Kort verhaal

De hond

Door Wiebe Brouwer | beeld: Jelko Arts
4 oktober 2015

Als mijn auto eindelijk bij mijn bejaarde moeder op de oprijlaan staat, loop ik meteen naar haar voordeur. Ze klonk door de telefoon flink in paniek, maar ook al heb ik een sleutel, toch druk ik eerst op de bel.
‘Jij!’ Blijkbaar stond ze me op te wachten, want ze doet meteen open. Haar ogen zijn groot en vochtig. Ze valt bijna voorover, zo scheef staat ze.
‘Voorzichtig,’ zeg ik.
Ze hijgt.
Wat is ze klein, denk ik, nooit geweten dat mijn moeder zo klein is. 
‘Ach jongen, het is zo verschrikkelijk. Al het eten is op. De hond is weg. Ik wou dat ik dood was.’ 
Ik druk een zoen op haar haren. ‘Kom,’ zeg ik en pak haar linkerarm. ‘We gaan naar de kamer.’ 
Voetje voor voetje gaan we op weg.
‘Michiel, wat vreselijk voor jou, zo’n oude moeder. Ik ben alleen maar tot last.’ Ze ploft in een stoel. ‘Natuurlijk wil ik je niet altijd bellen. Jij bent nou getrouwd, wat denkt je vrouw wel niet?’
‘Heb je honger?’
‘Zo stom, vanmiddag had ik met de thuiszorg het dorp in gemoeten. Alleen op het aanrecht stond nog een bakje met eten. Maar dat is nu ook weg. De hond heeft het op.’
‘De hond? Zeg je dat, moeder? De hond?’
‘Terwijl ik lag te slapen heeft hij alles opgesmikkeld. Maar weet je wat het gekke is? Ik zie hem nergens. Heb jij hem gezien?’
‘Maar moeder, jij hebt helemaal geen hond.’
‘Natuurlijk heb ik een hond. Jij bent het vergeten. Logisch, jij komt hier haast nooit.’
Ze kijkt me strijdbaar aan. Eigenlijk moet ik me inhouden, tegenspraak maakt haar bang, maar het is sterker dan ik. ‘Je bent in de war, moeder. Basje is al twintig jaar weg.’
‘Meen je dat? Hij was hier anders vanmiddag nog.’
‘Waar?’
‘Bij de vijver. Hij liep gewoon met me mee.’ Triomfantelijk strijkt ze een hand door haar haren. ‘Ja, nou ben je verbaasd.’
‘Maar waar is hij dan nu?’
‘Verdwenen, dat zei ik toch al. Maar ik ga hem niet zoeken. Daar ben ik te oud voor.’ Ze dempt haar stem. ‘Je mag het niet zeggen, maar laatst was hier een man in de straat. Waarschijnlijk heeft hij mijn hond meegelokt. Het is een mooie hond, dus hij is veel waard. Vreselijk hè, dat ze tegenwoordig zo doen.’
‘Maar moeder, je hebt niet eens een mand meer, of een riem.’
‘Hij slaapt in het tuinhuisje. Daar staat tegenwoordig zijn mand.’
‘Niet in de keuken?’
Ze schudt resoluut haar hoofd. Op haar gezicht zie ik de blik waarmee ze vroeger naar de hulp keek als die haar koffie niet snel genoeg dronk. Ik sta op, loop naar de keuken en trek de koelkast open. Ik pak het plastic bakje van tafeltje-dek-je en keer terug naar de kamer.
‘Hier,’ zeg ik, ‘gewoon in je koelkast.’
Ze kijkt me aan. Haar mond zakt open. ‘Waar komt dat eten vandaan?’ Haar ogen zijn groot. ‘Het kan niet anders of iemand heeft het naar binnen gesmokkeld.’
‘Wie?’
‘Geen idee. De hulp of de tuinman. Ik snap het wel. Zonder iets te zeggen is hij naar binnen geslopen. Ach ja, waarom zou je gaan praten met zo’n oud mens? Ze hebben allemaal een sleutel. Heb jij die gegeven?’
‘Maar moeder…’
‘Ik vind al die sleutels niet prettig. Neem nou de thuiszorg. Ik lig hier ’s middags beneden te slapen, ik open mijn ogen en dan staat daar zo’n vrouw.’
‘Maar moeder, dat bakje met boontjes en…’
‘Michiel, het spijt me dat ik je voor niets heb gebeld.’
Ik kijk zwijgend de tuin in. Naast het tuinpad was vroeger de kennel, een wat overdreven benaming voor een hokje van gaas. Ik draai me weer om en mijn blik glijdt naar de fotolijstjes op het antieke buffet. Daar staat mijn vader, in zijn donkere pak op kantoor. Zelf ben ik er ook, op het strand met een schep.
‘Vooruit,’ zeg ik. ‘We gaan naar de tuin.’ 

Op haar gezicht zie ik de blik waarmee ze vroeger naar de hulp keek als die haar koffie niet snel genoeg dronk.

‘Wat wil je?’
‘Naar het tuinhuis. Zien of jouw hond daar soms slaapt.’ Met een ruk trek ik de schuifdeur naar de tuin wijd open. 
‘Moet ik mee?’
‘Het is toch jouw hond?’
Ze knikt. Het regent flink, maar ze laat zich niet kennen. Ondanks mijn ergernis houd ik haar vast. Op de marmeren tegels ligt modder.
‘Weet je nog, hoe jij daar vroeger achter jouw bureau zat en ik dan thee naar je bracht?’
‘Dat is lang geleden, moeder.’ 
We zijn bij het huisje. Haar paarse vest is kletsnat. Ze staat te klappertanden, straks vat ze nog kou. Waarom neem ik haar uitgerekend nu, in de regen, mee naar buiten? Uit mijn binnenzak pak ik de sleutel.
‘Oké,’ zeg ik. ‘Nu gaan we het zien.’ 
‘Wat, Michiel?’ Haar stem klinkt hoog. ‘Wat gaan we zien?’
‘Of er een hond is of niet!’ Ik roep het te hard, ze kijkt verschrikt. Wie probeer ik eigenlijk te overtuigen? En waarvan? Door haar vergeetachtigheid heeft onze expeditie geen enkele zin. 
Ik stap als eerste naar binnen. Het kleine, vierkante huisje is leeg op een bed en een paar tuinmeubels na. Het is hier donker en vochtig. Ik druk op de knop van het licht, maar dat blijft zonder gevolg.
‘Wat bedoel je, Michiel? Dat die hond hier soms zit?’
Ik zwijg. Ze kijkt niet naar mij, maar schuifelt in haar eentje naar achteren, richting de deur in de hoek. ‘Misschien is hij daar. Gewoon in zijn mand, in het keukentje.’
Ja, denk ik ineens, waarom ook niet? Misschien bevindt zich achter die deur wel ons vorige huis. In gedachten zie ik onze oude keuken met de uitschuifbare tafel waaraan mijn vader vaak zat. Het is er warm. Vandaag is hij terug om lekker te eten. Om niet te morsen heeft hij zijn das weggestopt tussen de twee bovenste knoopjes van zijn overhemd. En dan, terwijl we worden bedwelmd door de geur van boeuf bourguignon, kniel ik neer bij een nest met puppy’s: vijf kleine, golden retrievers.
‘O nee!’ 
Mijn moeder heeft de deur naar de douche opengeduwd. Nu grijpt ze zich vast aan de deurpost om niet te vallen. Het is er nat. Overal liggen muizenkeutels. 
Ik doe een stap op haar toe. ‘Geeft niet, moeder,’ zeg ik. ‘Alles komt goed. Jouw hond is niet weg. We vinden hem wel.’optimist_nieuw3

Over de auteur

Wiebe Brouwer (1959) publiceerde enkele verhalen in Hollands Maandblad en KortVerhaal en essays in De Gids. Deze zomer studeerde hij af aan de Schrijversvakschool Amsterdam met een verzameling brieven, verhalen, monologen en overpeinzingen gewijd aan het laatste levensjaar van zijn dementerende moeder. Een van de verhalen uit die bundel is ‘De hond’, dat in 2015 bij De Optimist verscheen.

Over de illustrator

Jelko Arts (1991) tekent verhalen en beeldessays, schrijft proza en poëzie en mengt literatuur met theater. Hij werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab, stond als performer, presentator en interviewer op festivals als Zwarte Cross, Nijmeegs Boekenfeest, Zomerparkfeest en het Wintertuinfestival en zit in het talentontwikkelingstraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin, waar afgelopen voorjaar zijn stripnovelle 'Hoe bijen de ruimte vullen' verscheen.

Lees meer van

De Nieuwe Lichting: Wiebe Brouwer

Door Wiebe Brouwer

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor.  Deel 2: Wiebe Brouwer. Wiebe studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam met essay als hoofdvak. Afgelopen zomer behaalde hij zijn […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Ouderdom: een drieluik

Door Vincent Bakkum

De rimpels van Rampling In het pikdonker schommelt de pont over het IJ. Gezichten van over hun stuur geleunde fietsers fluoresceren in het licht van hun mobieltjes. Ergens wordt een joint gerookt. K en ik zijn naar de film geweest. In Eye. Naar me toegebogen wil ze, fluisterend, weten of iedere man later met erectieproblemen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper