Essay

Mijn ooms stonden op het dak en bliezen op hun bazuinen

Door Katelijne Brouwer | beeld: Gemma Pauwels
7 maart 2016

‘Mijn ooms stonden op het dak en bliezen op hun bazuinen’, hoorde ik mijn vader ’s avonds laat een keer tegen mijn moeder zeggen. Ik had allang moeten slapen, ving een paar flarden van hun gesprek op, ‘ooms’, ‘bazuinen’, ‘dak’, en sliep in. Zo geheimzinnig was het dat ik nooit verder heb durven vragen, maar ben opgegroeid met een mysterieus, voorouderlijk bazuinenkoor op een dak. Ergens diep in mijn binnenste wist ik me beschermd en gedragen door hemelse klanken. Onlangs kwam mijn vader er op terug. Zijn vader, dus mijn grootvader, had toen hij nog een jongetje was, zijn vader en zijn oudere broers op hun Posaunen horen blazen op het dak. ‘Posaunen’, geen bazuinen, hoorde ik nu.

Mijn grootvader is in 1900 geboren in Amsterdam. Hij was de zoon van Duitse immigranten. Zijn vader was een arbeider die op zoek naar werk naar het westen was getrokken, onderweg een vrouw had gevonden en uiteindelijk met haar was neergestreken in Amsterdam op Wittenburg. De oostelijke eilanden van Amsterdam, Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, waren toen arme buurten, niet zo verpauperd als de Jordaan indertijd, maar toch zo volks dat mijn overgrootvader op zolder kippen en konijnen hield om goedkoop aan vlees en eieren te kunnen komen.

Naar aanleiding van het verhaal van mijn vader heb ik laatst Posaune op Google ingetypt. De Duitse wikipedia sprong open. Een Posaune is een diep blaasinstrument, familie van de trompet. Rechtsboven verscheen een plaatje van de Posaune. Het leek wel een trombone. Ik Google ‘trombone’ en rechtsbovenin komt precies hetzelfde plaatje tevoorschijn. Een Posaune is een trombone. Nou dat was het, raadsel opgelost. De grote broers van mijn grootvader bliezen dus met hun vader op hun trombones op het dak of op de zolder. Indrukwekkend genoeg, bijna volwassen jongens die samen met hun vader muziek maken, maar in mijn verbeelding was het nog mooier.

Vier mannen met witte hemden staan boven op het dak. Ze zijn door een dakraam via de dakgoot, bovenop het dak naar de nokvorsten, de bovenste pannen van het dak, geklommen. Daar, hoog boven het gewoel van de stad, staan ze rechtop en blazen als engelen hun hemelse muziek. Helder klinkt het kopergeschal over de stad. Hun hemden wapperen in de wind. Hun bazuinen steken in de lucht.      

Of was het zo?

Drie oude mannen trekken op midwinterdag hun Lederhosen aan, lopen de trappen op helemaal naar boven, om dan over de losse ladder naar de vliering te klimmen. Ze trekken het luik open en stappen op een plat dak. Grote pullen bier hebben ze mee naar boven genomen samen met hun bazuinen. Ze verjagen het donker op de kortste dag van het jaar. Hard schetteren hun koperen toeters. Ze blazen hun longen uit hun lijf. Uren later, als het weer schemert, komen ze verkleumd het huis weer in en hangen hun bazuinen aan de muur, daar waar andere mensen hun jachtgeweer hebben hangen.

Alleen het idee dat mijn vader als jongen getuige was geweest van een besloten familiegenootschap van blazers op het dak was al een groot wonder. Mijn vader heeft namelijk ontzettende hoogtevrees en dan zou hij op een dak geklommen zijn? Mijn vader die bij het zien van een balustrade in de verte al op de grond gaat liggen, uit angst eroverheen te vallen: hij zou op een dak hebben gestaan en getuige zijn geweest van dit schouwspel. Nee, dat is onmogelijk.

Maar een wonder blijft het, ook al was het niet mijn vader die er getuige van is geweest, maar mijn grootvader, die al lang gestorven is. Wat de mannen precies deden op het dak zal altijd een mysterie blijven. Of ze op het dak stonden of binnen bleven ook. Misschien stonden ze gewoon tussen de drogende was en de hokken met kleinvee op zolder. Hoe vaak dit indrukwekkende schouwspel heeft plaatsgevonden – want dat moet het geweest zijn als het zo’n indruk had gemaakt op mijn grootvader dat hij het vertelde aan mijn vader, die het weer aan mij doorvertelde – zullen we nooit meer kunnen achterhalen. Sommige dingen blijven altijd een mysterie.

De eerste twee jaar van mijn leven woonde ik zelf op Kattenburg, op de bovenste verdieping van een pand dat inmiddels alweer is gesloopt. Ruim zestig jaar na de geboorte van mijn opa, heb ook ik rondgekropen op een van de oostelijke eilanden van de stad. Volgens mijn ouders keken we vanuit ons huis aan de ene kant uit op Wittenburg, met aan de Grote Wittenburgerstraat de Oosterkerk en aan de andere kant op het IJ met daarin het Scheepvaartmuseum. En daar tussen de Oosterkerk en ’s Lands Zeemagazijn heeft ook mijn grootvader zijn eerste stapjes gezet. Hoog boven het gewoel van de stad hebben zijn grote broers en zijn vader samen muziek gemaakt.

Ik typ Posaunenchor in en hoor via Youtube plechtige blaasmuziek. Niet zo swingend als een brassband of zo lollig als de Hoempapa van een fanfarekorps. Ik hoor een koperorkest met langzaam verschuivende harmonieën. In mijn gedachten stel ik me mijn oudooms voor op een dak op Wittenburg. Ik zie de Oosterkerk voor me, de oude geveltjes op Kattenburg en daar ergens in de hoogte blazen mijn engelenooms voor eeuwig op hun bazuinen. Ik ben niet alleen, mijn familie waakt over me.

bazuinen  Katelijne Brouwer gemma pauwels

 

 

 

 

 

 

Over de auteur

Katelijne Brouwer (1966) publiceerde eerder korte verhalen en poëzie in Op Ruwe Planken en op De Optimist. Ze komt nog steeds heel graag in Artis, al mist ze de verdwenen dieren, het nijlpaard, de zeekoe en de tijgers.

Over de illustrator

Meer informatie over en werk van Gemma Pauwels is te vinden op haar uitgebreide website: gemma.nu

Lees meer van

Vers in de Etalage

Door Katelijne Brouwer

LUCHTBEGRAFENIS Hoe je danste voor de gier die zich verveelde, net zolang je jas uitsloeg tot hij zijn vleugels, jij je vingers spreidde, hij zijn pennen, jij de inkt en samen dansten jullie, ieder aan zijn eigen kant van het hek. Hoe jullie dansten. Hoe jij schetste. Je bent nog steeds dichtbij als ik bij […]

Lees meer uit de categorie Essay

Weelde

Door Julien Staartjes

Julien Staartjes schreef voor De Kapitalist een essay over Nescio’s De Uitvreter en het belang van leven, genieten en onbevreesd zijn.   Helemaal niks. Hij is “Goddank heelemaal niks.” Als we Gods hand, die hier ongetwijfeld niets mee van doen heeft, buiten beschouwing laten, kunnen we vaststellen dat Japi, het hoofdpersonage uit Nescio’s De Uitvreter […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper