Proza

De Gelukkigen

Door Kristine Bilkau
4 maart 2016

Der Germanist geht immer wieder weiter. De Duitse Kristine Bilkau debuteerde maart vorig jaar succesvol met Die Glücklichen. Een confronterend portret van Georg en Isabell, een koppel dat juist op het moment dat ze samen de onzekerheden van de late jeugd achter zich denken te laten worden verrast door het drijfzand van de definitieve volwassenheid. Onlangs verscheen De gelukkigen bij Uitgeverij Cossee, deze vertaling laat zien dat Bilkau’s generatieproblematiek moeiteloos de grens passeert. Bilkau grijpt de lezer aan en stoot deze af met meedogenloze observaties waarin niet alleen jonge dertigers zich zullen herkennen. De Optimist is trots om een voorpublicatie te mogen plaatsen van dit debuut dat in Duitsland al onder andere de Klaus-Michael Kühne Preis en de Hamburger Förderpreis für Literatur mocht ontvangen.

***

Georg moet lichtjes bukken om zijn hoofd niet aan het lage deurkozijn te stoten. Hij ruikt de geur van verbrand hout en rijpe appels. Het is koud in de brede hal. Op de vloer staan modderige rubberlaarzen in twee maten, aan verschillende kapstokhaken hangen parka’s en regenjassen. Björn ziet er ouder uit dan op de foto’s die van hem circuleren op internet. In zijn viltig geworden wollen pullover ziet hij er afgeleefd en ongewassen uit. Georg volgt hem naar de keuken, meer een werkplaats met de rekken vol bokalen, de porseleinen potten en blikken dozen zoals in een oude apotheek, de werkbladen van onbehandeld hout. Georgs blik valt op een fornuis met keramische kookplaten dat naast een oud gietijzeren fornuis staat, waarin achter een open deurtje vuur knettert. Aan een balk van de zoldering hangen bosjes gedroogde takjes. Björns vrouw, of zijn vriendin, zet een theepot op tafel, ‘Hoi, ik ben Maud.’

Ze draagt een haarband die haar losjes opgestoken haar uit haar gezicht houdt, ze doet hem denken aan een actrice. ‘Wil je thee?’ vraagt ze. Hij probeert op de naam te komen, Helena Bonham-Carter, ze lijkt alleen jonger, halverwege de twintig misschien, hij knikt, ja, hij wil wel thee. ‘Citroenmelisse,’ zegt ze bij het inschenken. Haar handen zien er sterk en gehard uit maar niet knokig of mager. Haar nagels zijn kort, met zwarte randen, zwart van moeder aarde.

Hij praat een poosje met Björn over de omgeving, de boeren in de buurt en de dichtstbijzijnde provinciestad, zowat een halfuur autorijden hiervandaan. Björn leunt met de armen over elkaar tegen het aanrecht. Hij haalt zijn telefoon uit zijn versleten broekzak. ‘Ik moet nog even bellen, we praten zo meteen verder, oké?’ zegt hij met een hoofdknik in zijn richting, hij neemt zijn mok thee en verdwijnt door een houten deur naar buiten.

‘Als je wil laat ik je alles zien,’ zegt Maud met een uitnodigende blik. Haar leren pantoffels sloffen over de vloer terwijl ze voor hem uit loopt. In de hal doet ze een van de kleine deuren open en laat hem voorgaan, ‘Onze woonkamer.’ De kleine ramen laten weinig daglicht naar binnen, Maud doet een staande lamp naast de tegelkachel aan. Op een salontafel ziet hij boeken over kruiden en zaaigoed liggen, en ernaast een paar stukgelezen boeken, donkere rood-zwarte motieven, thrillers waarschijnlijk. Naast de bank staat een mand met houtblokken. Geen designspullen, in tegenstelling tot wat hij had verwacht. Op de vensterbank ziet hij een groepje houten figuurtjes staan, mannetjes met brede schouders en plompe voeten, vrouwtjes met priemende borsten en bolronde billen. Hij bekijkt ze van dichterbij. De ruw gesneden gezichten zien er verdrietig uit of verwrongen van woede. ‘Die heb ik gemaakt, misschien beschilder ik ze nog.’ Hij neemt een figuurtje vast en laat zijn vinger over het hoekige oppervlak glijden, over de fijn vervaardigde ronding van een hoofd en een borst. Hij vindt ze echt mooi; ‘Heb je dat jezelf geleerd?’

‘Je hebt niet veel nodig, een goed mes bijvoorbeeld, en lange avonden.’

Door een smalle deur aan het andere eind van de kamer komen ze in een kleine werkkamer, twee beeldschermen staan naast elkaar op een lange houten plank bij het raam. Aan de muren hangen prints van websites, hij ziet bijen en potten honing, en motieven die handwerk lijken. ‘Björn doet af en toe nog webdesign, maar enkel voor mensen uit de buurt. Websites over gebreide sokken of voor een honingwinkel,’ zegt ze met een dubbelzinnige glimlach, ‘maar het zou vast geen kwaad kunnen als je dat niet in je artikel vermeldt. Hij doet dat alleen maar zwart.’ Dat Björn dat soort klussen aanneemt verbaast Georg. Misschien is hij werkelijk zo berooid als hij het graag voorstelde na het failliet van zijn bedrijf, om zich na de insolventie en het geschil tussen hem en zijn partner publiekelijk de slachtofferrol aan te meten. En nu doet hij zich voor als een gelouterd man die de samenleving de rug heeft toegekeerd, een anticonsumptietype. Georg was sceptisch toen Matthias hem Björn voorstelde voor de reeks over moderne autarkie. Maar zijn nieuwsgierigheid haalde het van zijn wantrouwen: hoe leeft iemand op het platteland die van zichzelf beweert dat hij zoveel mogelijk zelfvoorzienend is? Met name iemand als Björn, die in de media bekendstaat voor zijn schunnige feestfoto’s of zijn gefingeerde succesverhalen? Websites over gebreide sokken, Georg moet glimlachen, op de een of andere manier doet het sympathiek aan.

Samen gaan ze terug naar de hal. Ze doet een volgende deur open, de slaapkamer. Ze hoeft hem dit eigenlijk niet te laten zien, maar hij volgt haar toch. Een groot matras ligt gewoon op de vloer. De omgewoelde dekens met grafische seventiesprints doen hem denken aan het beddengoed van zijn ouders toen hij kind was. Midden in de kamer staat een wasrek met T-shirts en mannenshorts, daartussen strings in zwarte en donkerblauwe kant. Hij kijkt een andere kant op. Het ondergoed is hem te privé, en hetzelfde geldt voor de doos kleenex en het potje vaseline naast het bed. ‘Mooi,’ zegt hij en loopt weer naar de deur.

Maud glijdt uit haar pantoffels en stapt blootsvoets in haar rubberlaarzen. Een andere deur, er komen er zoveel op de hal uit, leidt naar het deel van het gebouw waar vroeger de stal was. Hij ziet de wolkjes van haar adem, zo koud is het hier. Ze moet kousen aantrekken, schiet het door hem heen. Meteen daarna corrigeert hij zichzelf: wat kan hem dat schelen. Hij ziet Matti voor zich, en Isabell die vanochtend hardop nadacht of het kind dit wollen of dat katoenen onderhemd aan moest, of het al de maillot nodig had of alleen nog maar de kousen. ‘We willen geiten kopen,’ vertelt Maud, ‘en kippen.’ Ze wrijft haar handen en steekt ze in de zakken van haar spijkerbroek. ‘Melk halen we bij de boer even verderop in de straat. In ruil voor honing of jam. Nu ja, meestal betalen we gewoon met geld. Dat is wat je wilt weten, toch? Hoe we in ons onderhoud voorzien?’ 

Weer in de hal trekt ze een parka met een capuchon aan.

‘Wat zou je nog graag zien, de moestuin, de bijenkorven?’ Hij pakt zijn jas van de haak en knikt. ‘In principe alles wat deel uitmaakt van jullie bedrijf.’


Ze staat vlak voor hem bij de voordeur en draait zich naar hem om, trekt haar wenkbrauwen hoog op, het valt hem op dat ze donker en gewelfd zijn.

‘Bedrijf? Dat klinkt zo professioneel. Zo zien we onszelf niet.’ 

Ze leidt hem door de tuin achter het huis, zuidkant vermoedt hij, de moestuin is groter dan een olympisch zwembad, zeker meer dan vijftig meter lang en ongeveer half zo breed. Hij haalt zijn camera uit zijn schoudertas en neemt een paar foto’s. Veel groeit er niet meer, de veldsla en de boerenkool herkent hij meteen. De grijze lucht hangt laag en de absolute rust hier is indringender dan welk straatlawaai ook.

‘We zijn er dit jaar laat bij. Eigenlijk moesten de bedden al vrijgemaakt zijn om ze klaar te maken voor de winter. Maar de herfst was zo zonnig, daarom hebben we het uitgesteld.’ 

Ze vertelt over het werk in de tuin, welke gewassen het goed doen, welke niet, en ze legt het een en ander uit over mengteelt. Ze voegt eraan toe dat ze ook geneeskrachtige planten kweekt en begonnen is met zelf zalven te maken.

‘Heb je een vriendin? En kinderen?’ 


‘Ja, allebei. Een jongen, iets meer dan een jaar oud.’ 

Als Maud glimlacht, trekt ze één mondhoek naar beneden, dat is wat hem die indruk van dubbelzinnigheid geeft.
 

‘Dan geef ik je zo nog de beste luierzalf mee. Met goudsbloem en smeerwortel, gloednieuw in mijn assortiment.’
 

Hij kijkt of hij Björn ergens ziet. Ze lopen verder naar een kas, paprika, aubergine, zelfs meloen groeit hier. Hij neemt foto’s. Als ze weer buiten staan, wijst ze naar een stuk braakliggend terrein aan de rand van het perceel. ‘Ons aardappelveld,’ waarna ze hem voorgaat over het gras naar een verwilderd deel van de tuin. Het gras staat er hoog en door de bomen met hun knoestige dichte takken zie je de lucht niet meer. Het is middag maar het licht is gedempt, wat de plek iets betoverends geeft. Voor kinderen zou het een roversbos zijn. Als dit zijn tuin was, zou hij voor Matti een boomhut tussen de takken kunnen timmeren. ’s Ochtends hangt de nevel laag tussen de vochtige halmen. Hij stelt het zich voor. Appel, peer, kers en pruim, hoort hij Maud opsommen. ‘Een oud boombestand,’ zegt ze. Hij doet een paar passen en snuift langzaam de frisse lucht en de geur van rottend gras op. Hij zou graag een poosje rustig alleen ronddwalen.


‘Hoelang wonen jullie hier al?’


‘Meer dan twee jaar, volgende lente drie.’ Ze raapt takken op.

‘En, is dit je ding?’


‘Ja, absoluut.’


‘De fysieke arbeid is toch niet te onderschatten? En de afzondering ook niet, neem ik aan?’


‘Natuurlijk, het gebeurt weleens dat ik ’s nachts mijn botten niet meer voel. En af en toe snak ik ernaar om met mijn matje onder de arm naar de yoga en de sauna te gaan. Maar wat betekent dat? Een mens beeldt zich die verlangens alleen maar in.’

Terwijl ze dat zegt, heeft ze iets strengs over zich.


‘Wanneer heb je Björn leren kennen?’


Maud kijkt hem aandachtig aan.


‘Wil je weten of ik er al was toen het bedrijf op de fles ging?’

Hij steekt zijn handen in zijn jaszakken. Ja, precies dat wil hij graag weten. Het failliet van het bedrijf is een deel van het verhaal. De insolventie werd als een moddergevecht tussen de partners breed uitgesmeerd in de media. Zonder die achtergrond zou Björns nieuwe levensvisie niet half zo interessant zijn.

Ze aarzelt. ‘Ik was stagiaire en hij getrouwd. Een vreselijk cliché dus.’

Hij heeft de inleiding van zijn artikel al in zijn hoofd. De voormalige designer van verpakkingen voor internationale merkproducten doet aan landbouw. Van consumptie-expert tot consumptieweigeraar. Hij vraagt zich af of dit alles niet gewoon een pose is van Björn. Of een financieel gewiekste fase na de insolventie. Hij wantrouwt deze idylle.

‘Hoe komen jullie aan geld?’

Een van de vragen die hem echt interesseert. Kun je zomaar naar het platteland trekken en leven van een moestuin, een aardappelveldje en fruitbomen?

‘Vermijden jullie echt industrieproducten uit de supermarkt? En hoe zit het met verzekeringen? Hebben jullie een ziektekostenverzekering? Bouwen jullie een oudedagsvoorziening op?’

Ze lacht: ‘Oudedagsvoorziening?’ Ze trekt een laars uit en voelt tussen haar tenen. ‘Er zit een steentje in.’ Ze wankelt en huppelt op één been om haar evenwicht te bewaren. Hij stapt op haar af, neemt haar bij de arm en ondersteunt haar.

‘Natuurlijk hebben we een ziektekostenverzekering. In de supermarkt zijn we al een hele tijd niet meer geweest. We proberen het met minder te doen. We drinken kraanwater. We bakken brood. Melk halen we aan de overkant. Binnenkort hebben we kippen.’

‘Hoe betaal je dat? Verzekeringen, elektriciteit, benzine.’

Hij haalt zijn camera weer uit zijn schoudertas, die hij bij een boomstam had gelegd, en neemt foto’s. Donkergroen gras, de kale zwarte bomen, hij heeft het ogenblik vastgelegd, een fragment van deze rust. Of hij zo zou willen leven? Hij weet het niet.

‘Nu ja, Björns webdesign. Kleinschalig, heel lokaal. En je zult lachen, maar ik maak jam, voor delicatessenzaken en cafés.’ Bramen, aalbessen, appel met vlierbes, in grote hoeveelheden, voegt ze eraan toe. ‘En daarnaast verkopen mijn zalven goed in kinderboetieks.’

Op een pad naast het bosje blijft ze staan bij een rozenstruik en houdt ze haar neus bij een geel oplichtende bloem die gezwollen is door het vocht en verwelkt aan de randen. ‘Kijk eens, die heeft het tot nu uitgehouden.’ Dan lopen ze verder, langs een stukje weide waar een strandstoel ligt te vergaan.

‘Kom mee, ik laat je nog iets zien.’

Hij volgt haar langs het pad en ergert zich. Björn laat zich niet meer zien en lijkt de rondleiding aan Maud over te laten. Een modelplattelandsmeid. Ze hebben geen van beiden een agentschap nodig om hun doelgroep te bepalen. Het zou hem niet verbazen als hij met een tube luierzalf thuis zou komen en Isabell alleen maar vermoeid zou antwoorden: ‘Ken ik, ligt in de babycommode, rechterlade.’

Hoewel hij de bekoorlijkheid hier wantrouwt, kan hij zich toch niet ontdoen van het verlangen om net zo te leven. Het hartvormige, bleke gezicht van Maud. Eén keer haar wangen strelen. Hij is verbaasd over zichzelf en stapt verder over het grasveld. Achter het bosje is een open plek waar drie woonwagens en een houten hut staan. Aan de rand van de open plek een kring van stenen met de asresten van een vuur.

‘We zijn van plan om vanaf volgende lente mensen te ontvangen. Arbeid in ruil voor logies met maaltijden. En we willen deelnemen aan sociale projecten.’

‘Wat voor projecten?’

‘Werken met gehandicapten. Of met ex-gevangenen. Zoiets. Daar krijg je ook subsidies voor. Ik ben dat momenteel aan het uitzoeken.’

Ha, subsidies. Hij las eens een artikel over een Duits-Amerikaans stel dat om de paar jaar een nieuw fonds oprichtte en geld inzamelde, meestal waren het schoolprojecten voor weeskinderen in Afrika. Ze reisden door Kenia, overnachtten in vijfsterrenlodges, ze lieten zich – hoe dom kun je zijn – fotograferen tijdens safaritochten of aan zwembaden van dure resorts en postten die foto’s dan op hun sociale netwerken. Ze werden aangeklaagd wegens verduistering. Acht jaar lang hadden ze heerlijk kosmopolitisch en bovendien schijnbaar liefdadig geleefd, maar ze toonden zich gekwetst en verontwaardigd toen hun ‘harde werk’ door justitie en de media werd ‘tenietgedaan’, zoals ze het noemden. En dan moet hij denken aan die vader van zes kinderen die hij tijdens zijn research was tegengekomen, die met zijn familie emigreerde naar Costa Rica, waar de kosten van levensonderhoud gering zijn en de belastingen ook. Zijn villa aan zee financiert hij door boeken te schrijven over de vervulling van zijn droom om de samenleving de rug toe te keren, en filmpjes te maken van zijn kinderen die gebruind en met de haren in de war op het strand spelen, filmpjes die hij vervolgens op zijn YouTube-kanaal post. Voorafgegaan door reclamespots voor yoghurt in plastic bekertjes of de suv van Toyota. Aan het eind van elke zelfgedraaide clip richt de vader de camera op zichzelf en stuurt zijn fans ‘maaaaassa’s liefde, geluk en licht’, zodat ze op zijn filmpjes blijven klikken en hij niet terug hoeft naar zijn vroegere baan als verzekeringsagent.

Björn gaat tegenover hem zitten aan de houten tafel, in hun borden dampend hete pompoensoep. Georg slaat zijn notitieboekje open en legt zijn balpen ernaast. Maud neemt een kommetje uit de koelkast en reikt hem een lepel aan. Zure room, hij laat de smeuïge massa van de lepel in zijn bord glijden en blijft even kijken hoe die zich verspreidt in de soep. Börn haalt zijn telefoon uit zijn zak en legt hem naast zijn bord. ‘Ik probeer bij opbod een tractor op de kop te tikken,’ zegt hij, ‘eBay is voor arme boerenkinkels als ik een goudmijn. Ik zou er twee hectare mee kunnen bewerken.’

‘Wat wil je telen?’

‘Wist ik dat maar.’ Björn kijkt weer op zijn telefoon. ‘We hebben ons hier naïef in gestort. Je moet het gewoon doen en daarna zien of het lukt.’ Hij rekt zich uit, onder zijn oksel gaapt een gat in zijn trui, hij rilt welbehaaglijk en lepelt zijn soep verder op. Hij maakt een gemoedelijke, zelfverzekerde indruk, als iemand die nog vijf andere opties heeft als blijkt dat iets niet lukt. Hij vertelt over het faillissement van zijn bedrijf, het geschil met zijn partner, en ook hoe hij dit huis heeft gevonden en gekocht. ‘Gewoon doen,’ zegt hij en Georg denkt: was het maar zo eenvoudig, uiteindelijk is het toch allemaal een kwestie van geld.

‘Is er iets wat je mist sinds je hier woont?’

Björn kijkt hem recht aan: ‘Vrienden niet. Mijn baan niet. Het nachtleven ook niet.’ Hij denkt verder na. ‘Je ziet het, ik kan je alleen maar zeggen wat ik niet mis. Uit principe nog het meest van al: dat alomtegenwoordige vergelijken. Mezelf met de anderen, en omgekeerd. Daarvan ben ik verlost. En daaruit vloeit de rest voort.’

‘Wat bedoel je met “de rest”?’

‘Dat ik niets meer hoef te kopen. Om de vergelijking te doorstaan.’

Buiten is het zachte ruisen van de wind te horen, druppels kletteren op de ramen. ‘Neem me niet kwalijk, het bieden loopt,’ mompelt Björn, terwijl hij zich over zijn telefoon buigt, Georg benut het ogenblik om aantekeningen te maken. Zo zitten ze een poosje aan tafel. Het geluid van de balpen op het notitieblok, Maud die rondloopt op haar zachte leren zolen, nu eens iets uit een van de potten op de rekken neemt, dan weer de kachel oppookt en ten slotte appelgebak voor hen op tafel zet. Ze eten zwijgend, hij krabbelt verder zijn indrukken neer in zijn notitieboekje, terwijl Björn kennelijk nog steeds iets aan het lezen is. Opeens kijkt hij op, ‘Zeg, je weet toch al dat ze je tent willen sluiten?’ vraagt hij en wijst naar zijn telefoon.

‘Op internet staat dat je krant wordt opgedoekt, wacht even, of wordt verkocht. Nog niets over gehoord?’

‘Nee, wie schrijft dat?’

Hij leest de tekst vluchtig door op Björns telefoon, ‘er staat “misschien”,’ zegt hij en beseft hoe hulpeloos dat klinkt. Doelloos dwaalt zijn blik over de tafel, de borden met soepranden, een aardewerken schaaltje met korrels grof zout, zijn notitieboekje. Maud legt haar hand op zijn onderarm en hij wacht een ogenblik om met een terloopse beweging op een beleefde manier van haar af te komen. Hij voelt zich als een patiënt die na een ernstige diagnose met medelijden en genegenheid wordt bejegend.

In zijn hand heeft hij een stoffen tasje met drie potten jam en een tube zalf. Isabell staat in de deuropening. Onder haar open jas draagt ze een jurk en pumps, ze ziet eruit alsof ze een groot optreden heeft. Ze tilt haar celloko er met een zwaai op haar rug. ‘Ik moet je straks wat vertellen,’ zegt ze. Ik jou ook. Hij beantwoordt haar handkus maar ze ziet het niet meer. ‘Je mag nog niet naar Matti’s kamer kijken, beloof het me,’ roept ze van beneden.

Nadat hij Matti in slaap heeft gezongen en daar zelf bijna bij was ingedommeld – hij zou meteen in bed kunnen blijven liggen, dacht hij, maar vermande zich toch – doet hij zijn computer open om op internet op zoek te gaan naar nieuws. Maar hij vindt niets, en al helemaal geen stellingname van de directie, hij klikt en leest, geeft nieuwe zoektermen in maar het verandert niets. Hij heeft Isabell beloofd dat hij wakker zou blijven maar op een bepaald moment geeft hij het op, gewoon om een eind te maken aan deze dag. In het kinderbedje naast hem hoort hij Matti’s adem zachtjes piepen en in gedachten loopt hij weer door de donkergroene boomgaard in het bleke novemberlicht. ‘Wil je niet nog rustig een kop thee drinken?’ had Maud gevraagd toen hij wilde gaan. Hij stond al in de hal. Hij nam zijn jas van de haak en zijn blik viel daarbij op haar rubberlaarzen. Ze waren met dikke schapenvacht gevoerd, die laarzen. Ha, dacht hij, klopt, dan heb je geen kousen nodig.

***

De gelukkigen van Kristine Bilkau, vertaald door Isabelle Schoepen en Kris Lauwerys, is onlangs verschenen bij Uitgeverij Cossee. Op 12 maart en 13 maart verzorgt Bilkau tijdens de boekenweek lezingen op verschillende plekken in het land.  Benieuwd naar Bilkau? Bekijk hieronder een video waarin ze voordraagt uit haar boek.

Over de auteur

Kristine Bilkau (Hamburg, 1974) werkt als journaliste voor verschillende tijdschriften. In 2009 won zij het stipendium van het gerenommeerde Literarische Colloquium Berlin. De gelukkigen is haar debuut. De roman werd bekroond met de Hamburger Förderpreis für Literatur en won de prijs voor het Beste Romandebuut 2015.

Lees meer uit de categorie Proza

Eindelijk heb je een kamer voor jezelf

Door Joao Valente

Vertaald door Anne Lopes Michielsen Ik zit ongemakkelijk, maar ik durf niet te bewegen omdat ik je niet wakker wil maken. De zeurende pijn bedaart als ik mijn rug recht. Ik zit half op de rand van het bed en laat het matras helemaal voor jou. Nu je in een diepe slaap bent gevallen, kan […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper