Kort verhaal

Een verzameling stenen

Door Karl Muys | beeld: Lauralouise Hendrix
12 november 2015

De Optimist is blij te kunnen mededelen dat wij vanaf heden een samenwerkingsverband aangaan met het prachtige literair tijdschrift Kluger Hans. Cultureel/literaire initiatieven zijn immers niet elkaars concurrent, maar juist elkaars vrienden en collega’s. Hoe dat samenwerkingsverband er in de toekomst uit zal zien, ontvouwt zich stukje bij beetje. Dit staat in ieder geval vast: vier keer per jaar wisselen Kluger Hans en De Optimist een eerder gepubliceerde tekst uit, gekozen door de redactie, om bij de ander nogmaals voor het voetlicht te plaatsen. We trappen af met Een verzameling stenen, een prachtige reeks aforismen van Karl Muys. 

 

Een verzameling stenen

Onlangs, het was een zondagochtend, dwaalde ik wat rond op een rommelmarkt niet ver van mijn woonst, toen ik in een van de kraampjes op een verzameling stenen stuitte. De verkoper, die mijn interesse al snel had opgemerkt, was snel mij de vele heimelijke genoegens van de verzamelaar bij te brengen. Mijn twijfel ziende voegde hij daar een van zijn zeer oude verkoperswijsheden aan toe. Sindsdien bewaar ik op een donkere plaats amethist, topaas en bloedkoraal. Want weet, mijn verrukkingen gaan uit naar wat amper zichtbaar is.

De paradox van de genestelde grap

Een wijs man zei tegen mij: “Het is heilzaam te lachen, ik droom het niet tegen te spreken. Maar het wijdverbreid gebrek aan enig verticaal besef is nefast voor het wezen van het komische zelf. Dat wil zeggen, zonder een zekere zin voor ordening dreigt het lachen aan zichzelf onderhevig te worden. Ik verklaar mij nader. Een grap is zeker wel grappig. Dat spreekt. Maar een grap in een grap is het allerminst. Denken wij bijvoorbeeld maar aan de voortplanting, het zogezegd nobele paard of het scherzo van Beethovens eenendertigste pianosonate.” En terwijl ik dat zo had zitten aanhoren, was ik niet zeker of hij er nu mee (bij?) stond te lachen of niet.

Eerste verschijning van de sfinx

Het had eens zeven dagen na elkaar geregend. Grasvelden deinden verslagen. Bermen waren week. Pleinen lagen verzopen en zat tussen het zwarte asfalt. Zelfs de weerman werd er op den duur verlegen van. Maar na de zevende dag klaarde het op. Kinderen werden naar buiten gestuwd en vonden in de modder van een perk de afdruk van een wezen. Een dode, beweerde een met witte haren. Een zot, zei een ander. Ge hoort het, zeer ver zaten zij er niet naast.

een verzameling stenen 2

Meetkunde I

Er is een driehoek die bepaald wordt door volgende punten: gijzelf, uw belager en een laatst verloren mantelknoop. Wanneer deze driehoek evenwel tot een lijn vervalt, mens, wee uw gebeente.

Bezoek aan de zotten

Ik bezocht de zotten met hun catatonisch begrip der dingen. Zij stonden aan de ramen en glimlachten naar het niets. Dan kwam de herfst onder de steden (of die was er altijd al geweest) en ik tafelde met hoeren en soldaten die glimlachten naar het kwaad. Zoals de zotten glimlachen naar het niets en de doden naar het al.

Meetkunde II

Naast hogergenoemde driehoek dient men in termen van strikt niet-godskundige zijnsbepaling ook een zekere ellips te onderscheiden. Het is de tot hoek gebroken afstand tot uw huis die in de gedachtendiepe brandpunten gespannen over het ei der dagen reist. Zowel de diepte als de coördinaten van de brandpunten staan geschreven in het stof dat machtig traag over uw vensterbanken daalt.
Soms, hoewel zelden, zal men aan de hand van bovenstaande coördinaten tot een cirkel komen. In zulke gevallen spreken we mutatis mutandis over de cirkel der dagen.

Zelfportret

Meer dan eens heb ik Nabu-shumi-ukin I en Nabu-shumi-ukin II met elkaar verward. Ze zijn nochtans tamelijk eenvoudig te onderscheiden. Nabu-shumi-ukin I heeft een lichte zenuwtrek aan het linkeroog waar dat bij Nabu-shumi-ukin II het rechteroog betreft.
Altijd lachen met de doorzichtige pseudoniemen van een tankbediende.
Links akkers, rechts niet.
Al mijn lievelingsdieren beginnen met een ‘p’, zei iemand op het stationsplein. Ik was het.

Over mijn tuin

Mijn tuin is er een met veel bezwaren. Men ziet mij er zelden. Regent het, dan ben ik  met geen stokken buiten te krijgen en ook na de bui waag ik mij niet licht over de arduinen spiegel van mijn terras. Als ik dan op het punt sta de zompige geur van mijn perken op te snuiven, blijken mijn galoches steeds onvindbaar of verzwonden in het donker van mijn talrijke kamers. Verder doe ik er tijdens de hondsdagen verstandig aan de hitte wat te mijden, die door de afwezigheid van bladerrijke bomen ongenadig hard op mijn gazon neerslaat. Maar dat zijn kleine ongemakken vergeleken bij de beproeving die de lente is, een komen en gaan van bloemen waarvan het stuifmeel mij de strot toenijpt en mij piepend als een knaagdier terug het huis in drijft. Ik blijf dan maar binnen. Zo ook bij sneeuw, mist of algemene verminderde zichtbaarheid wanneer de putten en oneffenheden in mijn hof broedplaatsen zijn van verzwikkingen en andere letsels.

Vrienden zeggen mij dat mijn woeste tuin op de gezelligheid dreigt te wegen. Ik kijk op die zeldzame momenten van balorigheid dan ook alleen naar de schaduwen op de muren en lees op de gezichten in de struiken ongestoord mijn gelijk af. Doet iedereen dat tenslotte niet?

een verzameling stenen

Een vraag als een ander

Wat vermoeid van zijn ingeboren neiging tot licht vermaak, vroeg de sfinx: ‘Welke onverlaat heeft mijn galoches gepikt?’

Geschiedenis van de eenzaamheid

Een niets dan bestaande vlakte strekte zo ver als een wezen zich kon verbeelden. Hier en daar ging een oog open en zag, niet veel, maar zag en zei: “Het is op zich een wonder, hoeveel ik nog voor waar aanneem.” Soms met eeuwen, soms met zeeën ertussen werd gezien. Of het van mekaar geweten was, het is verre van zeker.

Metamorfosen

Ondanks aangeboren zwijgzaamheid deed op een dag het gerucht de ronde dat een zekere man een paard bezat. Nu duurde het niet lang of er hadden zich een handvol paardenliefhebbers voor zijn deur verzameld. Dat is geen paard, zeiden ze, het is zwak van gestel en het heeft ook geen paardenkop. Van nature geneigd tot verzoening zei hij hen dat hen bezwaren volkomen overbodig waren en dat hetgeen zij niet voor een paard konden aanzien inderdaad geen paard was maar een nachtwaker. Zij haalden de schouders op en gingen weg. Maar de rust keerde niet weer. De paardenliefhebbers hadden hun schouders nog niet laten zakken of zij kruisten ter hoogte van mans tuinhek al enkele gedragswetenschappers die de man evenzeer van alles tegenwierpen. Het kan geen nachtwaker zijn, zeiden ze, er is geen gekletter van sleutels hoorbaar en waar het heupbeen hoort te zitten treffen wij niets aan dat erop lijkt. Ja, zei hij, gij hebt gelijk. Een nachtwaker is het allerminst. Wat u hier ziet is een van metaalmoeheid schijnbaar glimlachende spoorwegbrug. Deze knieval stemde de wetenschappers tamelijk tevreden en zij keerden terug van waar zij gekomen waren, weliswaar niet alvorens zij ter hoogte van het tuinhek zo na op een groepje bouwkundig ingenieurs gebotst waren. Ook die laatsten kwamen gewapend met moeilijk te weerleggen argumenten tegen mans spoorwegbrug, zodat hij hen, bij gebrek aan waterdichte principes, ter plekke verzekerde dat het om niets anders dan een doodgewoon paard ging. Die avond, onder de instemmende stilte van zijn kamerplanten, plande de man een verre reis en hij was er daarbij zeer op gebeten zich niet te bedriegen met iets als het fenomeen afstand. Hij bezat, herinner u, namelijk geen paard, of toch een zeer raar.

Verklaringen

Angst – Mijn gewicht in telefoonboeken in een korenveld.

Gisteren – Verdiep waar rakels liggen opgeslagen. De machtige rakel.

Kwaad – Dertienduizend zevenhoeken, maar ik zie ze niet.

Mens – Zij vonden kleren in een struik.

Nacht – Dertienduizend zevenhoeken. Hij ziet er een. Zij twee.

Paard – Vaakst nog ziet ge het ‘s avonds, wanneer zijn geduchte flank de schrikbarende projecties van uw dromen vangt. Let wel, niet te verwarren met het gedomesticeerde hoefdier uit de orde der onevenhoevigen.

Meetkunde III

Een denkbeeldige kromme heeft volgende eigenschappen. Zij loopt evenwijdig met de baan van een ongelukkig kind en wel op zo’n afstand dat ge zijn gekerm net niet hoort. Raakt deze kromme een vrouw, dan staat ge. Treft ze een zwarte els, dan zit ge. Snijdt ze uw pad, dan ligt ge. Ha, dan ligt ge.

Roeping

Ik zag de dood in de gedaante van een spoorwegbrug en grauwe lieden en hun luizen. En later zag ik hem als de walm van een kattenvoerfabriek die mij in het kruis tastte en toesprak: “Ik ben inspiratie. Ik ben de walm der walmen. Uw donker oog voor een kwartier.” Toen zag ik een man gebaren. En ik zag de Christus die aan het kruis was gekleefd voor onze zonden en ik bad aan zijn gelijmde voeten: “Heer, wie ben ik om hun dromen te raden? Weegt de ziel meer dan geluk? Wat rijmt op hippofaag?”

Antennes & tentakels

Inderdaad, nu en dan zag de sfinx. Hij zag, voorvoelde. De berm, de struiken, het kwaad. Maar ook: zijn galoches in een westelijke gelegen vijver. En zo dacht hij bezocht te zijn door de werken van het ontiegelijke. Ja, zei hij lachend tegen zijn vrienden, het ontiegelijke. En ook zij lachten erom. Want zeg nu zelf, hebt ge ooit al een sfinx gezien met antennes en tentakels?

De sfinx arbeidt

Ziedaar, de sfinx, aan een keukentafel. Flauw lamplicht (natuurlijk). Hij werkt aan een roman waarin de hand van een zeeman de hoofdrol speelt. Eerst nog jong en grijpkrachtig, later getaand, ruwer. Dan afgehakt op een slagveld in de verre toekomst en nog later als de bionische prothese van een robot die muziek heruitvindt maar uiteindelijk neergeslagen wordt door een andere robot. En ten slotte, zwevend in de eindeloze ruimte. Eén nanoseconde voor de totale ontbinding in het niets terwijl de hand zichzelf afvraagt of het wel nog een hand is, dan wel een herfstblad in het Maasdal, nagekeken door Jan Hendrik Frederik Grönloh.

een verzameling stenen 3

Over de auteur

Karl Muys is het pseudoniem van Régis Dragonetti. Die laatste studeerde literatuur van de moderniteit en compositie en is coördinator hedendaagse muziek in het Gentse conservatorium. Daarnaast is hij actief als tekstschrijver voor verschillende concerthuizen en tijdschriften. Zo heeft Karl Muys ook iets te eten.

Over de illustrator

Lauralouise is fotohistoricus en (beeld)redacteur, tegen wil en dank gefascineerd door dieren, Duitsland en de kunsten. Als de woorden niet willen maakt Lauralouise beeld, voor zichzelf en soms ook voor De Optimist.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Een perfecte dag voor het zeeaquarium

Door Toon Karakter

Jona Ik wist nooit dat je kaviaar tussen duim en wijsvinger aan de bovenkant van je hand moest eten. Dat heeft iets met de temperatuur te maken. De steur zwemt al sinds de prehistorie in de Amoer maar toen de hebberige klauwen van de vrije markt zelfs tot in Siberië bleken te reiken was het […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper