Kort verhaal

De Wilde Bizon

Door Fenna Riethof | beeld: Akha Hulzebos
2 januari 2016

‘Schrok je daar niet van?’ vroeg mijn vader.
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.
‘Je schrok niet.’
‘Nee, ik schrok niet. Jij?’
‘Nee.’
‘Want het ging niet mis.’
‘Nee.’
Ik zag de craquelé rond zijn ogen en de matheid van zijn haar, dat volgens hem op foto’s witter overkwam dan het was. We zaten op een bankje waar de verf van afbladderde. Om ons heen was het leeg, op wat uitgeputte speeltoestellen na. Misschien was er iets belangrijks op tv.

We keken hoe ze het deed, keer op keer. Eerst haar laarzen over de rand, daarna haar beentjes, vandaag gehuld in een maillot met stippen. Haar vingertoppen staken net uit de mouwen van de spargroene jas die ik op de groei had gekocht. Olivia schoof haar achterwerk steeds een stukje verder naar voren, tot het punt waarop de glijbaan afboog. Van boven naar beneden duurde het een seconde. ‘Whie!’ riep ze pas toen ze tot stilstand was gekomen. Ze zette haar voeten op de kiezels, keek of wij het hadden gezien en rende terug naar het trapje om opnieuw te gaan. Haar opa zwaaide, als teken dat hij keek.

Een tweetal zeemeeuwen vloog hoog over, krijsend, klapwiekend. Ik wist waarom hij het had gevraagd. Hoe had ik gereageerd als het wel mis was gegaan, als Olivia verkeerd terecht was gekomen? Ik had haar in mijn armen genomen, zoals moeders dat doen, en ingeschat wat er moest gebeuren. Rustig, koel. Olivia – Olijfje, nu even opletten, hoeveel vingers steek ik op?
‘Twee,’ zei mijn vader, voor zich uitkijkend. ‘Het is twee keer gebeurd vandaag. Vanmorgen waarschuwde een man me voor een lage deurpost. En net stond er iemand voor me op in de bus.’
Ik zweeg.

Het was twee maanden geleden dat hij door rood reed. Ik zat naast hem, Olivia achter mij. Ik riep iets. ‘Papa’, waarschijnlijk. Het was in elk geval hard. Toen remde hij, ook hard. Midden op een zebrapad stonden we stil. Pal naast mijn portier stond een kind. Haar fonteinstaartje kwam nauwelijks tot aan het raam. Ze keek omhoog naar mij, eerder verbaasd dan geschrokken. Een klauwachtige hand greep haar capuchon en trok haar naar achteren, alsof ze anders alsnog onder de wielen zou belanden. Ik keek naar de vrouw die aan de klauw vastzat. Ze schreeuwde tegen ons, nee, tegen mij. Toen ik het portier opendeed, stroomde het geluid naar binnen. Was hij gek? Was hij blind? Ze had dood kunnen zijn. Godverdomme. Bejaarden op de weg, het zou verboden moeten worden. Achter me klonk gejammer, naast me was het stil. Een paar weken later deed hij de rijtest die ik had geregeld. Die zou hij halen, verzekerde hij me, maar hij zakte. Vorige week belde hij eindelijk weer. Zei stug dat ik maar eens moest uitleggen hoe een mens een product op een ov-sjipkaart zet.

‘Opa!’ Olivia was op de schommel gaan zitten. Haar voeten bungelden als oorbelletjes. ‘Wil je duwen?’
Met stijve benen kwam hij overeind. De eerste paar stappen zette hij alsof hij tegen de stroming van een rivier in waadde. Hij liep over het kalende grasveld, dat bij de schommels overging in grind. Ik keek naar hoe hij haar duwde. Lichtjes met de toppen van zijn vingers tegen haar onderrug. Een hand in de voorzak van zijn broek. Vandaag had hij zijn grijsblauwe aan. De andere was kaki. Allebei afritsbaar. Hij mocht ze van mij niet dragen, maar deed dat toch. In deze tijd van het jaar waren de pijpen aangeritst. Van twintig meter afstand zag ik dat de onderkant begon te rafelen. Ze waren net te lang voor zijn benen. Die stonden altijd een beetje krom, alsof iemand hem vlak daarvoor in beide knieholtes een duwtje had gegeven.

Mijn vaders telefoon ging. Het getril kwam uit zijn rugtas, die ingezakt naast me op de grond stond. Het ding was blauw met groene naden en er stond een plaatje op van Bugs Bunny die zijn duim opstak. Het is een handig formaat, zei hij elke keer als hij me naar het ding zag kijken.
‘Je telefoon,’ zei ik luid.
‘Wat?’ Mijn vader keek op, fronsend. Zo keek hij altijd op. Alsof iemand hem uit een diepe concentratie had gehaald.
‘Je wordt gebeld, papa.’ Ik wees op Bugs Bunny.
Hij zei iets tegen Olivia en liep knerpend mijn kant op. Het trillen stopte.

De eerste keer dat ik hem zag vallen herinner ik me goed. Ik zat in groep zes, hij was bijna vijftig. Hij deed de wilde bizon in de achtertuin. Mijn moeder vluchtte met zwiepende onderbenen over het gazon richting de achterdeur. Ze gilde en giechelde. Het had iets plichtmatigs en oprechts tegelijk. Die twee dingen gingen bij haar vaker samen. Toen mijn moeder de openstaande deur was doorgeschoten, kletterde mijn vader tegen de stenen van het terras. Hij rolde over de kromming van zijn rug. De vogels verstilden en de bomen hielden op met ruisen. Over zijn gelaat trok eerst een verbaasde en daarna een kwaaiige blik. Ik was getuige van iets wat ik zelf niet in woorden kon vatten. Toen hij overeind was gekomen – mijn moeder had wel iets geroepen maar was niet in beeld verschenen – legde hij zijn hand op mijn hoofd en zei: ‘Waarom huil je?’

Nu gebeurde het op de grens tussen grind en gras. Hij viel anders deze keer. Zijn voet bleef haken en hij probeerde te herstellen. Maar hij zakte door zijn knie en de zwaartekracht trok hem met beide handen omlaag. Hij landde krampachtig op zijn rechterheup en elleboog. Zijn kerm knalde als een kanonschot over de speelplaats. De vogels en de bomen deden hetzelfde als toen. Ik wilde doen alsof ik het niet had gezien, maar ik kon niet wegkijken van de neergehaalde bizon. In tien grote stappen had ik bij hem kunnen zijn. Iets met duizend scherpe haakjes ontvouwde zich in mijn borst en de binnenkant van mijn keel zwol op.

De kwaaiige blik zag ik niet, maar die moest er zijn. Hij zou overeind komen, een opgave. En als hij me aankeek, zou ik niet kunnen verbergen wat hij niet wilde zien. Maar het ging anders. Mijn vader rolde van zijn zij op zijn rug, vouwde zijn handen onder zijn hoofd en bleef zo liggen. De zwaartekracht genoot van zijn overwinning en hij liet dat toe.
De telefoon ging weer.
Ik keek om me heen of niet iemand zag hoe een vrouw haar oude vader op de grond liet liggen. Ik zag Olivia, en dat ze niet huilde maar lachte. Ze liet de schommel slingerend achter zich en fladderde over het grind naar haar opa. ‘Hee, kind,’ hoorde ik hem zeggen.
‘Wat doe jíj nou?’ schaterde ze. Haar gezicht boven het zijne. Handen in haar zij. Ze liet zich theatraal naast hem op de grond vallen en spreidde haar armen en benen. Ze bewoog ze in- en uitwaarts, probeerde een grasengel te maken. Opa deed haar na. Daar lagen ze. In uit, in uit.

‘Meedoen mama,’ riep ze. ‘Meedoen.’ Stond ik al voordat ze me had geroepen? Ik liet het getril achter en het volgende moment torende ik hoog boven de twee stripfiguren uit.
‘Er ging iets mis,’ zei mijn vader, met gesloten ogen.
‘Ja,’ antwoordde ik.
‘Ga liggen, mama!’
Ik ging liggen, aan de andere kant van mijn vader. Op armlengte afstand, roerloos. Bij elke beweging die hij maakte, schampten zijn vingers mijn elleboog. Een dun, warm lijntje liep van mijn ooghoek naar mijn oorschelp, maar de zwelling in mijn keel was afgenomen. De hemel was massief grijs, mijn blik kon zich nergens aan hechten. Ik keek opzij, naar het vertrouwde profiel van mijn vader. Ergens achter hem lag Olivia, ik kon haar alleen horen. Ze zong hard een liedje, een zelfbedachte mix, over vrede op aarde en een kaboutertaart met besjes.
De bizon draaide zijn gezicht naar me toe. Alleen zijn neus en mond verraadden dat we niet rechtop stonden, er leken onzichtbare gewichtjes aan te hangen. Aan mijn kant hield hij op met de grasengel. In zijn hand nam hij mijn pols.
‘Weet je wat het is?’
‘Nou, papa?’
‘Straks staan we weer op.’

De wilde bizonRGB

Over de auteur

Fenna Riethof (24) publiceerde begin 2016 haar eerste korte verhaal en wel op De Optimist. Daarna verscheen er meer van haar, onder andere bij Absint en Tijdschrift Ei. Fenna is freelance journalist voor AD Magazine en De Utrechtse Internet Courant (DUIC). In haar vrije tijd giet ze fictie bij de feiten.

Over de illustrator

Meer van Akha op akhahulzebos.carbonmade.com.

Lees meer van

Stijlestafette: Wijdlopig

Door Fenna Riethof

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Het is vrijdagnacht, of zaterdagochtend – in ieder geval is het net vrijdag geweest en zaterdag geworden. Binnen gehoorsafstand van de gemiddelde mens hebben zeker vijf kerkklokken in Amsterdam één keer geluid, of ze zijn […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Rijskracht

Door Lisa Weeda

Lisa Weeda schreef een prachtig verhaal over rijzen en vallen. Elise van Iterson maakte er een meesterlijke illustratie bij.   I Mijn handen trillen om de plastic hengsels van mijn ALDI-tas. Ik schud ze los, recht mijn rug tegen de leuning van de bank. In mijn laatste schone T-shirt zit ik tegenover twee meisjes met […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper