Reportage

Een sentimentele stadstour

Door Lisanne van Aert | beeld: Renske van Enckevort
18 maart 2016

‘Die Stadt ist abscheulich, eine hohle Mittelmäßigkeit in allem.’
George Büchner over Gieβen, 1833

In deze sentimentele stadstour door Gieβen volgt u mij, uw melancholische stadsgids, langs de mooiste herinneringen aan dit deprimerende oord, waar ik een half jaar met liefde heb gewoond. Bij iedere stop een handjevol dagboek-aforismes.

Neustädter Tor
De winkelgalerij waar alles te vinden is.

1.
Ik weet dat ik niets over smaak mag zeggen, maar een slecht brilmontuur is niet alleen maar oppervlakte. Ze doen meisjes van vijfentwintig eruit zien als vijftigjarige secretaresses op makelaarsbureaus, die je zonder gêne bruisballen of bloempotten voor hun verjaardag geeft, of een boekenbon waar ze net geen écht goed boek van kunnen kopen. Ze zien er bijna dood uit, deze Duitse winkelmeisjes in Neustädter Tor. Dat komt niet alleen door hun brilmontuur, maar ook door de blik in hun ogen, die ik nog niet precies beschrijven kan. Het is de glazige blik die bij een doorzichtig montuur past.

2.
Bij de achteruitgang van de Mediamarkt staat een barbecue waar de medewerkers in hun pauze braadworsten grillen. Op doordeweekse dagen staat er altijd dezelfde man achter. Hij heeft zich bewezen als een braadworstenexpert. Hij is niet slechts Herr X van de wasmachines, zoals er ook Frau Y van de haartangen en Herr Z van de stofzuigers zijn: hij is Herr X van de braadworsten. De meisjes van de kassa trippelen één keer per week naar hem toe om zichzelf op iets slechts te trakteren, de jongens van de games kijken de techniek bij hem af.

Terwijl de anderen naar hun smartphones staren, staart Herr Bratwurst naar de kooltjes. Mensen hebben vuur nodig – sigaretten of barbecues– om tot rust te komen. 

3.
De paspoppen van de lingeriezaak hebben geen bh’s nodig. Ze hebben volle, ronde borsten met tepels die vrolijk door de uitverkoop-shirts prikken. Als ik geen bh draag zien mijn borsten er jongensachtig uit.  

Ik zag mijn vriendje naar de paspoptieten staren toen we boodschappen deden.

Punkt & Strich
De papeterie waar iedereen hebberig wordt.

1.
In het kaartenrekje staat een ansichtkaart met een harige buik erop. Op de buik staat getatoeëerd: Gieβen, der Nabel der Welt. Al het pluis verzamelt zich hier, wordt vettig.

We wachten op iemand die ons eruit pulkt.

Silbersee
Het meertje waar de hippies altijd naakt zijn gebleven.

1.
Toen ik hier drie maanden terug besloot om moedig te zijn, het koude water in te springen, verstuikte ik mijn been.

2.
Carlo wijst naar de mandala-tatoeage op zijn ribben, hij heeft hem laten zetten in Japan. Op je ribben schijnt het meeste pijn te doen. Hij vertelt dat hij door een mooi Japans meisje, met vastgelijmde grote ogen en draken op haar armen, een blowjob kreeg aangeboden om alles te verzachten. Hij bedankte.

Het moet best wel fijn zijn, lichamelijk in plaats van psychisch verward te worden.

3.
Ik spring in het water, zwem veel te hard, veel te ver, tot er niks meer onder me is, om mezelf eraan te herinneren dat ik naast een brein ook een lichaam ben. Ik ben spieren en vel, ik draag de potentie tot kippenvel in me. Ik ben de schaamharen die verdwaald uit mijn broekje steken, de adem die stokt, het uitproesten van ranzig water.

4.
Azusa is de enige die niet zwemt, ze weet dat ze een lichaam is; ze houdt haar buik in en smeert zich iedere dag in met bodycrème.

5.
Agnes is dapper genoeg om met een caravan door Europa te trekken, maar vindt het gênant om in haar ondergoed te zwemmen.

Yalcinkaya – Stadtbäckerei
De Turkse bakkerij waar meisjes gratis baklava krijgen.

1.
Ik vraag om iets ohne Fleish. Hij zegt dat hij mit Fleisch is. Ik zeg dat ik ook met vlees ben, dat alle mensen van vlees zijn. Hij zegt dat ik mooi vlees ben, lacht zijn tanden bloot en legt een spinazie-feta-broodje op een servetje.

2.
Hij is de derde die zegt dat mijn Duits Frans klinkt. Ik denk niet dat het mijn accent is, maar mijn sleutelbenen en hoe ik mijn ogen sper bij alles dat ik zeg. Volgens een taxichauffeur was het hoe voorzichtig ik sprak en mijn haar, dat samen. Het was ook nacht, ik had mijn stem schor gedanst.

Steinstraβe
De Wohngemeinschaft waar de gemütlichste mensen wonen.

1.
Knut en ik luisteren naar de radio. Meestal kan ik Duits best goed buiten sluiten, als ik hard genoeg nadenk of nagelbijt, versta ik er niks meer van, maar nu gaat het over jongens die elkaar doodschieten, over bommen die afgaan. Dat klinkt in iedere taal hetzelfde. De toon waarop wordt gesproken is monogaam, kraakt. Nieuwslezers kunnen het niet permitteren zichzelf kwijt te raken, ze zouden nooit meer slapen.

‘Ich gehe Brombeeren pflücken’ zeg ik, omdat ik een watje ben, me al vijf maanden op vakantie waan, geen krant meer open sla.

2.
Knut is misschien wel de beste vriend die ik ooit heb gehad. Hij is achtendertig, draagt vaalgroene hemden of bloezen met Griekse stiksels. Hij zet de beste espresso, is programmeur en gepensioneerd schaapsherder. Hij lacht en praat op dezelfde zangerige manier als de beste vriend van mijn vader.

Botanischer Garten
De tuin waar alle rare mensen zich verzamelen.

1.
Als het hier hard waait, overstemmen de bomen de gesprekken. Dat is voor iedereen beter.

2.
Als een jongen in een botanische tuin werkt, is het vast makkelijk om meisjes met een teer hart te versieren. Ze zien het zand onder nagels, vouwen een scherp puntje in een kassabonnetje, leggen de hand op hun schoot, pulken en vertellen over hun lievelingsbloem.

Ze zijn vergeten dat vrijen in een kas vol tropische bloemen, onder de sproeiers en de sterren, naast de oleanderstruiken ook gewoon neuken is, en dat er altijd geknoei met sperma is, en een moment om los te laten.

3.
Er komt hier altijd een vrouw die alleen maar roze draagt. Ze sleept twee boodschappentassen oude kranten en een roze kussentje mee. Op dat kussentje gaat ze dan zitten, op een plekje in de zon, en begint ze de ellende van drie jaar terug te lezen.

Ze kwam een keertje naast me zitten. Ik wilde naar haar lachen, zag hoe ze één voor één haar baardharen uittrok, haar vingers als pincet, turend in een spiegeltje, en keek weg.

4.
Ik wil hier graag een keertje wildplassen.

Neustädter Tor
De winkelgalerij waar alles te vinden is.

1.
Uit kauwgomballenautomaten kun je voor één euro rozenkransen en vampiertanden halen. In het nepgrind om de nepplanten liggen kauwgoms en restjes noedels.

2.
Bij de schoenmaker kun je ook sleutels, Zippo’s met doodshoofden en dolken kopen. Twee jongens staren naar een dolk met een simpel leren handvat alsof het een meisje is, met lang blond haar en de taal van een gangsterrapper, eentje die verleidt en bedreigt, tegelijkertijd.

Ik vraag me af: kun je je pas veilig voelen als je een gevaar voor anderen bent?

Eichendorffring
De deprimerende studentenflat waar iedereen zijn schoenen voor zijn kamerdeur zet.

1.
Het is godzijdank de laatste keer dat ik deze kloteberg naar dit kloteoord op fiets. Langs Penny en het gekkenhuis, de huisarts die me liet hoesten om mijn longen te horen, de brievenbussen waar ik verdrietige brieven in propte, het grote konijn in het kleine hok.

2.
Een Amerikaans meisje, Olivia, kan niet tegen het woord nipple. Ze zou het liefste tepelhoven hebben zonder tepels erop. Er staat een groep jongens om haar heen, die een voor een nipple naar hun eigen taal vertalen. Olivia kirt, giechelt, trappelt met haar voeten op het houten bankje. Stop it, stop it, you guys have no shame?!

Als Alex naar een Duits meisje loopt om haar te vragen wat tepel in het Duits is, schudt de rest met hun hoofd. That guy is sooo crazy. Crazy is een geuzennaam voor de mensen die onder invloed van alcohol alles durven, voor de persoon met de meeste drunk stories, maar die nooit te ver zal gaan. Te ver gaat het als er wordt blootgelegd waarom er zoveel wordt gedronken. Je mag vertellen over die keer dat je wakker werd in een kotsplas met een penis op je voorhoofd, maar niet over die keer met zakken onder je ogen, omdat je verdrietig was en er van overtuigd dat je hier geen echte vrienden hebt. 

3.
Het is de laatste keer dat ik deze kloteberg afroetsj, weg van dit kloteoord. Ik hoor niks behalve de wind, mijn tepels worden hard.

Marktplatz
De markt waar alles er lekker uit ziet.

1.
Op roodfluwelen kleedjes ligt zomerfruit. Ze zoeken een student die werk zoekt. Ik zou kunnen blijven, alles kunnen afbellen met het excuus ‘ik verkoop vanaf nu fruit en groente’.

Ik zou leren hoe een precies rijpe nectarine voelt en hoe je die verkoopt. Als de mensen zouden zeggen dat ik gek ben geworden – in Nederland heb ik een soort grachtenhuis, een vriendje, honderd vrienden – zou ik zeggen dat ik mijn leven eindelijk overzichtelijk heb gemaakt en dat ze dat zelf ook zouden moeten doen.

2.
Een man koopt twaalf euro aan een speciaal soort champignons. Ik hoop dat ze niet zo hard slinken als de gewone.

3.
De marktkoopmannen schreeuwen hier niet. Alles is geroezemoes. Op zaterdag gaat het leven hier langzamer, om vervolgens op zondag helemaal af te sterven; de winkels blijven dicht, er valt niks te shoppen. De zondagsmensen begrijpen het, ze snoepen van ijscoupes en praten.

Hessbar
Een tapasbar waar ze Hessische specialiteiten serveren.

1.
Het is mijn afscheidsetentje: Jenna heeft een choker omgedaan, Johannes draagt een witte blouse, Azusa iets met pareltjes, Knut een superheldenshirt, ik een krokodillenbroek. We zien eruit als een zooitje ongeregeld.

Ik zou ons omhelzen als ik ons zo zou zien. Ik zou andere mensen door elkaar schudden en vervolgens naar ons wijzen, schreeuwen: Zien jullie dat! Deze mensen gloeien naast elkaar!

2.
We eten van kaas die een week lang in azijn en uien heeft gelegen. Het heet Handkäse mit Musik, omdat je er scheten van gaat laten. Het is een geruststellende gedachte dat ik niet de enige ben die thuis alles gaat laten lopen.

Steinstraβe
De Wohngemeinschaft waar de gemütlichste mensen wonen.

1.
Er is een meteorenzwerm voor nodig om me in het moment te houden.

2.
We tellen er tien. Sommigen hebben een staart. Azusa kirt. Ik weet niet wat ik moet voelen. Ik vraag me af of de hele avond sterren kijken minder verwerpelijk is dan televisie. Ik vraag me af of wij, Azusa en ik, op het moment niet juist de meest verwerpelijke wezens van de wereld zijn: we kijken alleen maar omdat ons iets groots is beloofd, anders waren we binnen gebleven.

3.
Ik haal mijn nieuwe leren jas van binnen en rol mezelf erin op. Azusa is bijna jarig. Ze wordt dertig, ziet eruit als zeventien. We verzinnen wat een meteorenzwerm die je verjaardag inluidt allemaal kan betekenen; geluk, liefde of dat je knoerthard naar beneden flikkert.

Omliggende natuurgebieden
De fietspaden waar Hessen zich van z’n beste kant laat zien.

1.
We (twee bevriende stellen, met petjes op en een fietskaart aan hun stuur bevestigd, en ik) stoppen om naar een ooievaar te kijken. We delen een moment waarin we om de beurt schön zeggen en fietsen dan door op twee verschillende tempo’s, die onze nabijheid met geweld moet breken. Nu de ooievaar weggevlogen is, is er niks meer dat we delen.

2.
Mijn band gaat lek in een plaatsje dat Lollar heet.

Gießen

Over de auteur

Lisanne van Aert (1993) studeerde af aan de opleiding Writing for Performance. Ze is mede-oprichter van Het Pijpcollectief, redacteur bij Hard//hoofd en bouwt de komende jaren samen met Birgit Welink aan een theatraal oeuvre vol zombies en superhelden.

Over de illustrator

Renske van Enckevort is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze woont en werkt in Amsterdam.

Lees meer van

De Nieuwe Lichting: Lisanne van Aert

Door Lisanne van Aert

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor.  Deel 2: Lisanne van Aert, onder meer oud-redacteur bij De Optimist, studeerde aan de HKU Writing for Performance. Pussyhofen is […]

Lees meer uit de categorie Reportage

Dapper of dom?

Door Simone van Saarloos

Een reportage over onafhankelijke boekwinkels in New York City. Foto’s: Tossa Joan Harding Het past bij Siddhartha Lokanandi, een boekhandel beginnen in tijden van crisis. Hij noemt zichzelf niet voor niks een rebel. “Misschien noem ik mijn boekwinkel wel ‘Rebel Bookstore’” lacht de zevenendertigjarige literatuurliefhebber. Maar hij ontkent niet dat de book business in moeilijkheden […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper