Kort verhaal

Passagier

Door Pieter Van de Walle | beeld: Romy Claessen
16 november 2015

Aurel moet de andere kant op, met grote stappen en dat ik-moet-ergens-zijn-gevoel dat enkel jonge mannen kunnen belichamen, dat altijd zo veel te doen hebben, zo veel ambitie door je aderen te voelen stromen, dat Tove soms denkt dat ze moet concurreren met alle beloftes die Aurel zichzelf als kind maakte. Hij slaat zijn cilindervormige sporttas om zijn schouder, stapt met grote passen de regen in en Tove luistert naar hoe alles anders klinkt wanneer het regent. De banden van de auto’s, de sporen van de trams en de passen van Aurel; het zijn geluiden geworden met lange vochtige staarten. Ze doet heel even haar ogen dicht en dan weer open en dan is hij verdwenen – hij gaat zo snel, haar Aurel, en hij heeft geen tijd om te luisteren naar de regen. Dus doet Tove het maar in zijn plaats. Ze kan hem er misschien morgen over vertellen, wanneer zijn laatste verplichtingen in dit land voorbij zijn en ze weer samen zijn op het feest. Maar ze zullen ook zo veel andere dingen te bespreken hebben, dus Tove weet niet of er tijd voor zal zijn. Achterwaarts stapt ze het station in om zo lang mogelijk naar de regen te kunnen kijken en ze botst bijna tegen iemand op, want zo gaat dat in stations, soms zelfs als je vooruit loopt.

Je kan veel leren over een gebouw door te kijken naar de grootte van de tegels, denkt Tove, en op deze tegels zou ik mezelf kunnen uitstrekken. Liggend op mijn rug zou ik naar de gewelven kunnen kijken en dan sneeuwengelen maken in het stof van de schoenen van de duizenden mensen die hier elke dag langskomen. Toves natte schoenen doen pets pets pets op de tegels en ze ziet de waterige afdrukken van haar zolen op de stenen: net landkaarten, afgedrukt met stempels keer op keer, links-rechts-links-rechts en telkens een beetje minder duidelijk, want het water aan haar schoenen raakt op, tot ze aankomt waar ze nu staat. Er lopen mensen over haar voetafdrukken heen en ze tekenen hun eigen landen op de grote tegels, tot het een zootje wordt waar niemand nog zijn eigen wereld in zou kunnen terugvinden.

Er is een kraampje dat wafels verkoopt in de inkomhal en Tove krijgt haast automatisch zin in een wafel, want ze heeft al even niet meer gegeten. Ze hoeft trouwens niet echt op haar lijn te letten, want ze weegt maar net genoeg volgens haar BMI en ze eet meestal best gezond, zeker in vergelijking met haar vriendinnen. Die overleven op dingen die je over het algemeen slecht voedsel kan noemen, wat Tove jammer vindt. Maar ze probeert er niet te veel aan te denken, want het gevaar bestaat dat ze zich dan superieur gaat voelen omdat ze beter eet, en dan wordt ze misschien – o nee, laat het niet gebeuren! – een van die foodie-meisjes die op andere mensen neerkijken omdat ze geen deel uitmaken van de nutritionele aristocratie, of zoiets.

Daarom – en misschien is het onnozel – ziet Tove het als een daad van verzet om met volle goesting aan te schuiven in de rij van de wafelkraam – aanschuiven in een rij als daad van verzet, ha! –, zonder zich één moment af te vragen – en wat een cruciale vraag is het! – of ze wel genoeg geld bij zich heeft. Dan is ze plots aan de beurt en de vraag overvalt haar als een niesbui. Ze denkt shit shit shit (letterlijk: drie keer achter elkaar vliegt het door haar hoofd), en haalt haar geldbuideltje boven met haar zware tas dicht tegen zich aan geklemd, want het blijft tenslotte een station en er hangen zelfs bordjes die zeggen dat je moet oppassen voor gauwdieven, ook al kom je met zo’n zware tas niet snel erg ver. De man van het wafelkraampje kijkt haar aan met een blik van je mag ook eerst zeggen wat je wilt voor je betaalt, hoor meisje. Tove kijkt de man op haar beurt aan met een verontschuldigende uitdrukking van sorry hoor meneer, ik weet echt wel hoe dat werkt, wafels kopen aan een kraampje, maar je moet nu eenmaal begrijpen dat ik… – ah, een briefje! Hemels geluk! Tove heeft zichzelf een budget opgelegd voor de aankoop van schoolboeken en het afscheidsfeestje van Aurel, en misschien moet haar een schuldgevoel bekruipen wanneer ze van dat geld snoept nog voor ze op de trein naar Leuven stapt. Maar daarvoor is nu even echt geen tijd, want de man kijkt nog steeds met dezelfde blik van zeg nu wat en snel er zijn nog duizenden mensen achter je meisje zie je dat niet? Oh God, die prijslijst! Er zijn wel tien soorten wafels en honderd soorten sauzen en bereidingswijzen en extra’s en het gevoel bekruipt Tove dat maar één wafel de juiste is en waarom is alles toch zo ingewikkeld?

‘A…aardbeiensaus?’ zegt Tove eerder uit nieuwsgierigheid, eerder als vraag – kan je aardbeiensaus op wafels doen? Mag dat? –, dan als weldoordachte keuze maar daar houdt de man geen rekening mee. Hij heeft zijn fles met aardbeiensaus (roze en stroperig, een etiket met een aardbei met handjes en voetjes) al vast en vuurt een vraag af: ‘Warm?’

Dat het allerminst warm is, wil Tove eerst zeggen, en dat het regent ook nog, maar dan herinnert ze zich de situatie weer: de wafel, moet die warm zijn? Ze knikt en rekent in haar hoofd uit hoeveel dat dan zal kosten, maar ze komt niet aan de uitkomst voordat de wafel (warm, roze, stroperig) in haar handen geduwd wordt en de man de som voor haar uitgerekend heeft. Ze heeft geen handen vrij om het briefje uit haar buideltje te nemen en moet de wafel even heel voorzichtig onder haar oksel klemmen, goed oplettend dat de stroperige kant haar jas – haar mooie jas! – niet raakt, want dan zou de ellende ongelooflijk zijn: met een jas vol aardbeiensaus de trein in en dan zonder twijfel een vriendin tegenkomen en dan moeten uitleggen wat er met haar jas gebeurd is en de vriendin die zou denken ja, ze is nog altijd dezelfde, die Tove, en misschien zou dat de vriendin in kwestie geruststellen, zoals het je ook geruststelt wanneer je in het weekend weer naar het huis gaat waar je ouders wonen en ja, ze wonen daar nog steeds en ze zeggen nog steeds dezelfde dingen en ze maken nog steeds wel ruzie maar ze drinken tenminste niet en er was ook nooit sprake van geweld in huis dus dat valt allemaal wel mee, maar ondertussen zit je daar nog wel, met je jas vol aardbeiensaus.

Zo, dan, door de inkomhal met haar tas rollend in haar ene en de wafel in de andere hand, passeert ze een man met een baard en een bekertje waarin geen geld zit. Ze stelt zichzelf een vraag, maar het is niet de wel of niet geld geven-vraag die iedereen zich stelt bij het passeren van een bedelaar. Het is een vraag van pure praktische haalbaarheid en een algemene kritiek op het menselijk dier dat verdorie met minstens één arm te weinig geschapen is, want als ze nu haar geld wil bovenhalen, zal dat weer enige acrobatie vereisen en daar heeft ze toch echt geen tijd voor, kijk maar naar het grote bord met de vertrektijden en het kleine klokje dat het uur aangeeft in de rechterbenedenhoek. Toves trein staat op een spoor helemaal beneden, waar je een lange, lange roltrap voor af moet, en ze heeft nog maar een paar minuten. De man met het bekertje verdwijnt uit haar gedachten en maakt plaats voor een nieuwe rotsvaste overtuiging: dat ze haar trein niet zal missen. Ze zal er haar missie van maken deze trein te halen, zoals Aurel ook van alles een missie maakt en dan, wanneer de missie volbracht is, heel zichtbaar tevreden een vinkje achter die objective zet in zijn hoofd, alsof het leven echt een videospel is met missies en objectives, een vergelijking die volgens Aurel – dat weet ze, ze hebben het erover gehad – heel wat interessante inzichten oplevert. Tove probeert zich voor te stellen wat er zou gebeuren wanneer ze deze trein niet haalt, maar het lukt niet. De toekomst balt zich samen tot een vormeloze blob onmogelijkheden en onzekerheden: is dit de laatste trein? Ze heeft geen idee maar is er rotsvast van overtuigd dat je altijd optimistisch moet blijven en dus gaat ze ervan uit dat er nog een latere trein zal zijn: als ze later aankomt in Leuven, zullen er dan nog bussen rijden? En als dat niet het geval is, zal ze de ganse afstand dan te voet afleggen? Zal er dan nog tijd zijn om inkopen te doen voor Aurels feestje of zal dan alles in het water vallen zoals een drijvende Jenga-toren waarvan je één cruciaal blokje – deze trein – wegneemt? Voor Tove voelt het alsof het universum op losse schroeven staat nu Aurel op het punt staat afscheid te nemen en akkoord, het is slechts Engeland en het is slechts voor een half jaar en elke maand zal Tove naar hem toe gaan, of zal hij even naar huis komen, maar toch… Ze zou het zichzelf nooit vergeven mocht ze het Aurel kwalijk nemen dat hij aan zijn dromen bouwt, dat hij de basis legt voor iets dat hij – als een soort ingelijste belofte voor zichzelf – een internationale carrière noemt, maar toch… Toch vraagt Tove zich af of het egoïstisch of kleingeestig is te verlangen dat haar lief gewoon bij haar blijft, of op zijn minst toont dat het hem zwaar zal vallen haar te missen. Maar zo is Aurel niet. Hij ziet dit niet als een emotionele beslissing en misschien is dat zijn grootste fout, denkt Tove, dat hij een emotionele beslissing als een oxymoron ziet: een beslissing is het tegenovergestelde van een emotie, of hoort dat in ieder geval te zijn.

Niet aan denken, gewoon doorgaan en die trein in gedachten als hoogste doel voor ogen houden. Verder dan het hier en nu hoeft mijn brein op dit moment niet te gaan, denkt Tove, ik ben een passagier en de infrastructuur van de wereld – de roltrappen, de treinen – zullen mij naar een plek brengen waar ik thuishoor. Tove pauzeert heel even en ze vindt het jammer dat de wereld net nu zo mooi moet zijn, nu ze er geen tijd voor heeft: het hoge dak van de aankomsthal van het station, de grijze lucht (want ja, ook grijze lucht kan mooi zijn), het sissen van de treinen als mega-slangen uit en van de fantasyboeken die ze vroeger las (en stiekem nog steeds leest), de mensen die het allemaal – alles, de grote kosmische som van dit punt in tijd en ruimte! – normaal vinden en snel-snel-snel ergens anders heen willen, alsof dit de vreselijkste plek op aarde is. Je hoeft niet eens van het zweverige soort te zijn om hiervan even op adem te moeten komen, denkt Tove, maar dan herinnert ze zich weer dat ook zij is zoals de andere mensen: ze hoort ook voort te maken, zo snel mogelijk hiervandaan, de treinen wachten niet. De roltrappen tegemoet, en snel een beetje! De roltrappen die, dat heeft ze altijd al gevonden, eng zijn in hun hele idee: malende machines die iedereen tegen exact dezelfde snelheid de diepte in sleuren als weerloze bootjes in de stroming, terwijl Tove net alles aan haar eigen tempo wil beleven. Daarom twijfelt ze er ook echt eventjes over om de gewone trap, die leeg en breed en uitnodigend langs de roltrap ligt, te nemen. Maar het zou zo ongemakkelijk zijn, met haar zware tas, die – de wieltjes! – niet gemaakt is voor echte trappen, en de wafel die begint te druipen en af te koelen zonder dat ze er ook maar één hap van heeft kunnen nemen.

regen

Ze kiest toch voor de gewone trap want uitdagingen zijn er om aangegaan te worden; ze denkt aan Aurel en begrijpt perfect wat hij bedoelt wanneer hij het heeft over de eenvoudigheid van de wereld, de rechte lijnen in de chaos, de lijsten, de dingen die het verwezenlijken waard zijn en dat heeft met geld of status of principes helemaal niks te maken. Het leven is een spel en zo lang je meespeelt, zo lang je dingen van lijsten schrapt, de juiste uitdagingen aangaat en je dromen voor ogen houdt, win je. Ook al wil dat zeggen dat nu je zware tas venijnig in je zij prikt en je je nu al, na de eerste vier treden, een beetje misselijk voelt worden – wat jammer van die wafel dan! Dat geld had ze veel beter aan die zwerver kunnen geven, maar daar is het nu te laat voor. Ze hobbelt verder en voelt zich een soort bultenaar, met het uitgetrokken handvat van haar tas priemend in haar zij, waardoor ze een pijnscheut voelt bij elke stap die ze neemt. Een stem in de hoogte kondigt aan dat haar trein – spoor 22 – zo dadelijk zal vertrekken en ze doet haar best het tempo nog hoger op te voeren, maar zelfs dan gaat ze nauwelijks sneller dan de mensen die vlak naast haar (enkel gescheiden door een lage wand waar verderschuivende bovenlichamen uitsteken) de roltrap hebben gekozen. Ze hoort haar naam en vraagt zich af of het echt is want ze is nu eenmaal zo iemand die graag overal haar eigen naam hoort en ziet.

‘Tove!’ Vlak naast haar, tussen de roltrapmensen, staat Marie, die sinds Tove haar voor het laatst zag heel wat dikker is geworden. Tove steekt haar hand op en wil zwaaien maar herinnert zich dan wat ze vast heeft waardoor het vast lijkt alsof ze de roze wafel over de lage muur aan Marie wilt aanbieden. Tove trekt haar hand snel terug en hoopt dat het gewoon overkwam als een begroeting van onhandige aard, voor Marie een soort bevestigend gebaar van ja, ze is nog altijd dezelfde, die Tove.

‘Lichaamsbeweging!’ zegt Tove een beetje hijgend om haar eigen situatie te verklaren en Marie lacht. Ze vraagt: ‘Hoe gaat het met je?’ en Tove zegt: ‘Honger!’ en: ‘Ik ga mijn trein missen! Waar moet jij heen?’

‘24,’ zegt Marie, ‘Ik bedoel, Gent.’ De andere kant uit dus.

‘O ja, Gent, hoe is het in Gent?’ Marie’s hoofd verdwijnt even onder de muur want de twee trappen lopen niet helemaal gelijk maar dan verschijnt ze opnieuw en Tove denkt weer: ze is verdorie echt heel wat verdikt.

‘Vier van de vijf,’ zegt Marie en Tove wilt een duim opsteken maar dat gaat, om vanzelfsprekende redenen, niet. De trap loopt – goddank! wat een eeuwigheid! – ten einde en de twee meisjes kruisen elkaar. Ze raken elkaar bijna aan en roepen tegelijk ‘tot de volgende keer!’ en Tove vraagt zich even af of ze Marie ook moet uitnodigen op het feestje maar ze doet het uiteindelijk niet, want: 1. tijd (seconden! Het zal een kwestie van seconden worden!), en 2. Aurel kent Marie helemaal niet zo goed, 3. eigenlijk is het helemaal niet aan Tove om te beslissen welke mensen Aurel om zich heen wil op zijn laatste dag in het land, en 4. Toves tas komt net neer op de geribbelde vloer en ze zou met haar uitnodiging het helse lawaai van de rollende tas moeten overstijgen want ze vertikt het om de tas nog één meter verder te dragen. Nu, bij de laatste afdaling – het duizelt Tove nog steeds dat er in dit station drie verdiepingen treinen boven elkaar rijden – zal ze verdorie de roltrap kiezen, want het is mooi genoeg geweest, al dat gesleur. Ze zet haar tas netjes naast zich en proeft voor het eerst van de wafel en haar vooroordelen over aardbeiensaus op wafels worden waarheid: de saus smaakt in de eerste plaats naar kauwgom, dan naar iets dat misschien melk is en dan pas – in derde instantie dus – naar een chemische cocktail die de smaak van aardbeien zo goed en vooral zo goedkoop mogelijk moet benaderen. Wat jammer, denkt ze, want de saus is ondertussen ook helemaal in de lauwe wafel gelopen als een soort infectie van smakeloze papperigheid. Maar toch eet ze, want als er één vaste waarde is die ze heeft meegekregen van thuis, dan is het dat je geen eten mag verspillen. Dat heeft niks met kindjes in Afrika te maken, want zelfs als alle kindjes in Afrika genoeg te eten hadden, dan nog zou het verspilling zijn om deze middelmatige wafel weg te gooien.

In de diepte staat de trein vertrekklaar, als een lange worm die mensen verorbert en dan weer uitbraakt op hun bestemming. Die nieuwe treinen zijn van het soort grijs dat je aan garagepoorten doet denken, met felgele voorkanten en felrode deuren zodat iedereen heel goed kan zien dit is de voorkant van de trein en dit is de deur, hier moet je instappen. Verder vindt Tove dat de treinen veel van hun oude modelbouw-in-het-groot-schattigheid verloren hebben; ze beeldde zich vroeger soms in, wanneer ze in de trein zat, dat ze eigenlijk een mini-mensje was dat op mini-reis ging door de woonkamer van een modelbouwtreintjesverzamelaar, een soort almachtige oppernerd. Dat vond ze om een of andere reden een heel geruststellende gedachte en nu doet het haar opnieuw even glimlachen. Moet ze rennen? Er staan geen mensen meer op het perron en de conducteur staat met zijn fluitje in de mond in de deur en hij maakt een vaag zwaaiend armgebaar (naar haar?) dat zowel je bent te laat, meisje, dikke pech! kan betekenen als haast je, meisje, want we vertrekken over tien seconden!, of misschien betekent het gewoon helemaal niets en heeft hij stijve spieren of zo. Maar het is de moeite waard om te rennen, ook al is ze eigenlijk al bekaf en heeft ze nog steeds een halve wafel in haar hand, maar toch, toch zal ze rennen, magisch vliegend zoals het altijd voelt wanneer je een roltrap naar beneden afrent want je gaat dubbel zo snel als je voeten verwachten, en dan overbrugt ze de laatste passen van het perron naar de felrode deur dit is de deur, hier moet je instappen! en gooit zichzelf in één majestueuze haal met tas en wafel en alles wat daarbij hoort de trein in. De conducteur kijkt naar haar, het fluitje nog steeds in zijn mond. Hij spuwt het uit zoals sommige mensen kauwgom uitspuwen. Hij heeft vettig blond haar en blauwe ogen. Hij zegt met een Frans accent: ‘De trein vertrekt pas over tien minuten,’ en Tove maakt een gezichtsuitdrukking die bijna hoorbaar is: huh? Ze kijkt naar buiten en ziet het bordje waarop de bestemming staat en – o god, o nee, het is niet waar! – dit is de trein naar Luik van spoor 21. Haar eigen trein staat aan de overkant te wachten.

De conducteur kijkt toe, terwijl Tove nog één keer al haar moed verzamelt, haar eigen lichaam, dat al aan de overwinning aan het wennen was en verlangde naar een zitbankje, bijeenraapt als een zak slechtgezinde organen, de tas die ze al neergezet had weer tegen haar bezwete lijf aan klemmend, de wafel in verwardheid in de dichtstbijzijnde handen – die van de conducteur – drukkend, en dan weer – nog één keer – alles uit de kast en rennen-rennen-rennen naar de overkant, waar een trein van exact dezelfde soort in spiegelbeeld op haar staat te wachten. Ze haalt het, ze haalt het, ze denkt aan Aurel – haar allerliefste Aurel, die haar zal verlaten voor een avontuur waar zij geen deel van mag uitmaken of misschien is dat te dramatisch uitgedrukt maar het vóelt wel zo –, en aan hoe die zegt dat het leven een spel is en dat je je de overwinning gewoon hard genoeg moet voorstellen in je gedachten, dat ze dan vanzelf komt, en ze háált het. Met minder gracieuze sprongen dan daarnet weliswaar en bijna struikelend over haar jas en haar tas en al haar ledematen, maar ze háált het. Ze denkt opnieuw aan Aurel en aan de trein die een vehikel van verandering is en dat dit zo’n symbolisch moment is, maar laat het… nu even niet. Ze heeft geen energie meer, behalve om ergens in haar gedachten, op een laag pitje, te hopen dat Aurel en zij de komende zes maanden zullen overleven. Ze moet even gaan zitten in het halletje tussen de wagons want verder dan dat komt ze niet. Ze kijkt naar buiten, langs de sluitende rode dit-zijn-de-deuren heen naar het perron, naar de trein aan de overkant, waarin de conducteur met het vettige haar nog steeds met haar wafel in de hand staat en overduidelijk niet weet wat hij ermee moet aanvangen. Tove lacht heel breed en vermoeid, en zwaait naar de man en ze roept, nog net voor de deuren dichtslaan: ‘Eet smakelijk, meneer!’

Over de auteur

Pieter Van de Walle (1992) schrijft over wat hij kent: de trein nemen in Antwerpen-Centraal. Hij publiceerde eerder in Kluger Hans en won enkele weken geleden de SOET-poëzieprijs. In het dagelijkse leven is hij wormdeskundige.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Vergeet alles wat je dacht te weten

Door Harm Haverman

Hier loop ik, nummer 13, met mijn hoofd tegen de vroege, snijdende oktoberwind en een zware rugzak die aan mijn schouders trekt. Een nog zwaardere lading spijt en herinneringen trekt mijn rug krom en maakt dat mijn enkels bij elke stap zwikken in mijn laarzen. Maar ik vertel mezelf dat ik hard ben, keihard. Hier […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper