Kort verhaal

Niet goed in ziek

Door Marijn Sikken | beeld: Ellis van der Does
17 juni 2015

Het eerste wat hem opvalt, zijn haar haren: lang, bruin dat te veel naar rood neigt. Hij opent de passagiersdeur van de Opel en zegt: ‘Is het al zover?’
      ‘Ik wen vast.’ Ze stapt in. In de spiegel herschikt ze de pruik. Als ze hem ziet kijken, probeert ze een glimlach. ‘Hoe vind je hem?’
      ‘Hij valt op.’ Hij dacht dat pruiken er juist waren om níet op te vallen.
      Ze rijden weg.
      Paulien is afgevallen, of misschien: niet aangekomen. Als een diertje snuift ze de lucht in de auto op. Ze heeft lippenstift opgedaan, de schat. ‘Je rookt weer.’
      ‘Sorry.’
      ‘Geeft niet. Je hebt het nodig.’
      Een bocht. Een stoplicht. Nog een. De meeste ritten duren te lang. Het licht is voorjaarsfel, hij heeft er last van in de auto. Geen zonnebril. Er zijn meer dingen waar hij last van heeft. ‘Waarom ging je weg?’
      Ze maakt een wegwuifgebaar. Ze bedoelt: we waren niet goed in ziek. Daar heeft ze gelijk in.
      ‘En nu?’
      Paulien steekt een sigaret op uit het dashboardkastje en plaatst hem tussen zijn lippen. Er zit iets zuurs in haar adem. ‘Nu is het afwachten.’

Ze zaten op de bank met ieder hun eigen kankerlectuur; zij ‘Het meisje met negen pruiken’, hij ‘Komt een vrouw bij de dokter’. Hij wilde er een grapje over maken maar zag die vervelende kop van de schrijfster op de cover en zei: ‘Moet je je de verkoopcijfers voorstellen als ze het niet had overleefd.’
      Haar kamillethee miste ternauwernood de tv. De tv stond uit.
      ‘Wat is je probleem met dat boek?’ Haar stem trilde.
      ‘Het boek is niet het probleem, het probleem is dat al die overlevers zo’n air krijgen van ‘het heeft me zoveel gebracht’. Je hoort ze nooit over de mensen die het niets bracht, die ook hun best deden om positief te blijven en te vechten maar die gewoon doodgingen.’
      Ze knikte. ‘We moesten maar uit elkaar.’
      ‘Als je beter bent.’ Hij stond op om een doekje te pakken. ‘Eerder niet.’
      Toen ze schoon was, ging ze weg.

Estelle wacht hen op bij de deuren van de afdeling. Estelle is een grote negerin met een vierkant lichaam, in haar witte verpleegstersoutfit lijkt ze nog het meest op een koelkast. Ze steekt haar armen uit en Paulien verdwijnt er bijna in. ‘Dit hadden we niet afgesproken, meisje.’
      Paulien knikt.
      Estelle laat haar los en komt op hem af. Ze knijpt in zijn wang, hij heeft zin in roti. Zijn wang zal wel blauw worden. ‘Jongen, toch.’
      Estelle, de beste prikker van stal, prikt twee keer mis.
      ‘Kutnaalden,’ zegt Paulien. Hij gaat achter haar zitten en houdt haar vast. Ze heeft haar lievelingsparfum in de pruik gespoten.

Nu staat hij tussen witte jassen en infuuspalen in de rookabri. De zon schijnt, twee verdiepingen boven hem maken ze Paulien open. Hoe eerder Estelle hem belt, des te slechter het nieuws. Dat liedje van the Editors zit in zijn hoofd. ‘The saddest thing Ive ever seen
      Een meisje glimlacht naar hem.
      ‘…were smokers outside the hospital doors.
      Het meisje heeft een infuus in haar hand, net als Paulien. Onder haar Bambi-shirt zitten grote tieten. Hij steekt zijn vierde sigaret op en biedt Bambi er ook een.
      Ze schudt haar hoofd. Er hangen meerdere zakjes aan de paal.
      Omdat zij niet vraagt waarom hij hier staat, vraagt hij het haar ook niet.
      Er loopt een grootmoeder voorbij: kort grijs haar, een tas van de Boni en aan haar hand een bleek kind met een blonde pruik die tot haar kont komt. Het kind is hoogstens zeven, scharminkelig en waarschijnlijk met stapels Barbies thuis; zo jong en dan al bekend met ontsmettingsalcohol en chemo-spuug, bekend met ziek. Kijk, ze huppelt wat aan oma’s arm, ze huppelt om haar eigen dood heen, zo jong en – het kind ontglipt grootmoeders greep en valt. De pruik glijdt van haar hoofd.
      Het kind heeft rode krullen.
      Wat?
      Hij wil erop aflopen en grootmoeder eens goed vertellen in wat voor omgeving ze zich bevinden, in wat voor wéreld; hij wil die blonde pruik van dat kind pakken en met zijn peuk in de fik steken; dit is godverdomme een ziekenhuis, misschien moet hij ze vertellen wat ze daarboven met Paulien doen, Paulien met haar positieve denken en haar boeken en haar weggaan, hij wil –
      Bambi legt haar hand op zijn arm. Hij ziet het buisje zo bij haar naar binnen gaan.

NietGoedInZiek

Hij was één keer in de rookkamer binnen, op drie. Het plafond was laag, ze hadden spaarlampen in de tl-buizen gedaan – je kreeg er hoe dan ook hoofdpijn. In de hoek van de ruimte stond een plastic palm.

      Naast hem zat de broer van een man die op de intensive care lag: de broer had wekenlang iedere dag zijn eten uitgespuugd, nu zaten er brandgaten in zijn slokdarm en lag hij aan een stuk door te sterven. ‘We zijn gestopt met afscheid nemen.’ De broer blies nauwelijks rook uit. ‘Het stompt af, als je er zo dichtbij staat. Soms denk ik: gá gewoon.’
      Na die woorden ging zijn telefoon. De man keek op het scherm, drukte zijn sigaret uit en liep zonder iets te zeggen de kamer uit.

Nu is het afwachten.
      In de giftshop verkopen ze allerhande survivorliteratuur, borstkankervrouwenboeken, Pink Ribbon-gadgets, hippe sjaaltjes voor om het kale hoofd. Pauliens pruik heeft dezelfde kleur als die van Sophie van der Stap op haar boek, misschien moet hij het eens lezen. Misschien begrijpt hij het dan.
      Bambi probeert verschillende sjaaltjes uit.
      Die sjaaltjes kosten € 21,99 per stuk. Hij neemt Bambi mee naar de kassa, ze heeft de gele sjaal met paarse vlinders nog om. Hij legt het boek van Van der Stap op de toonbank. ‘En de sjaal voor mevrouw, graag.’
      De belangrijkste mensen in het ziekenhuis zijn degenen die niets met je hoeven te doen – het kassameisje weet dat, ze glimlacht lief en zegt niets. Hij slaat een arm om Bambi heen, voorzichtig met het infuus, en trekt het kaartje van de sjaal. ‘En nu?’ vraagt hij.
      ‘Beetje zoenen.’
      Zoenen klinkt goed.
      Bambi rilt. ‘Misschien wat spugen.’
      ‘Oké.’ Hij volgt Bambi naar het toilet. De infuuszakjes deinen een beetje heen en weer tijdens het lopen, het zijn er vier.
      Zijn telefoon gaat.

Over de auteur

Marijn Sikken (1990) studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam. In 2011 won zij zowel de jury- als de publieksprijs bij Write Now!. Verhalen van haar verschenen o.a. in Tirade, De Titaan, Kluger Hans en De Optimist, waar zij ook in de redactie zit. Haar debuutroman verschijnt bij Uitgeverij Cossee. Eens in de twee weken verschijnt haar column voor CLEEFT.nl

Over de illustrator

Ellis van der Does is een Nederlandse illustrator en ontwerper gevestigd in Londen. Haar stijl is helder en fris door het gebruik van verschillende technieken en sprekende kleuren. Haar beelden bestaan vaak uit een combinatie van bestaande vormen om zonieuwe verhalen te maken. In september 2015 behaalde zij haar MA in Graphic Design Communication aan Chelsea College of Art and Design. Ellis werkt autonoom en in opdracht voor onder meer Museum of Sound & Vision, Root+Bone Magazine, Overdose.am, Girls Club Zine, Bite Me, Chanced Arm, Sister Magazine, The Carton and Staatsbosbeheer. Meer over Ellis vind je op haar website: www.ellisvanderdoes.com

Lees meer van

Slagroomscheet

Door Marijn Sikken

Omdat Slager Kot 50 is geworden en zijn winkel 25, is er feest. Door de hele kantine van de sportschool hangen slingers en ballonnen. Er is muziek van een dj. En omdat het hele dorp er is, kan het niet anders of Afke moet er ook zijn. Op haar wacht ik. Iedereen draagt zijn beste […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Doodgewoon

Door Selma Oueddan

Op 18 juni vond de finale van Kunstbende 2016 plaats in TivoliVredenburg. Een van de prijzen voor de winnaars in de categorie Taal: publicatie op De Optimist. Selma Oueddan (14 jaar) won de derde prijs met dit gedicht. Hier zie je hoe ze het voordroeg tijdens de finale. Samen met de redactie van De Optimist […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper