Kort verhaal

De veren van Kryger

Door Vincent Terlouw | beeld: Lauralouise Hendrix
16 oktober 2015

Pas op! Voor je het weet sta je naakt voor me! Niet wegrennen, of erger, die petsstok halen waar jullie tegenwoordig onder het mom van humaniteit wat volt aan hebben toegevoegd. Als ik dan toch moet kiezen prefereer ik de snelle mep boven geroosterd worden, dank u. Mijn broer, een ongelukkig groot uitgevallen exemplaar, had de pech de batterij aan het eind van zijn latijn te treffen. Hij is maar eventjes van de wereld geweest, waarschijnlijk was het de schrik, maar de dagen die wij wakker hebben gelegen omdat hij crepeerde van de pijn! Ai ai ai. Fijn om te weten dat u uw eigen soort ook niet spaart. (Het schiet me nu te binnen dat humaniteit beter vervangen kan worden door functionaliteit.)

Over het algemeen heerst er nogal een misvatting betreffende de eetgewoonten van mijn soort. Wij hebben er zelf maar al te vaak plezier om, zo lang we er uiteraard niet van langs krijgen. En ons er van langs geven, dat is niet zo een-twee-drie gedaan. Een Amerikaanse professor heeft er een hele studie aan gewijd. Laat ik hem bij naam noemen, dat verdient deze man van belang: professor Michael Dickinson van het California Institute of Technology. De beste jaren van zijn leven gebruikte hij om onderzoek te doen naar de manier waarop wij, geleedpotigen, het meest effectief doodgemept kunnen worden. Daar u de onderzoeksresultaten met drie klikken op uw muis (een ander deerniswekkend schepseltje) van – hoe noemt u dat ook alweer? – internet (?) kunt plukken is er voor mij geen reden deze met u te delen.

Want waar ik over wil vertellen, de plek waar ik mij bevind: Parijs! Samen met mijn mannetje ben ik hier twaalf dagen geleden gearriveerd. ’s Nachts verken ik de stad. Alleen. Mijn lieverd is niet zo’n avonturier en blijft het liefst rondom de eerste de beste lichtbron hangen die hij tegenkomt.

Maar ik ben een estheet. Een estheet met grootheidswaanzin, vandaar ook dat ik mijn woorden niet richt tot u alleen, maar aan de mens, de mensheid. Het liefst vertoef ik in het gezelschap van de groten der aarde, hetzij de doden, hetzij de levenden. U moet begrijpen, een verrader van mijn ras wens ik niet genoemd te worden, de kracht van de natuur is nu eenmaal groot, want tot (voorlopige?) stilstand zijn wij veroordeeld. Wij zijn daar niet verbitterd om, wat voor zin zou dat hebben? Wij zijn een instrument in handen van de natuur, u ziet de natuur maar al te vaak als instrument in uw bevende handen. Daarbij bezitten wij een aangeboren kwaliteit waar u, de mens, enkel van kunt dromen – want wanneer u zich afvraagt: ‘Ben ik van nut?’ is het stellen van deze vraag even waanzinnig als: ‘Mevrouw Tineola bisselliella, bent u van onnut?’

Wij zijn van nut! En u? Ik heb me er de kop, samen met hordes slimmeriken, over gebroken en kan domweg niet verklaren waarom u, volgens de evolutionaire beginselen, op aarde bent. Je zou er religieus van worden, van die vraag en van het bijbehorend, eerlijk, onontkoombaar weerwoord.

Laat ons op adem komen. Ik ben zo enthousiast dat ik moet oppassen geen stupiditeiten uit te halen waardoor ik zal missen wat er binnen nu en tien minuten staat te gebeuren – in een omgeving als deze bestaat er geen grotere vijand dan mijn soort. De mensen hier aanwezig zien er grappig uit en gedragen zich extreem joviaal tegenover elkaar– maar met een zekere gereserveerdheid. Toch heb ik de afgelopen week vanuit de hoogte (u dacht God op aarde te zijn?) dingen gehoord en gezien waar de honden geen brood van lusten. Er heerst hier een typische mensenziekte: stress. Een jonge coupeuse, een aandoenlijk, ietwat onhandig ding in opleiding, kreeg de huid vanochtend vol gescholden door Kryger en is sindsdien niet meer gesignaleerd.

Nu denkt u misschien dat ik de heer Kryger hierom verafschuw, maar niets is minder waar. Het maken van grote kunst vraagt om het maken van grote offers. Het bekijken van grote kunst evenzeer. Ik zal het na de show niet lang meer maken. Nog een kunst: daar vrede mee hebben.

Over onze eetgewoonten, die u zeer vreemd in de oren zullen klinken aangezien het mij is opgevallen dat er maar weinig momenten zijn waarop u niet ergens in hapt. Ook hier, waar het hebben van een goed figuur de ongelijkheid tussen hen en het gepeupel benadrukt, wordt met een morbide verbetenheid genuttigd. Ik ben over de schalen met onsmakelijk verminkten gevlogen, onherkenbaar in de dood, ontdaan van vel en veren, gekookt, gebakken of gestoofd.

Eetgewoonten! Wij, Tineola bisselliella, wij leiden twee levens, twee totaal tegengestelde levens. Ik beschik over voldoende zelfkennis te weten niet moeders mooiste te zijn, maar in vergelijking tot het slijmerig slurfje dat ik voor de Grote Metamorfose was, zult u erkennen nu te maken te hebben met een Aphrodite onder de kleermotten. Iets anders wat u zich zult herinneren, de volgende keer dat u mij tegen uw lamp hoort tikken, is dat wij na de gedaanteverandering niets meer eten, maar teren op reserves die wij als slijmerig schepsel hebben opgebouwd. En ja, daar kan wel eens een wollen trui tussen zitten. In al uw ontwikkeldheid zult u roepen: wat heeft dat voor nut! Het eten van een trui! Maar god, wat moeten wij dan? In het kikkerland waar ik vandaan kom is het veel en veel te koud om op zoek te gaan naar een vogel- of een wespennest. Had ik de kracht gehad, ik was vanavond nog naar een warmer oord gevlogen, richting het Zuiden, naar daar waar het leven beter is en de mens opvliegender.

De heer Kryger komt uit het Noorden, maar bezit het temperament van een zuiderling. Wat me zeer aan hem bevalt is zijn kinderlijke gretigheid, zijn woeste uitvallen en bovenal: zijn loopje. Hij loopt zoals wij vliegen. Stuiterend, als een vliegtuig met turbulentie. Ook erg lollig is zijn plompe postuur, wat zo contrasteert met de rest van zijn omgeving, dat je denkt: hij doet het erom. Vooral als hij met zo’n graatmager meisje in de weer is, waarmee hij niet bepaald zachtzinnig omspringt, wordt zijn geestelijke grootheid ook in lichamelijke zin geopenbaard.

Meneer lijkt zonder dit te beseffen veel meer op ons dan men zou verwachten. In zijn loopje, zijn gretigheid jegens organisch materiaal, zijn hang naar een warmer klimaat, naar schoonheid. Toch schuren onze werelden het dichts tegen elkaar aan op het punt van de vijandige habitat. Sinds de avond dat ik hier kwam en ik mijn honderdvijftig ovale eitjes tussen de dwarsnaad van de verenjurk deponeerde, heb ik zoveel achterbakse rottigheid over monsieur gehoord dat ik er een dag van wakker heb gelegen. En dit alles achter zijn rug om! Dat doet mij verdriet. Al weet ik dat hij het weet. Wil je overleven moet je je vijanden kennen. En hij kent ze, stuk voor stuk. Die achterbaksheid komt voort uit jaloezie, uit angst voor de intimiderende werking van de grote geest. Het mooiste is dat de heer Kryger zijn grootste vijanden met de groots mogelijke vriendelijkheid behandelt. Iets wat ik niet altijd kan opbrengen met uw soort. Maar ik doe mijn best. Ook daarom richt ik mij toe u, de pijniger van mijn broer en vele van mijn soortgenoten. Verbitterd sterven wil ik niet.

Wat een moment! Vanmiddag vroeg, ik lag te slapen, ontdekte een eeuwig bellende assistent uiteindelijk het nestje tussen de verenpracht waarna er een tumult ontstond waarvan ik genoten heb. Complete chaos, mensen die elkaar aanvlogen (‘Hoe heb je het niet op kunnen merken’’), eenieder wijzend naar een ander, een kakofonie van stemmen die langzaam naar het plafond kroop, waar ik mij bevond. Een uitgekookt en geniepig vrouwtje riep dat ze stil moesten zijn, dat Kryger hen horen zou, dat het nu toch te laat was en hij de gaatjes in het verendek wellicht niet eens zou opmerken. Een estheet als Kryger! Een detail over het hoofd zien!? Ze zijn dommer dan ik vermoedde. En daarbij: de jurk had een gedaanteverandering ondergaan waar een van uw grootste schrijvers van zou smullen.

vincent terlouw 2

Inmiddels zijn de lichten gedoofd. Zitten mijn mannetje en ik op de eerste rij. Wij zijn neergestreken op een plek waar we het gezicht van de meester goed in de gaten kunnen houden. Er klinken mysterieuze geluiden die ik niet thuis kan brengen en ik druk me tegen mijn lieveling aan. Een hoop gedreun, regelmatig, alsof de wereld vergaat. Verschillende kleuren dansen over ons lijfje, ik voel me niet goed worden. Maar dan, dan komt de schoonheid binnen en ik veer op. Het eerste kledingstuk is meteen de verenjurk en ik schiet vol. Terwijl het gratige meisje (dat me een beetje aan een van onze grootse vijanden, de bidsprinkhaan, Mantis religiosa, doet denken) langs ons loopt, verandert haar verenpak bij elke stap van kleur. Ik hoor het ruisen van de jurk, ruik de geur van mijn jeugd, zie de duizenden kleine gaatjes die de bleke huid van het meisje laat schitteren als kristal. Ik kan nauwelijks stil blijven zitten, wil opvliegen en me nestelen tussen de warme veren. Kryger, met zijn dikke zwarte zonnebril op, kijkt ernstig, steekt zijn korte nek vooruit, snuift als een wolf en even ben ik weer bang – zal hij ter plekke uit zijn bol gaan? – totdat ik zijn mond langzaam zie openvallen en hij verdwaasd begint te klappen. Zijn gezelschap volgt zijn voorbeeld. Er klinkt een daverend applaus, ongewoon bij zulk soort gelegenheden. ‘Het wordt nooit zoals je wilt,’ zei hij laatst in een interview, maar deze creatie (het straalt uit zijn hele wezen) nadert de volmaaktheid. En dat met een beetje hulp van…? Juist.

Ik kijk mijn lieverd aan. Ik denk aan mijn broer, kon ik hem maar zeggen: kijk, daarom zijn zij op de wereld. Wees niet boos, ook dit kunnen zij. Als iedereen nu eens begreep hoe hun nutteloosheid nut te geven, dit om te zetten in pure schoonheid. Te leven voor het schone, het esthetische, de poëzie.

Van de rest van de show genieten we intens. Morgen zullen we samen sterven. Maar niet voordat we Kryger uit de krant hebben horen declameren: ‘Een jurk zo prachtig, zo vederlicht, dat het leek alsof het elk moment kon opstijgen naar de hemel.’

 

 

Over de auteur

Vincent Terlouw (1986) is schrijver, journalist en recensent. In zijn werk spelen thema’s als bevrijding, het maken van keuzes en de vraag hoe ver je mag gaan om wraak te nemen, een belangrijke rol. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman.

Over de illustrator

Lauralouise is fotohistoricus en (beeld)redacteur, tegen wil en dank gefascineerd door dieren, Duitsland en de kunsten. Als de woorden niet willen maakt Lauralouise beeld, voor zichzelf en soms ook voor De Optimist.

Lees meer van

Zoete room en lippenreetjes

Door Vincent Terlouw

Op pagina vijfentachtig gebeurde het dan eindelijk. Het onvermijdelijke, dat vanaf pagina één al op de loer lag, stevende recht op mij af. ‘Heb jij wel eens gevreeën, Eddie?’ vroeg de veel oudere Marion hem. Even later voelde Eddie ‘zijn linkerhand ontploffen, zo snel en met zoveel kracht dat hij tegen haar aan schokte. Marion […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

In memoriam Elizabeth Reed

Door Leo van der Sterren

‘Godverdomme, wat een bezoeking!’ De limiet aan wat een mens warmtematig kon verdragen, deed zich gelden. De gedachte dat er aan de hitte niet te ontsnappen viel, had iets beklemmends, had bijna hetzelfde effect als een langzame, maar zekere wurging. Ja, zo voelde het aan. Het deed hem denken aan een nachtmerrie waar geen einde […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper