme wilde laten ontdekken”. Na de oprichting van de Kultuurkamer eind 1941 werd de productie van propaganda-affiches opgevoerd en waren gemeentes verplicht om ze op te hangen. Naarmate de oorlog vorderde werden de affiches ook steeds dwingender van toon: het contrast tussen een zeer neutrale ‘Ik stem Mussert’-poster uit 1935 en de akelige ‘Moeder, is dát nu het tweede front?’-poster uit 1943 bijvoorbeeld is groot. 

‘Moeder, is dát nu tweede front, waarover pappie zoo vaak gesproken heeft?, Ontwerper onbekend (1943)

Moeder-is-dat-nu-het-Tweede-Front-waarover-pappie-zoo-vaak-gesproken-heeft

De drie zaaltjes van Bijzondere Collecties zijn in tweeën verdeeld, met de ‘foute’ NSB-propaganda aan de ene (donkergrijze) kant, en de ‘goede’ (verzets)propaganda aan de andere (lichtgrijze) kant. Behalve straataffiches zijn er ook boekomslagen en postzegels uit beide ‘kampen’ te zien.

Zowel bezetter als verzet produceerde affiches in felle kleuren, met uiteraard veel rood, en duidelijke boodschappen. Wat direct opvalt is dat het ‘goede’ kamp vaak wel gebruik maakte van de swastika als onheilspellende waarschuwing, zoals te zien op een poster van de Onafhankelijke Socialistische Partij, maar dat op de getoonde NSB posters nergens een swastika te bespeuren is. Wel treffen we daar veelvuldig de wolfsangel aan, een rune teken dat evenals de van oorsprong jaïnitische swastika door de Duitsers een geheel andere betekenis kreeg, en opvallend veel afbeeldingen van vliegende vogels. En uiteraard ontbraken de gezonde Ariërs met sterke kaaklijn niet; wat dat betreft waren de foute posters in lijn met de beeldtaal van de geaarde schilderkunst, minus de landschappen.

‘Stemt O.S.P.’, ontwerper onbekend (1942); Studio Arend Meijer, ‘Ons socialisme, uw toekomst!’ (1944)

GoedFout2

Wat de boodschap betreft was de NSB-propaganda tweeledig; enerzijds moest het nationaal-socialisme natuurlijk zo gunstig mogelijk aan de passant gepresenteerd worden, maar daarnaast werd de bevolking op opgehitst tegen de democratie, tegen het Huis van Oranje, en later ook tegen de geallieerden.

Het verschil tussen goede en foute vormgeving zat ‘m vooral in de creativiteit. De propaganda van de NSB was zeker in het begin zeer zakelijk, uniform en rechttoe-rechtaan, terwijl het verzet zich van een wat ‘speelsere’ beeldtaal en kleurgebruik voorzag.

De foute posters werden gemaakt door zowel reclamebureaus als individuele kunstenaars. Tot ergernis van de Propagandaraad was de poule van goede Nederlandse ontwerpers die ook “volkomen nationaal-socialistisch voelen” vrij klein. Eén van die schaarse ontwerpers was de veelzijdige Lou Manche, die lid was van de NSB en commandant van de WA. Manche maakte vele vakkundige posters voor de Propagandaraad, waaronder de opvallende affiche met suizende bommen en de tekst ‘Van je vrienden moet je ‘t hebben! Nijmegen, Enschede, Arnhem’, onderdeel van een serie affiches die verspreid werd na de Amerikaanse bombardementen op de Gelderse steden in 1944. Hij zat na de oorlog drie jaar gevangen in Kamp Vught.

Lou Manche, ‘Van je vrienden moet je ‘t hebben! (1944)

GEEN CAPTION

 

Tot heel gauw dus!

De allerlaatste affiches van foute kant werden op 4 mei 1945 opgehangen; deze brachten vergeefs de boodschap dat de geruchten over capitulatie van de Duitse troepen niet geloofd dienden te worden…maar al een dag later was de capitulatie een feit.
Na de oorlog kwam er -ook letterlijk- weer wat kleur terug in het dagelijks leven: in de derde zaal van de tentoonstelling is te zien hoe de naoorlogse toekomst werd aangekondigd door partijen als Het Parool, De Bezige Bij en Vrij Nederland, die alle hun wortels in het verzet hebben.

Temidden van de vreugde, de hoop en de voorzichtige bravoure hangt één van de meest opmerkelijke affiches van de tentoonstelling, gericht ‘Aan de kinderen van Nederland’, met een foto van drie lachende prinsesjes; Beatrix, Irene en Margriet. “Wij zijn zóó blij dat we terug kunnen komen.. Vader en Moeder hebben ons zooveel over jullie verteld. Tot heel gauw dus!” 

Lewitt-Him, ‘Aan de kinderen van Nederland’ (1944)

Aandekinderen

Hoewel verschillend van opzet, zijn beide tentoonstellingen zeer de moeite waard, en komen ze geen moment te vroeg. Wie Museum Arnhem bezoekt zal zich waarschijnlijk afvragen waarom deze werken, op een paar kortstondige uitzonderingen na, nooit eerder in deze omvang aan het publiek getoond zijn. Blijkbaar moest het echt zeventig jaar duren voor we deze collectie letterlijk en figuurlijk onder ogen durfden te zien?

Even interessant als de werken die in beide gevallen getoond worden zijn de verhalen over de kunstenaars en ontwerpers erachter; van overtuigde NSB’ers tot de laatste snik tot wijfelende meelopers die na de oorlog snel verklaarden dat ze ’geen keus hadden’. ‘Geaarde Kunst’ laat zien wat er aan de muren van musea en overheidsgebouwen diende te hangen, terwijl ‘Goed Fout’ vooral laat zien waar de gewone Nederlander, van welke tint grijs dan ook, dagelijks op straat mee werd geconfronteerd.

 

Geaarde Kunst. Door de staat gekocht ‘40-’45 – Museum Arnhem. T/m 25 mei. www.museumarnhem.nl
Goed Fout. Grafische vormgeving in Nederland 1940-1945 – UvA Bijzondere Collecties. T/m 6 september. www.bijzonderecollecties.uva.nl

Over de auteur

Miriam van Ommeren (1978) is mede-oprichter en hoofdredacteur van De Optimist. Ze schrijft, bij voorkeur over kunst en literatuur, redigeert, maakt programma's en houdt van interviewen. Ze werkt voor Incubate Festival als manager Beleid & Financiering.

Lees meer van

De Optimist is jarig!

Door Miriam van Ommeren

Lees meer uit de categorie Reportage

Liefs uit Luik!

Door Mahlee Plekker

Oufti! Luik is toch best leuk! Iedereen die deze zomer via Maastricht het land uitreed en via de Autoroute du Soleil op weg was naar een zonnige zuidelijke bestemming is er langsgereden: de verguisde stad Luik, met haar grauwe tunnels, vergeten gebouwen en de overal aanwezige (oud)industrie. Er lijkt standaard een dik wolkendek boven de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper