Kort verhaal

Octopussen en groupies

Door Katrin Baumer | beeld: Lauralouise Hendrix
14 maart 2016

Voor themamaand De Germanist gingen we op zoek naar de Duitse tegenhanger van De Optimist. Die vonden we in online pdf-tijdschrift Das Prinzip der sparsamsten Erklärung – een eigenzinnig online magazine dat essays en korte verhalen van (nog) onbekend Duits talent publiceert. Essays en verhalen die zo mooi zijn dat we onze lezers er ook van wilden laten meegenieten. Vandaag het verhaal ‘Octopussen en groupies’ van Katrin Baumer, vertaald door de (nog!) onbekende talenten Svenja Karlfeld & Carolijn Visschers.

Mijn moeder is een groupie. Dat is ze altijd al geweest, zolang ik me kan herinneren, en ze is het altijd gebleven. Ik heb haar eigenlijk nooit gezien. Alleen de foto’s die ze met onregelmatige tussenpozen naar mijn grootmoeder stuurde. Zij, in korte jurken en biker boots, in touringcars, juichend op de eerste rij, op podia, in innige omhelzing met haar idolen of op hun schoot zittend, terwijl overvolle asbakken en een heleboel lege flessen voor hen op tafel stonden. Op de achterkant van de foto’s was commentaar gekrabbeld, zoals ‘That’s fucking life, you know’, of ‘Je leeft maar één keer’, of soms gewoon ‘Rock ’n’ Roll!’. Mijn moeder had geblondeerd haar, was wild, klein en stevig en had meestal een sigaret in haar mond. Ze had donkere ogen en wenkbrauwen, zoals iedereen bij ons in de familie.

Ik ben een echt groupie-kind. Ergens backstage verwekt, vervolgens bij mijn grootmoeder afgeleverd en wie mijn vader is, weet ik niet. Mijn moeder weet het ook niet. Ik heb de foto’s van haar helden vaak bekeken en met mezelf vergeleken, maar ik heb nooit een gelijkenis kunnen ontdekken. Oma zei altijd dat ik op opa lijk. Dat hielp niet echt.
Ze was te jong, schreef mijn moeder ter afscheid, en wat moest ze nu met een kind? Eerst moest ze zelf nog leven, ze kon nu niet gewoon moedertje gaan spelen. Kennelijk vond ze nooit dat ze genoeg had geleefd; in elk geval is ze nooit meer komen opdagen en ben ik bij oma opgegroeid.

Daar had ik het naar mijn zin, dus heb ik mijn moeder niet echt gemist. Alleen was oma altijd een beetje kwaad als ze het over haar had. En dat was vaak. ‘Je moeder is een groupie, weet jij wat een groupie is? Dat heeft ze niet van mij, dat niet!’
Ik wist natuurlijk niet wat een groupie was en omdat we in Düsseldorf woonden en ze het op zijn Duits uitsprak als grupi, dacht ik een tijdlang dat mijn moeder bij duikschool Grupi werkte. Daar reed ik met opa op weg naar het kinderdagverblijf altijd langs en op een gegeven moment had ik de letters ontcijferd en was ik er erg verbaasd over dat mensen die bij een duikschool werken kennelijk geen tijd hadden om naar huis te gaan.

Ik begon me ongelofelijk voor vissen te interesseren en wilde later duiker worden. Mijn favoriete zeebewoners waren de octopussen. Drie jaar achtereen ging ik als octopus naar het carnaval. Oma naaide een indrukwekkend kostuum voor me met acht schuimrubber armen die vanaf mijn riem naar beneden bungelden. De zuignappen knutselde ze van oude kroonkurken. Ik was urenlang bezig met het perfectioneren van de geluiden die zo’n octopus volgens mij maakte. Het moest een combinatie van zuigen en blazen zijn en de truc was om dit geluid hard en onophoudelijk te produceren zonder te kwijlen.
Tijdens het spel Cowboy tegen octopus dat we op het kinderdagverblijf bedachten, moest ik het helaas telkens afleggen tegen minstens acht cowboys die op me afstormden en met hun plastic pistolen op mijn hoofd sloegen. Dat was weliswaar ook in schuimrubber ingepakt, maar toch vond ik het spel niet echt leuk.

Toen ik naar school ging, verhuisden we naar het platteland en werd me voor het eerst duidelijk dat mijn leven op een leugen was gebouwd. Een die ik aan mezelf te danken had. Ik leerde lezen en googelen en kwam er zo achter dat mijn moeder helemaal niets met de duikschool in Düsseldorf te maken had. Of met welke duikschool dan ook. Of met octopussen. Als zevenjarige wist ik echter niet dat zelfbedrog de grond onder je voeten weg kon laten zakken, dus bleef ik er gewoon op staan en werkte ik mijn plan een beetje bij. Het was dus kennelijk het beroep van mijn moeder om muzikanten achterna te reizen. Het logische gevolg: ik moest muzikant worden. Het was niet eens zo ingewikkeld om dit plan te realiseren, aangezien ik in die tijd toch al een instrument was gaan spelen. In tegenstelling tot de andere kinderen in mijn fluitgroep speelde ik met overgave; de fluit was in mijn ogen het mooiste instrument dat er was, omdat het me aan de arm van een octopus deed denken. Ik rekruteerde de meisjes in mijn klas om mijn groupies te worden, wat ze echter niet zo geweldig vonden omdat ze allemaal zelf fluit speelden en daarom van mening waren dat zij ook groupies verdienden. Zo haalde ik me alleen maar een paar klappen van enkele goedkope blokfluiten op de hals, en omdat ik dit al van Cowboy tegen octopus kende, dacht ik dat het mijn lot wel moest zijn. Ik leerde dat het leven van een kunstenaar gepaard gaat met pijn. En met speeksel. Dat liep in stromen uit de fluiten van de meisjes, wat ik echt niet kon begrijpen, omdat de mijne altijd droog was. Met dank aan die zuig- en blaasoefeningen van de octopusgeluiden.

Katrin Baumer

Al snel werd ik de sterfluitspeler van mijn basisschool. Ik speelde virtuoze solo’s, het nieuwe besef van pijn vond uitdrukking in mijn fluittoon waar steeds een beetje weemoed in doorklonk en dat merkte ook de lokale pers op, die mij ‘de jonge Fleintje’ noemde. Fleintje dus, net als Heintje met fluit. Omdat Heintje ook zulke melancholische liedjes zong.
Voor mij betekende het Fleintje-artikel heel veel – vooral dat ik zo snel mogelijk weg moest, terug naar de stad. Zo snel mogelijk betekende: tot ik mijn muziekopleiding in Keulen begon. Mijn moeder had nooit iets van zich laten horen. Ik kon me de foto’s nauwelijks nog herinneren, maar inmiddels moesten de meeste van haar helden dood zijn, of stokoud. Misschien joeg ze die stokoude nog steeds na, ik stelde me haar vaak voor in eeuwig dezelfde boots, in eeuwig dezelfde bussen, en hoe ze zwetend en rochelend voor het podium stond en de muzikanten stonden op het podium en zweetten en rochelden ook en de meesten hadden hun eerste hernia al achter de rug, sommigen voortaan met een kunstmatige darmuitgang, sommigen met rollator, maar nog altijd rock ’n’ roll en hey, hun lange dun geworden haarslierten wapperden in de windmachine.

In Keulen moest in elk geval alles anders voor me worden. Nu begon het echte leven. Ik deelde de woning van dertig vierkante meter met een aquarium van duizend liter en met Vulgaris, die Vulgaris heette omdat hij een Octopus vulgaris, dus een gewone inktvis, was. Het bed deelde ik met Michi, mijn langharige getatoeëerde vriend die proteïneshakes dronk en een beetje van Vulgaris walgde, al vertelde ik hem nog zo vaak dat octopussen ongesteelde zuignappen zonder versterkingsringen op hun armen hebben en dat het de intelligentste weekdieren zijn. Of hij dat niet ook ongelofelijk fascinerend vond. ‘Mmh,’ knikte Michi. ‘Fascinerend.’ En dat de intelligentie van octopussen vergelijkbaar is met die van ratten. Michi zei niets. ‘Met die van ratten.’ Herhaalde ik. ‘Ja, van ratten!’ onderbrak Michi mij vol afschuw en schudde de manen uit zijn gezicht. ‘Fascinerend.’ Ik had heel kort haar omdat het na mijn twintigste al zichtbaar dunner werd, maar dat maakte Michi niets uit. Hij streek over mijn hoge voorhoofd en zei glimlachend: intellectuelenkop. Michi was eigenlijk erg gevoelig, speelde hobo en huilde zo’n beetje bij elke film die we samen keken – ongeacht het genre. Ik had hem tijdens mijn opleiding leren kennen en ik was hem meteen opgevallen, zei hij. Hij was op slag verliefd op me geworden, zei hij. Hij was mij natuurlijk ook opgevallen, maar dat was alleen omdat hij zo uitstak boven de rest en gespierd was en ik hem daarom vroeg me te helpen Vulgaris’ aquarium mijn woning in te sjouwen. Als bedankje trakteerde ik hem op een biertje en als bedankje trakteerde hij mij op een biertje, toen ik hem weer en toen hij mij en zo ging het door tot hij me mee naar huis nam en we naakt, met een zware kater en innig omstrengeld naast elkaar wakker werden. Innig omstrengeld betekende dus dat Michi zich in zijn slaap om me heen had geslagen als een inktvis die zijn prooi platdrukt. Vanaf dat moment zouden we altijd zo wakker worden, hoewel ik daar eigenlijk helemaal niet van hield, zo dicht bij elkaar.

Ook aan Michi’s stemmingswisselingen moest ik eerst wennen. Er was eigenlijk altijd iets dat hij treurig vond. Of aandoenlijk. Of ontroerend. Of om te huilen zo mooi. Dat kende ik tot dan toe helemaal niet. Mijn grootouders waren eerder pragmatisch en ik ook. Daarom was het ook Michi die jankte toen hij meeging naar de begrafenis van oma. Opa was al een paar jaar geleden gestorven. Michi stond dus snotterend en snikkend naast me toen ze de kist in het graf lieten zakken, ik speelde een paar luchtige stukjes op de fluit omdat het anders veel te dramatisch was. Toen we al lang in de auto zaten en terugreden naar Keulen huilde Michi nog steeds. Best wel beschaafd hoor, maar ik hoorde steeds weer een zacht gejammer vanaf de bijrijdersstoel. Ik vond dat een beetje vermoeiend en zette de radio aan, daarom had ik niet door dat het gejammer op een gegeven moment ophield. Geen idee hoe lang Michi me al zwijgend zat aan te staren toen hij eindelijk zei: ‘Hoezo was er eigenlijk niemand?’ ‘Er waren wel een paar mensen,’ zei ik zonder hem aan te kijken. Michi bleef aandringen: ‘Je weet wat ik bedoel. Niet die oude dorpsvrouwtjes die alle begrafenissen aflopen. Je familie, hoe zit het daarmee?’
Ik had hem nooit veel over mezelf verteld – waarom zou ik? Het belangrijkste wist hij. Dat ik in Düsseldorf ben geboren, dat ik fluit speel en van octopussen houd. Dat is het, wat mij aangaat. Meer niet. Toen ik dat tegen hem zei, sprongen de tranen meteen weer in zijn ogen. Wat werkte hij me op dat moment op de zenuwen. ‘Jeetje, Michi, ga er nou geen onnodig drama van maken! Ik heb mijn moeder nooit leren kennen en wat mijn vader betreft, dat wist ze zelf niet eens, dus wat is het probleem? Hou erover op, Michi! Serieus!’
De rest van de rit zwegen we. Thuis ook. Ik ging voor het aquarium zitten kijken hoe Vulgaris met zijn favoriete tentakel rotsblokjes heen en weer rolde. Dat weten de meesten helemaal niet, dat octopussen favoriete tentakels hebben. Michi zat met zijn laptop op bed en typte als een bezetene. Zo ging het dagenlang. Tot hij op een gegeven moment opstond en een roze post-it met een naam en een adres erop voor mijn neus op de ruit van het aquarium plakte. ‘Dat is het adres waar ze staat ingeschreven,’ zei hij. ‘Wie?’ vroeg ik, terwijl ik dat natuurlijk wel wist. Michi ging er niet eens op in, maar ging meteen verder met zijn verhaal. Het klonk alsof hij het allemaal precies van tevoren had bedacht. Geen idee wat hij allemaal in beweging had gezet om haar op te sporen. ‘Doe ermee wat je wilt. Ik zal het er niet meer over hebben.’ Zijn stem stokte en hij ademde hoorbaar in. ‘Maar weet…’ zei hij met trillende stem, ‘dat ik er voor je ben.’ ‘Hè Michi, doe niet zo melodramatisch,’ zei ik, terwijl ik naar het aquarium staarde. ‘We zitten hier niet in een of andere stompzinnige film.’ ‘Ik heb frisse lucht nodig,’ zei Michi en gooide de deur achter zich dicht.

Vulgaris zat precies achter de post-it. Het leek alsof Michi het briefje op zijn kop had geplakt, net als in dat spel waarbij je moet raden wie je bent. Alleen kende Vulgaris dat spel niet. En daarom kon hij ook nooit raden wie hij was.

Over de auteur

Katrin Baumer vindt de stof voor haar verhalen in de absurditeit van het leven. In 2007 voltooide ze de cursus Manuscriptum aan de Ludwig Maximilians-Universiteit in München en sindsdien schrijft ze zich door de lezingenscene, onder andere met de reeks muzikale lezingen ‘Lesmoi’ en ‘Lesmoi’. In 2012 hield ze een voordracht over het onderwerp ‘Young literatur and the digital age’ op Pomona College in Claremont. Haar verhalen werden gepubliceerd in bloemlezingen en tijdschriften, haar brood verdient ze als redacteur en social media-goeroe.

Over de illustrator

Lauralouise is fotohistoricus en (beeld)redacteur, tegen wil en dank gefascineerd door dieren, Duitsland en de kunsten. Als de woorden niet willen maakt Lauralouise beeld, voor zichzelf en soms ook voor De Optimist.

Over de vertalers

Tijdens hun opleiding literair vertalen Duits - Nederlands op de VertalersVakschool, die ze eind 2015 afrondden, leerden Svenja Karlfeld (1978) en Carolijn Visschers (1960) elkaar kennen. Ze werden meteen borrelvrienden en ondanks hun verschillende achtergronden en interesses besloten ze ook samen te gaan vertalen. Svenja heeft een Master in Media- en Cultuurwetenschappen en werkte in de financiële sector. Carolijn heeft godsdienstwetenschappen gestudeerd en was jarenlang werkzaam in de geestelijke gezondheidszorg. Svenja is gek op literatuur van jonge en aanstormende schrijvers, Carolijn heeft een voorliefde voor filosofisch getinte, associatieve teksten.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Trees

Door Jelmer Birkhoff

  Naast haar zijn aan weerszijden nog barkrukken vrij. Daar moet een reden voor zijn, dus ga ik naast haar zitten en bestel twee fluitjes. Trees heet ze, en ze kent het leven. Op haar zestiende beviel ze van haar eerste kind. Haar enige ook. Dat is alweer 54 jaar geleden. ‘Regina heet ze. Dat […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper