Kort verhaal

De boekhouder

Door Nicolas Severyns | beeld: Bas van Genugten
3 september 2015

Anna leerde ik kennen in het Tsjaikovski-conservatorium. Ik was er voor mijn eerste concert en koesterde geen hoge verwachtingen. Het kaartje was een relatiegeschenk dat Kirill op mijn bureau had achtergelaten. ‘Niets voor mij, die muffe kostuums en fluwelen stoelen,’ zei hij, ‘geef mij maar een plastic zitje in de open lucht, een bal, Spartak en Dinamo.’

Op de televisie had ik eerder al het Zwanenmeer gezien. Ik had de obligate zeven klassen muziekschool doorlopen en in mijn kindertijd speelde er in de ochtend pianomuziek door de keukenradio. Verder reikte mijn affiniteit met muziek niet. Ik begaf me naar de concertzaal in de vage hoop ooit een meisje te ontmoeten. Om dezelfde reden struinde ik op zaterdagen door parken, ging ik op zondag naar de kerk en bezocht ik musea en andere plaatsen die door mijn doelpubliek werden gefrequenteerd.

Tijdens het crescendo legde het meisje naast mij per ongeluk haar hand op de mijne. Ze kneep erin telkens als het getoeter van de koperblazers door de zaal galmde. Haar borst ging omhoog bij paukenslagen en bij het aanzwellen van de strijkers bolden er tranen op in haar ogen.

De laatste persoon die in mijn vingers had geknepen, was mijn oma. Ze lag toen op haar sterfbed en het kwam me voor dat ze haar gevoelens trachtte mee te delen door mijn vingerkootjes harder in te drukken. In onze zwijgzame familie was dat de uitverkoren manier om je gevoelens voor een ander uit te drukken.

De hand van het meisje was warm maar zweette niet. Af en toe loste ze haar vingers en wreef ze over mijn bovenste vingerkootjes, die licht behaard zijn. De hoofdpijn waarvan ik last had sinds de instrumenten waren begonnen met stemmen, was plots voorbij.

Pas toen iedereen opstond om te applaudisseren, merkte het meisje dat ze al de hele tijd mijn hand vasthield. Ze verontschuldigde zich ongemakkelijk en verdween tussen de stijve kostuums en opwaaiende avondjurken.

Geïntrigeerd ging ik haar achterna. De mensen stonden elkaar echter te verdringen aan de uitgang en ik vreesde dat ik haar voorgoed uit het oog was verloren. Maar bij het buitengaan zag ik haar staan aan een van de zwak verlichte kolommen van de concertzaal, waar ze keek hoe de neergedwarrelde sneeuwvlokken smolten op haar mouw.

Ik schraapte mijn keel en ze keek om.

‘Heb jij een vuurtje?’ vroeg ze. Ze toonde de sigaret die uitstak tussen haar wijs- en middelvinger.

‘Neen, ik rook niet,’ antwoordde ik, ‘veel te duur. Een vriend van mij is gestopt en gaat van de winst elk jaar met zijn gezin op vakantie.‘

‘Ben jij dan nooit zenuwachtig?’

‘Neen, als je goed vooruit plant, hoef je niet zenuwachtig te zijn, want je ziet alles op voorhand aankomen.’

Ze glimlachte en er verschenen kleine rimpeltjes om haar mondhoeken.

Ze heette Anna. Ik stelde haar voor een wandeling te gaan maken in het park, maar ze sloeg mijn aanbod af. Het was fris weer en ze was snel verkouden. ‘Tegen een taartje zeg ik echter geen neen,’ zei ze.

Anna was kunstenares. Dat zei ze me van achter een stuk dure Napoleontaart waar ze kleine stukjes afpulkte met haar vorkje en dat ze maar voor de helft opat. Naar de kunstacademie ging ze niet. Dat was allemaal indoctrinatie.

Terwijl ik haar hand in de mijne hield en zachtjes de topjes van haar vingers aaide, gaf ik haar complimentjes over het spleetje tussen haar tanden. Ik zei haar dat de puist die ze had weggeschminkt zo goed als onzichtbaar was en dat ze het eerste meisje was waarmee ik taart at, omdat ik eigenlijk allergisch was voor zoetigheid en er uitslag van kreeg over heel mijn lichaam. Ik was zodanig weg van haar monotone, hoge stemgeluid dat ik niet kon volgen wat ze antwoordde en gehypnotiseerd staarde naar het restje lipstick op de bovenkant van haar snijtanden.

Onze rendez-voustjes vonden plaats in groezelige cafeetjes na het werk, waarna we verkleumd door het winterweer over de lanen van de Tuinring liepen, terwijl de maan priemde door de kale takken van de platanen.

Anna klaagde dat het koud was en dat ze graag met mij op een warm plekje had gezeten, niet doorrookt, noch luidruchtig en zonder ongewenste toeschouwers van onze ontluikende romance. Ze klaagde ook over haar woonomstandigheden. Ze deelde haar appartement met vijf huisgenoten, van wie er eentje de hele tijd naakt haar kamer binnensloop met het verzoek om voor haar te poseren.

Van die laatste mededeling lag ik een paar dagen wakker. Ik stelde haar voor om met mij samen te gaan wonen.

Dat idee leek haar wel iets en we spraken af op een avond in mijn studio aan metrohalte Proletarskaja, die vrij ver was gelegen en waar ik haar tot dusver nog niet had uitgenodigd, omdat ik de tijd nog niet rijp achtte.

Toen ze mijn studio betrad, werd ze bleek, alsof ze de lichaamsresten van een beestachtig vermoord familielid moest identificeren.

‘Neen. Hier kan ik niet leven,’ zei ze. ‘Net een doos. Je hebt niet eens een venster, het stinkt hier naar je kousen en de vloer trilt telkens als er een tram passeert. Zo kil en onpersoonlijk. Hoelang woon jij hier eigenlijk al?’

‘Dit is het beste appartement in deze prijsklasse’, zei ik. ‘Het is wellicht klein, maar ik kan plaats maken. Veel heb ik trouwens niet nodig: een plaats in het bed, bestek, een paar kapstokken en een rekje in de koelkast. Over de rest kan je vrij beschikken.’

‘Waarom ben je plots zo prozaïsch?’, vroeg ze. ‘Ik krijg er hoofdpijn van.’

‘Moeten boekhouders dan per se prozaïsch zijn?’ vroeg ik. Dit leek onze eerste ruzie te worden, en hoewel ik die absoluut wilde vermijden, moest ik mijn beroepseer verdedigen. ‘Kan een boekhouder niet avontuurlijk zijn? Neem bijvoorbeeld mijn collega Vladimir. Die heeft een hele collectie postzegels uit het Russische keizerrijk overgeërfd van zijn grootvader, en heeft er zelf nog twintig jaar verder aan verzameld. Welnu, die collectie heeft hij vorig kwartaal omgeruild voor twee tennisrackets, omdat hij zijn leven een nieuwe draai wilde geven.’

Maar Anna luisterde niet meer. We gingen dus op zoek naar een appartement dat beter voldeed aan haar wensen.

Onze zoektocht deed ons belanden in een kamertje in een vervallen flatgebouw in het centrum. Het had verroeste leidingen, wankel sanitair, vensters met tochtspleten en behang uit een verre sovjetperiode waaraan ik liever niet herinnerd werd.  Hoewel we het appartement maar met één andere huurder moesten delen – hij betrok de overige twee kamers – was deze laatste een verstokte roker en vertoonde hij het agressieve gedrag van een hond die zijn territorium afbakent. Ik was er niet voor te vinden, en alleen omdat Anna verzot was op het binnenvallende licht tekenden we het contract. Want samenwonen met Anna, daar had ik ondertussen mijn zinnen op gezet.

Ten onrechte had ik me echter verheugd op lekker ruikende soepen en stomende aardappelen bij het thuiskomen na het werk, op gezellige televisieavondjes en knuffelpartijen.

Elke dag kwam ik thuis in een kil, geurloos en donker appartement. Anna zat de hele dag in het kleine kamertje achter haar schildersezel terwijl ik me afpeigerde en betaalde voor de huur en de huishoudkosten. De afwas stond ‘s ochtends onaangeroerd op het aanrecht en Anna zat in het halfdonker naar een van haar schetsen te staren. Ze werd geplaagd door onzekerheid over haar werk en door plotse driftbuien. Op zulke dagen stak ze tekeningen in brand en ging ze haar schilderijen met een keukenmes te lijf.

Om het leven een beetje op te vrolijken en de kamer gezelliger te maken, had ik een tapijtje aan de muur gehangen. Ik verfde de muren en kocht een kleine koelkast voor in onze kamer. Maar dat bracht niet veel op. Anna bleef de zure room buiten op de vensterbank zetten om af te koelen. De nieuwe koelkast gebruikte ze enkel om vaasjes met droogbloemen op te zetten en koelkastmagneten aan te hangen.

‘Wat is toch je probleem?’ vroeg ik. ‘Je hebt alles: geld, tijd voor je passie, een liefhebbende man die alles doet om je op te vrolijken, en toch kom ik elke avond thuis en zit jij ergens in een donker hoekje te kniezen. Wat is er toch met jou?’

‘Alles wat ik schilder is zo levenloos,’ zei Anna. ‘Er zit niets in, geen ideeën, geen licht, geen kleur, geen ziel…’

Ze lag als een lappenpop in de sofa, beschenen door de staande lamp. Met een pruillip staarde ze voor zich uit, naar de afbladderende witte verf op de muren.

‘Je schildert ook enkel levenloze voorwerpen’, zei ik. ‘Vorige week heb je de hele week een koffiepot geschilderd en een zakje gezouten zonnebloempitten. Wat kan je daar nu uit halen? Wil je iets levends? Schilder dan mensen!’

‘Waar ga ik die vinden?’

‘Vraag de buurman, die zit toch de hele dag sigaretten te roken in de keuken. Die zou het zelfs niet eens opmerken.’

Anna haalde de schouders op. ‘Neen. Die wil ik niet op doek, die lelijkerd. Teveel eer.’

‘Of mij?’ opperde ik.

Boekhouder_metWit (2)

Er schitterde een vonk in haar ogen. Ik was de pineut.

De volgende avonden zat ik urenlang in een onhandige pose naast het tochtige raam, met een telraam op mijn schoot, gehuld in een oud beddenlaken. In plaats van me te wijden aan mijn bijbelstudie, keek ik hoe Anna met haar dunne vingers verf uit de tubes kneep en met haar penselen fijne streepjes zette op het doek, in een sacrale stilte. Telkens als ik mijn keel schraapte of kuchte om de kriebel in mijn keel te onderdrukken, keek ze me boos aan en zei ze dat ze zich zo niet kon concentreren.

Ik hoopte dat het met haar beter zou gaan en probeerde haar bewegingen en gedragingen in kaart te brengen, zodat ik ze leerde interpreteren, als een barometer van haar ziel. Maar ik nam geen evolutie waar. De ingebeelde grafiek ging nu eens omhoog, dan weer omlaag, en bleef uiteindelijk op hetzelfde punt hangen.

De lange avonden poseren en Anna’s grillen eisten echter hun tol. Ook had ik de voorbije maanden mijn budget sterk overschreden om de huisvrede te bewaren. Bovendien bleef Anna maar twijfelen over het schilderij. Op een dag zei ze zelfs dat het niet wilde lukken.

‘Ik krijg je ziel niet te pakken,’ zei ze, ‘volgens mij ben je leeg van binnen.’

Dat kwam zwaar aan. Ik ben toen een lange wandeling gaan maken en stond een hele poos over de rand van de Grote Stenen Brug aan het Kremlin te kijken hoe de Moskva traag en bruin voorbij stroomde. Wanneer ik mijn been over de balustrade gooide, werd ik echter meteen teruggefloten door een verkeersagent.

Ik begon sjofel gekleed naar het werk te gaan. Cijfers interesseerden me niet meer. Voorheen waren cijfers nochtans mijn leven: ik zag ze dansen, goochelde ermee en voelde me gelukkig als ik erin slaagde een balans tot drie cijfers na de komma te doen kloppen.

Marina Ivanovna, mijn bazin, kreeg er lucht van. Ik had een paar beginnersfouten gemaakt bij het berekenen van de representatiekosten van Mamontov, een restauranteigenaar, die vervolgens woedend ons kantoor was binnengestormd. Marina Ivanovna had hem persoonlijk haar excuses moeten aanbieden.

‘Wat is er toch mis met jou, Kopejkin?’ vroeg ze me de volgende dag, toen ze me bij haar op kantoor had geroepen.

‘Kunt u me geen voorschot van vijfduizend roebel geven op mijn loon van april?’ vroeg ik. ‘De sneeuw is aan het smelten en de straten liggen vol diepe plassen. Anna heeft dringend een paar nieuwe laarzen nodig, zodat ze de straat op kan.’

‘Anna? Is dat het vriendinnetje over wie hier zoveel geruchten de ronde doen? Wat doet ze voor de kost?’

‘Ze schildert, Marina Ivanovna.’

Ik probeerde haar aan te kijken met mijn meest ernstige en smekende blik.

‘Ze maakt echte kunst. Ze steekt er heel haar persoonlijkheid in,’ zei ik.

‘Daar koop je geen brood mee,’ zei Marina Ivanovna. Ze trok een van haar schuiven open en haalde er een visitekaartje uit tevoorschijn.

‘Breng haar beste schilderij naar een expert,’ zei ze, en ze overhandigde mij een dik kartonnen visitekaartje, met in goudkleurige reliëfdruk de naam en het adres van een expert op gedrukt. ‘Zo weet je meteen wat ze waard is. Wie weet brengt ze wat geld in het laatje. Anders moet ze zich maar op een andere manier nuttig weten te maken.’

Toen ik Anna die avond aantrof, was ze haar afgewerkte doeken aan het overschilderen met een laag zwarte verf.

‘Ik kan het niet langer aanschouwen,’ zei ze, ‘die middelmatigheid.’

Ik besloot het advies van Marina Ivanovna op te volgen en naar de expert te gaan. Niet met de vele studies en schetsen waar ons appartement vol met stond, maar met mijn portret, dat tot dusver ongeschonden was gebleven: was het schilderij iets waard, dan zou ik haar aanmoedigen. Anders zou ik terugkeren naar mijn appartementje en het kamertje blijven betalen tot Anna iets nieuws had gevonden.

Op een ochtend, Anna was nog aan het slapen, nam ik mijn portret van de ezel. Ik rolde het op, stak het achter mijn jaspand en begaf me naar de expert.

De expert betrok een verdieping van een oud prinselijk paleis in het stadscentrum, in het gezelschap van banken, advocaten en tandartsen. Zijn naam en beroep – Edmoend Edmoendovitsj Goldfarb, expert in de schone kunsten – stond gegraveerd op een dikke bronzen plaque aan de ingang.

Zijn secretaresse liet me plaatsnemen in de wachtzaal, een ruimte met dikke Oosterse tapijten, gepolitoerde antieke meubels uit exotische houtsoorten en stapels veilingcatalogi op de marmeren tafelbladen. Aan de muren hingen schilderijen met vet uitgestreken kladders olieverf, ingekaderd in brede en kunstig uitgesneden vergulde lijsten.

Het kabinet van de expert bevond zich achter een hoge dubbele deur en al gauw nodigde hij me uit om binnen te treden. Hij droeg een driedelig kostuum, met een paars zakdoekje in het borstzakje en verspreidde een dikke walm eau de cologne.

‘Voor Marina Ivanovna maak ik met plezier tijd vrij,’ zei hij, terwijl hij plaatsnam in een brede leren draaistoel achter zijn bureau, dat er uitzag alsof er ooit veldslagen achter waren gepland, zo groot was het.

‘Laat me eens zien wat je hebt,’ zei hij.

Voorzichtig haalde ik het schilderij van onder mijn jaspand.

De expert rolde het doek uit op zijn bureau. Zijn blik, die eerst een minzame stemming had uitgedrukt, werd nors en ontgoocheld.

‘Huisvlijt,’ zei hij. Hij zette zijn leesbrilletje af, legde het zwaarwichtig op de tafel en keek me aan. ‘Van een klant? Een claim?’

Ik zweeg en bewoog zenuwachtig heen en weer over de zachte satijnen zitting van de stoel in empirestijl waarop hij me had laten plaatsnemen.

Er verscheen een grijns op zijn gezicht. ‘Ik zie het al!’ riep hij uit, terwijl hij zijn brilletje opnieuw opzette en beurtelings mij en het portret bekeek. ‘Dat kostuum… dat telraam… bent u dat?’

Hij wees naar mij met een van de gouden boogjes van zijn bril. De grijns verdween niet van zijn gezicht.

Ik kreeg het warm in mijn goede kostuum, dat ik had aangetrokken in de hoop een goede indruk te maken. ‘Ja,’ zei ik aarzelend.

‘In dat geval kan ik er geen waarde op plakken, mijn beste.’ Hij leunde achterover in zijn zetel. ‘Sentimentele waarde is onschatbaar. Gaat u maar mooi naar huis, naar uw vrouwtje en laat haar maar verder kliederen. Maar moedig haar vooral niet aan.’

Hij stond recht en duwde me ongeduldig de deur uit.

Die dag liep ik nog een lange tijd rond te dolen in de stad. De lente wilde maar niet aanbreken en boven de daken dreven onheilspellende wolkenpartijen. De koude wind waaide door de lichte stof van mijn kostuumbroek. Enkel het schilderij, dat ik had opgerold achter mijn borst, hield me warm.

Sentimentele waarde, op welke post moet dat geboekt worden?, vroeg ik me af. Immateriële activa? Of was dat een verborgen gebrek, een verdoken schuld?

Toen ik thuiskwam, plaatste ik het doek terug op de ezel en drapeerde er het laken over. Anna was nog aan het slapen. In stilte begon ik mijn spullen te pakken voor mijn terugkeer naar huis. Veel was het niet: twee reservekostuums, een paar overhemden, een vork en een mes. Ik wreef een laatste keer over Anna’s bewegingloze vingers en keek naar haar in haar slaap. Waren het werkelijk haar gevoelens die ze me toen in het conservatorium had willen doorgeven, of was dat enkel een projectie van mijn eigen wensen?

In de ogen van een ander zie je alleen jezelf, heb ik eens gehoord. Ik stond op, gooide de zak met spullen over mijn schouder en trok de deur achter mij dicht. Was alles maar zo sluitend als een dubbele boekhouding.

 

 

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Birds

Door Mathijs Bastiaan

Ik houd van dieren. Ik houd van dieren op borden en in kooien. Een beest naar mijn hart is kwartel uit de oven. Geen vogel in de wilde natuur die beter klinkt, ruikt of smaakt. Vanavond vul ik de kwartels uit mijn oven met kalfsgehakt en truffel. Sara zal watertanden, likkebaarden en halverwege de maaltijd […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper