Essay

Kafka, Kafka, Kafka

Door Roelof ten Napel | beeld: Gemma Pauwels
11 maart 2016

Der Germanist geht immer wieder weiter. Deze week laten vier auteurs in een reeks mini-essays hun Duitsland aan ons zien. Meezing-Matthäusen, stroef verlopen schoolreisjes, bijzondere instrumenten en een andere kijk op Kafka – het komt allemaal voorbij. Roelof ten Napel sluit af.

***

1. Franz Kafka, romantisch ventje

In februari 1913 schrijft Franz een brief aan Felice Bauer, zijn vriendinnetje en toen verloofde en toen ex-verloofde en toen verloofde en toen weer ex-verloofde. Die twee spraken elkaar überhaupt vooral in brieven, met tussendoor de incidentele ontmoeting. Franz’ brief is een antwoord op een brief van Felice na hun ontmoeting in Berlijn – Felice dacht daar in haar brief aan terug, en daarvan ging Franz er weer over dromen. (Lief hè.)

Het is maar goed dat Felice er weer over begon, anders had de grootste schrijver van de vorige eeuw een van zijn grootste ontdekkingen niet gedaan. Die ontdekking probeert hij in zijn antwoord aan Felice onder woorden te brengen, al gaat dat wat onhandig.

Je had onze ontmoeting in Berlijn nog maar nauwelijks beschreven, en ik droomde alweer van je. (…) We gingen op straat wandelen (…) en we waren in feite niet ingehaakt, maar we waren elkaar nog nabijer dan wanneer je ingehaakt bent. God, het is moeilijk de ontdekking die ik gedaan heb op papier te beschrijven, om niet ingehaakt, niet opzichtig en toch heel dicht bij je te lopen. (…) Hoe moet ik het nu beschrijven, hoe we in die droom liepen! Terwijl bij puur inhaken de armen elkaar maar op twee plaatsen raken en beide een zelfstandigheid houden, raakten onze schouders en de armen de volle lengte langs elkaar.

Wacht, ik teken het.

Inhaken is zo:

InhakenI

Maar wij liepen zo:

Inhaken II

Ik smelt. Kafka de tekenaar. Kijk die inktvlekkige handen elkaar vasthouden. Kijk die armen elkaar eens nabij zijn.

2. Franz Kafka, blije tuberculosepatiënt

Het is het najaar van 1917, Franz hoest ’s nachts bloed. Hij gaat naar Zürau om daar bij zijn zus Ottla uit te zieken. Alles moet aan de kant gezet, zijn carrière als jurist, het contact met zijn ouders, het sociale leven van Praag, zijn tweede verloving met Felice.

Maar Franz is loving it.

Hij beschrijft zichzelf in een brief aan een vriend als een ‘blije minnaar’, alle vorige liefdes waren nep, maar deze ziekte, deze ziekte is de ware. Eindelijk geen verantwoordelijkheden. Hij durft zelfs de eerste dag niet te schrijven, bang dat dan de demonen terugkomen. Een paar dagen later schrijft hij in zijn dagboek:

15 september.

Je hebt de kans, in hoeverre het überhaupt mogelijk is, een nieuw begin te maken. Gooi hem niet weg. Als je er op staat diep in jezelf te graven, gaat het niet lukken alle modder die opkomt te vermijden. Maar wentel je er niet in om. Als de infectie in je longen maar een symbool is, zoals je zegt, een symbool van die infectie waarvan de ontsteking Felice heet (…); als dit zo is, dan is het medische advies (licht, lucht, zon, rust) ook een symbool. Grijp dit symbool aan.

Oh schitterend moment, vergane tuin. Je gaat de hoek om als je het huis uit loopt en de godin van blijdschap komt op je af langs het tuinpad.

Dat is zo’n beetje het enige moment in Kafka’s leven dat hij een blijdschapsgodin noemt. Misschien had hij niet moeten schrijven, want de demonen waar hij bang voor was, haalden hem in. Drie dagen later:

18 september.

Verscheur alles.

De infectie waarvan de ontsteking Felice heet – de ontsteking waarmee hij, alweer, zijn verloving moet verbreken. Het is waar hij Felice toe dwingt, met wie hij is, met hoe hij doet.

25 september.

Schets van mijn gesprekken met Felice.
Ik: Dit is waar ik toe gekomen ben.
Felice: Dit is waar ik toe gekomen ben.
Ik: Dit is waartoe ik je heb gebracht.
Felice: Ja.

Ze had net dertig uur gereisd om bij hem te zijn, en hij schrijft: dat had ik moeten voorkomen. Hij schrijft dat hij zich schuldig voelt, omdat hij voor haar een marteling is, in hoe hij zich niet bijeen weet te rapen.

3. Franz Kafka, verdeelde aforist

In diezelfde tijd, daar bij Ottla, begint Kafka aan het enige werk waarvan hij heel precies de volgorde bepaalt. Allemaal korte zinnen of alinea’s (soms vertellend, soms een stelling) op losse, genummerde blaadjes, soms weer doorgestreept. De Zürau-aforismen. Kafka denkt na, en vat dat samen in losse impulsen, in flarden gedachte die soms op elkaar lijken te volgen, elkaar dan weer tegenspreken. De kleine verzameling van 109 blaadjes vormen samen een levend, denkend wezen. Een menselijk wezen, vol van de bewegende, verschuivende meningen die ons eigen zijn – even verdeeld als de geest van de man die verlovingen aangaat en weer afbreekt, zich schuldig voelt maar ook denkt dat hij gelijk heeft, een man die schrijft dat hij blij is met zijn ziekte, tot hij zijn kamer met muizen blijkt te delen, een man die plotseling rust vindt in het voeren van geiten.

Er komen zinnen als dit:

26. Er is een bestemming, maar geen weg daarnaartoe. Wat we weg noemen, is aarzeling.

94. Twee opdrachten aan het begin van je leven: je cirkel te blijven verkleinen, en te blijven kijken of je je niet ergens buiten je cirkel verbergt.

35. Er is geen hebben, alleen zijn, alleen een naar laatste adem, naar verstikken verlangend zijn.

46. Het woord ‘zijn’ betekent in het Duits zowel er-zijn als hem-behoren.

In de lente van 1918, een paar maanden na zijn aankomst in Zürau, heeft Kafka zijn aforismen klaar – of in elk geval stopt hij ze te schrijven. Hij maakt met een typmachine nog een nette kopie, leeft nog 5 jaar, en sterft op zijn veertigste.

Al zijn romans blijven onafgemaakt, ze worden uitgegeven met soms overgebleven hoofdstukken in appendices, omdat men niet weet waar ze precies passen. Ook zijn verhalen verschijnen met name postuum. Het kleine werk met precies genummerde zinnen blijft achter. Helemaal op het eind, het tweede deel van aforisme 109, is dit:

Het is niet nodig dat je het huis uit gaat. Blijf aan tafel zitten en luister. Luister zelfs niet, wacht slechts. Wacht zelfs niet, blijf volledig stil en alleen. De wereld zal zich aanbieden om te worden ontmaskerd, ze kan niet anders, zal voor je kronkelen in extase.

kafka roelof ten napel gemma pauwels

Over de auteur

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige. In 2016 begon hij aan een researchmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie aan de Universiteit Utrecht. Zijn debuut Constellaties verscheen in 2014 bij uitgeverij Atlas Contact, en in 2015 was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium.

Over de illustrator

Meer informatie over en werk van Gemma Pauwels is te vinden op haar uitgebreide website: gemma.nu

Lees meer van

Stijlestafette: Wittgensteins Tractatus

Door Roelof ten Napel

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. 1 Amsterdam is alles wat het geval is. 1.1 Amsterdam is het geheel aan cafés, tijdstippen, uitgaansmensen, fietsen en kots, niet aan feiten. 1.11 Amsterdam wordt bepaald door cafés, tijdstippen, uitgaansmensen, fietsen en kots, en […]

Lees meer uit de categorie Essay

Uit haar bladerdak

Door Jan Haasbroek

Als ik de luiken van de Jan Luijkenstraat open, tuimelen er allerhande geschiedenissen naar buiten. Uit elk huis weer andere. In deze groene long, die het Willemspark verbindt met de grachtengordel, hebben elites en geschiedenissen vrij spel. Dat is niet alleen omdat iedereen – zolang de verbouwing duurt – via Jan Luijkenstraat nr. 1 – […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper