Essay

De huppelende Casanova

Door Patricia Piolon | beeld: Gemma Pauwels
27 juni 2015

In de folklore wordt het konijn meestal gezien als een lafaard par excellence. Veel wordt er niet over het beest gezegd; áls er al iets over hem wordt gezegd, wordt hij meestal niet geprezen, en als hij al wordt geprezen, is dat om de snelheid waarmee hij zich uit de voeten kan maken of eventueel voortplanten – niet meteen iets waar de meesten van ons steil van achterover slaan. Het idee was dan ook om, speciaal voor het afscheid van Optimist-oprichtster en hoofdredacteur Miriam, een essay te schrijven waarin de andere kanten van haar favoriete dier werden belicht. De redactie zag een historisch overzicht van konijnen in de literatuur voor zich, of een analyse van konijn-gerelateerde illustraties in eeuwenoude manuscripten. Ik bereidde me mentaal voor op het doorspitten van traktaten over het konijn in de mythologie, speurwerk dat zou resulteren in een doorwrocht overzicht van oorlogsgoden die langorig en bepluisd aan hun aanbidders verschenen. Ik verklaarde me bij vrienden en familie ontvankelijk voor interessante weetjes over wat ik in gedachten al ‘de huppelende Casanova’ was gaan noemen. Ik broedde, na het zien van onderstaande samoeraihelm met konijnenoren zelfs op een invulling voor de titel ‘Konijnen In De Krijgskunst’.

Samoeraihelm, Edo-periode, 17e Eeuwhelm

Het konijn kon die hooggespannen verwachtingen natuurlijk nooit waarmaken. De samoeraihelm, mijn belangrijkste lead, bleek al meteen een doodlopend spoor: als er in de Japanse (en Koreaanse) mythologie al gewag wordt gemaakt van konijnen, dan is dat om te vertellen dat ze een rijstkoekjesfabriek hebben op de maan, en voor de konijnenhelmen van de samoerai bestaat naar mijn weten geen precieze verklaring (ze schijnen bijzonder hot geweest te zijn, en de schrijver van het boek waarin de foto stond merkt droogjes op dat het een ‘highly visible rallying point on the battle field‘ was, wat middeleeuws-Japanse slagveldtaferelen in mijn hoofd een stuk hilarischer maakt dan ze waarschijnlijk waren.

In de Europese geschiedenis leek hier en daar eveneens gezinspeeld te worden op de martiale kant van de konijnenpsyche – de killer rabbit van de *kuch* historische documentaire van Monty Python behoeft geen verdere introductie, en in de marginalia van manuscripten worden konijnen vaak afgebeeld in wapenuitrusting, rijdend op wolfshonden of leeuwen en gewapend met bijlen en zwaarden ten strijde trekkend tegen de mens – maar ook op dat vlak werd mijn enthousiasme al snel de kop ingedrukt: middeleeuwse illustratoren steken in de marges voortdurend de draak met de gevestigde orde en laten al net zo lief leeuwen viool spelen, nonnen penissen uit bomen plukken of… nou ja wat in die derde illustratie hieronder verder ook aan de hand moge zijn.

Marginaliamarginalia 2

marginalia

Ook verder terug in het verleden, bij de Romeinen, bleek het konijn allesbehalve een baken van heroïek. Er wordt hem weinig meer gegund dan de incidentele bijrol in hier en daar een pastorale vertelling, al weet de schrijver Plinius de Oudere ons wel te vertellen dat de haas er elk jaar een anus bijkrijgt en dat je dus aan het aantal anussen van een haas kunt zien hoe oud hij is, een beetje zoals aan de ringen van een boom, zo u wilt – niet meteen een konijn-gerelateerd feit, maar een haas heeft ook lange oren.

Nee, áls het konijn rond de Middelandse Zee al naam voor zichzelf had gemaakt, was dat als symbool van homoseksualiteit (bij de oude Grieken gaf een man een jongen wel een konijn cadeau als hij zijn affecties kenbaar wilde maken) of eventueel seksueel verlangen in het algemeen. Aanwijzingen voor hoe het konijn van achter de schermen als een snuffelende illuminatus de wereld bestierde, bleven frustrerend vaag en berichtten slechts in omfloerste termen over bijvoorbeeld Wenet, de Egyptische konijngodin – over wie zo weinig bekend is dat Wikipedia niet eens duidelijk kan maken of ze niet misschien toch een slang was.

Amerika echter blijkt een goudmijn voor historisch konijnenonderzoek: in Mexico had je bijvoorbeeld de Centzon Totochtin, een groep van vierhonderd dronken Aztekenkonijnen, de goden van feesten en partijen. Ze werden aangevoerd door Ometochtli (‘Twee Konijnen’), Macuiltochtli (‘Vijf konijnen’) en Tepoztecatl, god van de fermentatie, en probeerden met hun bacchenalen het leven in oud Midden-Amerika wat op te fleuren, wat met al die mensenoffers en volkerenmoorden op zich geen slecht idee was.

In noordelijker Amerika was in de mythes van de Algonquin-stam het opperkonijn Nanabozho vrij dicht betrokken bij de schepping van de wereld. Volgens de overlevering schonk hij de mensheid het vuur, tabak en medicijn, evenals de namen van alle dieren en planten. Voor andere indianenstammen was hij onder de naam Moskim of Ableegumooch dan weer net zo makkelijk een trickster, een soort van spirituele joker die anderen voor de gek hield, (slecht) imiteerde of beroofde en zich vaak zo tot barstens toe volvrat dat het een wonder is dat hij in alle verhalen voortdurend aan lynxen en andere moordzuchtig katachtig tuig weet te ontsnappen.

Nanabozho-pictogram, Mazinaw RockNanabozho_pictograph,_Mazinaw_Rock

Een (letterlijk) sekssymbool in Europa dus, en in Amerika ook nog eens de god van de alcohol en de tabak. En dan blijkt het het konijn ook nog een heuse dark side te hebben: Nanabozho bijvoorbeeld geeft Paul Bunyan, de mythologische reuzenhouthakker, ervan langs met een vis (een breedbekbaars om precies te zijn), de broer van de eerder genoemde Moskim, Flint, vermoordt zijn eigen moeder, de Centzon Totochtin vermoorden in karakteristieke kennelijke staat de moeder van de Azteekse zonnegod en bij de Canadese Abenaki-stam schopt het konijn Mateguas of Jibayaabooz het na zijn dood zelfs tot god van de onderwereld, wat hem meteen het stoerste konijn ter wereld maakt.

In die onderwereld brengt Mateguas zijn tijd overigens voor een groot deel door met het componeren van liederen. Anderen vinden dat misschien een lullige bezigneid voor de god van de dood, maar wat mij betreft maakt dat het plaatje juist compleet: sex, drugs & rock ‘n’ roll? De conclusie ligt voor de hand: het konijn is de punker van het dierenrijk.

konijnen-artikel

 

Ode aan de Redactiekonijnen

Konijnen zijn Miriams lievelingsdieren, en Dixie was Miriams lievelingskonijn. De verhalen over Dixie hoeven qua mythologisch gewicht niet onder te doen voor die over de Centzon Totochtin, Mateguas en consoorten, maar eigenlijk is elk konijn een ster. Ter illustratie: de verzamelde konijnenherinneringen van de redactie.

Kruimel

Meegaandheid is een eigenschap waar ik lang op heb neergekeken. Ik bedoel: wie neemt je nog serieus als je glimlachend voor de zoveelste keer een ander aanmoedigt voor te gaan: ‘Nee, joh, ga jij maar eerst, het is mij om het even. Nee, nee, echt!’

Nu ik weet dat mijn eigen opperheerschappij het best gedijt bij de dociliteit van anderen, én andersom, zie ik dat anders. Meegaandheid is een kwaliteit.

Hoe leer je die dingen? Geen idee. Het zou romantisch zijn te beweren dat ik ze van Kruimel heb geleerd. Dat is niet zo, maar ik moet wel vaak aan haar denken de laatste tijd.

Mijn grijze konijn was meegaand. Nooit beet ze van zich af. Niet als ik haar na een uur baby spelen onder een deken in de poppenwagen vergat uit de brandende zon te rijden. Niet als ik haar voor de veertigste maal over de zelfgeconstrueerde wip-wap in mijn achtertuincircustent (50 cent entree) liet huppelen. Niet als ik haar in bad deed en op de heetste stand haar vachtje föhnde, alvorens ik met kam en wijsvingers een kuif over haar ruggengraat zou touperen (‘Kijk, een draakje!’).

Ook niet toen ik haar begon te vergeten.

(Als je vijftien bent, verzorg je geen konijnen meer. Je drinkt bessenjenever en zit achter op de Puch bij Jochem uit V5).

Toen ik op een dag het ouderlijk huis bezocht, ik studeerde inmiddels, schoot ze me plots weer te binnen. ‘Kruimel? O, die is al twee jaar dood’, zei mijn moeder. Vijf jaren had ze haar in stilte gevoederd, gewaterd en verschoond. In stilte had ze haar begraven. ‘Ja, ik dacht: jullie hebben inmiddels je eigen leven.’

Als ik nu meegaandheid tref, in mens, moeder of konijn, probeer ik niet onachtzaam te zijn. In gedachten zie ik Kruimels lege hok in de schuur van mijn ouders. Er steekt nog wat stro door de kieren in het hout. Ik maan mezelf een broodkruimel te zijn op de rok van het universum en maak een buiging voor je, konijn, maar niet te diep.

— Anna

Herman

Ik kreeg Herman voor mijn 24ste verjaardag, zocht hem uit op dat ene omhoogstaande hangoor. Van aaien hield Herman niet, en dat oor viel te zijner tijd ook gewoon naar beneden. Ik had een konijn dat niet schattig wilde zijn. Herman knaagde aan alles wat op zijn pad kwam. Eén keer zelfs at hij een slipper van mijn voet terwijl ik die aan had. Hij bereed alles – je been, voet, knuffels, pantoffels, je arm – en liet na gedane zaken een vreemde vloeistof achter die hij soms ook rondspoot bij te veel drukte en opwinding.

’s Nachts hield hij me wakker door hard te stampen in zijn kooi. Heel het huis zat onder het zaagsel en plukken vacht. Het duurde niet lang voor Herman een grote kooi in het tuinhuisje kreeg. In de zomer logeerde Herman bij mijn ouders. Mijn moeder zetten overdag de radio aan, anders was het zielig. ’s Avonds lieten ze hem los in de keuken, maar Herman sprong bij de eerste kans meteen over het meter-hoge bord voor de woonkamer heen en liet zich over het kriebelende tapijt glijden. Achter de bank vonden mijn ouder binnen twee minuten een ontelbaar aantal keutels. Daarna vroeg ik vrienden om voor Herman te zorgen als ik weg was.

Toen ik naar Nijmegen verhuisde had ik geen ruimte meer voor Herman. Mijn baas wel, en die had ook drie jonge kinderen om voor hem te zorgen. Herman had er de tijd van zijn leven: een grote kooi met een ren eraan waar twee oude kippen volledig ter beschikking stonden van Hermans lusten. Ik zag Herman drie jaar niet, vergat hem zelfs een beetje. Tot ik bij mijn baas thuis moest zijn. Ik rende de tuin in, naar Hermans hok, trok het deurtje open. Daar lag hij. ‘Ik denk dat Herman dood is.’ We hebben hem samen begraven, in de tuin van mijn baas, naast de twee oude kippen. En een borreltje gedronken. Op Herman. Het hitsige konijn.

— Kim

Flappie

Knibbel had een zielig oogje en daar zocht ik hem op uit: ik was een jaar of tien en ging met mijn tante mee naar iemand-die-zij-kende-met-jonge-konijntjes. Er was nog een konijntje over maar die was normaal, mijn tante zei: ‘Ik vind het fijn dat je deze hebt uitgekozen.’

‘Ik ook.’

Omdat mijn tante het zielig vond dat het normale konijntje overbleef, namen we die er uiteindelijk ook bij. En zoals dat met konijnen gaat, was er op het moment dat de beestjes bij ons aankwamen geen moer meer aan. Ik vind konijnen dan ook dodelijk saaie beesten, maar dat wist ik als tienjarige nog niet.

Knibbel was een behoorlijke Indiana Jones voor een konijn met een zielig oogje. Steeds probeerde hij te ontsnappen door die voederopening in het hok. We legden er karton tussen, daar knaagde hij doorheen. Later legden we bakstenen op de opening. Het mocht niet baten, op een ochtend was Knibbel weg.

‘Knibbel is terug naar de natuur,’ zei mijn moeder.

Ik denk dat ik het toen al moet hebben geweten, zoals ieder kind ergens wel weet wat hem op een gegeven moment verteld gaat worden: dat Sinterklaas niet bestaat.

Nadat Knibbel aan zijn einde kwam op een manier die ik hier uit respect voor de nalatige daders niet eens ga noemen, kreeg ik Flappie. Flappie was een Vlaamse Reus. Hij had allemaal vieze dingen aan zijn kont. Flappie was ook bijterig en krabberig. Op een ochtend was het winter en leek het of-ie dood was. Ik was een nogal zwaarmoedig meisje en componeerde op de piano een ultra-zwaar stuk ter ere van zijn verscheiden. Toen ik tijdens het spelen een keer dramatisch naar de tuin keek, zat Flappie weer rechtop in zijn hok.

De fucker.

Natuurlijk weet ik, in retroperspectief, dat Flappie helemaal niet vals was. Flappie was een konijn, konijnen zijn teer gebouwd en als je ze verkeerd oppakt, breekt hun ruggengraat nog wel eens. Flappie was gewoon bang – bang voor de liefde van een kind. Na een tijd verhuisde Flappie naar een huis met kinderen die nog niet wisten dat konijnen maar saai zijn. Daar werd hij eerst blind en ging toen dood.

Jaren later vertelde mijn moeder dat Knibbel in stukken was teruggevonden in de tuin van de buren. Waarschijnlijk was het onze kat, die geregeld thuiskwam met alleen het staartje van een eekhoorn. In Sinterklaas geloofde ik ook al niet meer.

— Marijn

Nora

De tuin van mijn ouderlijk huis is, feitelijk, een grafveld van respectabele omvang. Er liggen misschien wel een stuk of dertig katten, konijnen en cavia’s, allemaal anoniem en halfvergeten. Op eentje na, dan: Haar graf wordt gemarkeerd door een beeldje van een dwergkonijn, dat ongenaakbaar en soeverein over de tuin uitkijkt.

Nora was ons eerste konijn. In het voorjaar van 1998 hadden mijn moeder, mijn oudste zusje en ik haar uitgekozen in de dierenwinkel op de Nieuwe Rijn in Leiden. We hadden haar meegenomen naar huis in een kartonnen doos, aan de bovenkant open, onderin belegd met stro.

Eerlijk gezegd had ik als negenjarige niet veel met konijnen, daar we bij mijn ouders thuis van oudsher een kattenfamilie waren. Mijn moeder en mijn zusje waren minder terughoudend, en dus volgden na Nora nog vele anderen, genoeg om een flinke ren achterin de tuin in te richten. Ik raakte bekend met konijnen, met hun wringende neusjes, met hun waakzame gestamp, en met die blik in hun ogen waarvan ik nooit zeker heb geweten of er nu domheid of stugheid uit spreekt. Op het hoogtepunt hadden we er meer dan tien. Uiteraard werd ook ik ingeschakeld bij de konijnenzorg, maar ik vond het nog altijd enigszins stompzinnige beesten.

Voor Nora moest ik echter een uitzondering maken. Ze leefde niet bij haar soortgenoten in de ren, maar tussen de mensen en de katten. Ze was als enige zelfverzekerd genoeg om niet in blinde paniek op de vlucht te slaan wanneer een kat haar pad kruiste. Nee, ze bleef gewoon zitten, met dat wringende neusje, en als de kat te opdringerig werd stampvoette ze even flink. Weg kat.

Ook had ze wonderwel in de gaten hoe het kattenluikje werkte, waardoor ze zich naar hartenlust richting de tuin kon begeven. Ook hierin een aangenaam contrast met onze katten, die vaak weifelend bij het luikje bleven staan, omdat ze a) niet zeker wisten of ze nu naar buiten wilden of niet of b) afgeleid waren door de geur van andere katten die was blijven hangen. Nora hipte er gewoon in volle vaart op af, en aarzelde geen ogenblik.

Uiteraard had een loslopend konijn de nodige nadelen. Het gebeurde wel eens dat er gaten zaten in het schone wasgoed, en soms lag er een stapeltje keutels onder de koffietafel. Nora begon ook gewoon je trui aan te vreten als ze bij je op schoot zat, maar dat soort dingen namen we allemaal voor lief. Nora was een bête noire met karakter, slimmer dan de konijnen en stoerder dan de katten, het soort huisdier dat je je leven lang niet meer vergeet.

En toen ging ze dood. Ik weet niet meer hoe. Alleen dat het ergens in 2003 was, vlak voor we voor het eerst twee honden namen. Ze had het ongetwijfeld verschrikkelijk gevonden om haar koninkrijk met honden te moeten delen. We hoopten dat ze vredig rustte in haar volkomen onopvallende graf in de tuin, gewikkeld in een oude theedoek, ongestoord door de nieuwsgierigheid en opdringerigheid van jonge honden.

Die hoop bleek ijdel.

In het voorjaar van 2004 – onze honden waren toen ongeveer een jaar oud – mocht Nora het genoegen smaken nog één keer door de tuin te worden gevoerd die ze bij leven zo goed had leren kennen. Een ferme vloek van mijn stiefvader trok mijn aandacht. Hij had de oude theedoek herkend in de bek van onze Groenendaeler, Chess, die geestdriftig en trots door de tuin trippelde. Ik kon het hele schouwspel gadeslaan vanuit mijn kamer, maar ik wendde de ogen af. Ik had al snel gezien dat het graf van Nora in een kuil was veranderd.

Ik hoorde hoe mijn stiefvader al tierend de achtervolging inzette. Er klonk wat geschuifel en gestommel; Chess piepte zoals ze piepte wanneer ze bij haar kladden werd gegrepen.

Nora was terecht, maar ze was geschonden.

Uiteraard moesten we wat extra aandacht aan haar graf besteden. We legden een losse stoeptegel boven de lappen rottend vlees die nog van haar over waren, en gooiden daarbovenop wat flinke scheppen extra aarde, waardoor een klein heuveltje ontstond. We kochten zelfs een beeldje van een dwergkonijn. Sprekend Nora. Of het nu komt door haar leven, of door haar gruwelijk verstoorde doodsrust – onze Nora zit ruim tien jaar later nog steeds op haar heuveltje. En dat voor een konijn.

— Ferdinand

konijnen_onder

Lees meer van

Seks op commando

Door Patricia Piolon

Redacteur Patricia meldde zich vrijwillig aan voor deelname aan een workshop Erotisch Schrijven. Seks op commando is een eitje, toch? Als er aan het eind van een redactievergadering wordt gevraagd wie zin heeft verslag te doen van – en natuurlijk zelf deel te nemen aan – een workshop Erotisch Schrijven die het Amsterdamse cultuurcentrum De […]

Lees meer uit de categorie Essay

Word redacteur!

Door De redactie

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper